Выбрать главу

‘Ik heb die soldaten voor je gehaald,’ zei Gradi wijzend. Mart zag een legertje door een Poort naar het Reisterrein vlak bij de palissade komen. Honderd mannen van de Bond, geleid door Delarn, met een bloedrode vlag. De Roodarmen werden vergezeld door ongeveer vijfhonderd mensen in burgerkleding.

‘Wat was hier de zin van?’ vroeg Gradi. ‘Je hebt die honderd naar een dorp in het zuiden gestuurd om te rekruteren, neem ik aan?’

Dat, en meer. Ik had je leven gered, man, dacht Mart, die probeerde Delarn in de groep te vinden. En dan meld je je vrijwillig hiervoor aan. Stomme dwaas. Delarn deed alsof het zijn lot was.

‘Breng ze naar het noorden,’ zei Mart. ‘Volgens de kaarten is er maar één goede plek om de rivier in te dammen, een smalle kloof een paar roeden ten noordoosten die kan worden dichtgestopt.’

‘Goed,’ zei Gradi. ‘Er gaan ook geleiders mee.’

‘Daar zul jij je om moeten bekommeren,’ zei Mart. ‘Maar laat vooral die zeshonderd mannen en vrouwen de rivier verdedigen. Breng jezelf niet te veel in gevaar. Laat Delarn en zijn mensen het werk doen.’

‘Vergeef me,’ zei Gradi, ‘maar dat lijkt me dan niet zo’n hele grote groep. De meesten zijn niet eens geoefende soldaten.’

‘Ik weet wat ik doe,’ zei Mart. Hoop ik.

Gradi knikte aarzelend en liep weg.

Egwene keek Mart nieuwsgierig aan.

‘We mogen ons niet terugtrekken uit deze strijd,’ zei Mart zacht. ‘Geen aftocht. We kunnen nergens naartoe. We houden hier stand, of we verliezen alles.’

‘Een aftocht is altijd mogelijk,’ zei Egwene.

‘Nee,’ zei Mart beslist. ‘Niet meer.’ Hij legde zijn ashandarei op zijn schouder en stak zijn andere hand uit, met de handpalm naar voren. Toen hij over het landschap tuurde, verschenen de herinneringen alsof ze opdoken uit het licht en stof voor hem. Rion op de Huneheuvel. Naath en de San d’ma Shadar. De Val van Pipkin. Honderden en nog eens honderden slagvelden, honderden overwinningen. Duizenden doden.

Mart zag de flarden van herinneringen over de akker flitsen. ‘Heb je de bevoorradingsmeesters gesproken? We hebben geen voedsel meer, Egwene. We kunnen een langdurige oorlog niet winnen als we vechten en weer achteruitgaan. Ze lopen ons onder de voet als we dat doen. Net als Eyal in de hooglanden van Maighande. We zijn nu op ons sterkst, hoe gebroken we ook zijn. Als we ons terugtrekken, sterven we de hongerdood terwijl de Trolloks ons vernietigen.’

‘We moeten alleen maar volhouden totdat Rhand zegeviert,’ zei Egwene.

‘Dat is gedeeltelijk waar,’ zei Mart, zich omdraaiend naar de Hoogvlakte. Voor zijn geestesoog zag hij wat er zou komen, de mogelijkheden. Hij stelde zich ruiters voor op de Hoogvlakte, als schaduwen. Hij zou verliezen als hij wilde proberen die Hoogvlakte vast te houden, maar misschien... ‘Als Rhand verliest, maakt het niet meer uit. Dan is het Rad gebroken en zijn wij allemaal niets meer, als we geluk hebben. Nou, daar kunnen we verder niks aan doen. Maar het punt is, als hij doet wat hij doen moet, kunnen wij alsnog verliezen. We verliezen alsnog als we de legers van de Schaduw niet tegenhouden.’

Hij knipperde met zijn ogen terwijl hij het voor zich zag, het hele slagveld voor hem uitgespreid. Gevechten bij de voorde. Pijlen vanaf de palissade. ‘We mogen ze niet alleen maar verslaan, Egwene,’ zei Mart. ‘We mogen niet alleen maar standhouden. We moeten ze vernietigen, verdrijven, en ze dan tot de laatste Trollok opjagen. We mogen niet alleen maar overleven... we moeten winnen.’

‘Hoe moeten we dat doen?’ vroeg Egwene. ‘Mart, ik begrijp je niet. Zei je niet gisteren nog dat we tegenover een ontzettende overmacht komen te staan?’

Hij keek naar het moeras en stelde zich schaduwen voor die probeerden erdoorheen te waden. Schaduwen van stof en herinneringen. ‘Ik moet alles veranderen,’ zei hij. Hij kon niet doen wat ze zouden verwachten. Hij kon niet doen wat al was voorbereid, omdat verspieders dat misschien al hadden doorgebrieft. ‘Bloed en bloedas... één laatste worp van de dobbelstenen. Alles wat we hebben op één stapel...’

Een groep mannen in donkere pantsers kwam door een Poort op de top van de Knobbel, hijgend alsof ze een damane hadden moeten najagen om hen hierheen te krijgen. Hun borstplaten waren donker rood gelakt, maar dit stel hoefde zich niet angstaanjagend uit te dossen om angstaanjagend te zijn. Ze leken woedend genoeg om met hun blikken eieren te klutsen.

‘U,’ zei de voorste doodswachtgardist, een man genaamd Gelen, wijzend naar Mart, ‘bent nodig in de...’

Mart stak zijn hand op om hem de mond te snoeren.

‘Ik laat me niet weer afschepen!’ zei Gelen. ‘Ik heb bevelen van...’

Mart wierp de man een blik toe, en hij brak zijn zin af. Mart keek weer naar het noorden. Een koele, om de een of andere reden bekénde wind blies over hem heen, liet zijn lange jas wapperen en streek over zijn hoed. Hij kneep zijn oog samen. Rhand trok aan hem.

De dobbelstenen ratelden nog altijd in zijn hoofd.

‘Ze zijn er,’ zei Mart.

‘Wat zeg je?’ vroeg Egwene.

‘Ze zijn er.’

‘De verkenners...’

‘De verkenners hebben het mis,’ zei Mart. Hij keek op en zag een paar raken snel terugvliegen naar het kamp. Zij hadden het wel gezien. De Trolloks moesten de hele nacht zijn doorgelopen.

Eerst komen de Sharanen, dacht Mart, om de Trolloks even te laten rusten. Zij zullen wel via Poorten hierheen zijn gekomen.

‘Stuur renners,’ zei Mart, wijzend naar de doodswachtgardisten, ‘stuur de mensen naar hun posities. En waarschuw Elayne dat ik de strategie ga veranderen.’

‘Wat?’ vroeg Egwene.

‘Ze zijn er!’ zei Mart, die zich omdraaide naar de gardisten. ‘Waarom rennen jullie verdomme nog niet! Lopen, lópen!’ Boven hen krijsten de raken. Gelen, dat moest Mart hem nageven, salueerde en rende weg – met bonkende voetstappen door dat zware pantser – samen met zijn metgezellen.

‘Het is zover, Egwene,’ zei Mart. ‘Haal diep adem, neem nog een laatste slok brandewijn of steek je laatste beetje tobak aan. Kijk nog maar eens goed naar de grond hier, want straks is hij besmeurd met bloed. Over een uur zitten we er middenin. Het Licht behoede ons allemaal.’

Perijn zweefde in duisternis. Hij was zó moe.

Slachter leeft nog, dacht een deel van hem. Graendal corrumpeert de grote kapiteins. Het einde is nabij. Je mag nu niet wegglippen! Hou vast.

Vasthouden, waaraan? Ilij probeerde zijn ogen te openen, maar hij was zo uitgeput. Hij had... hij had de wolfsdroom eerder moeten verlaten. Zijn hele lichaam voelde verdoofd, behalve...

Behalve zijn zij. Met vingers zo onhandig als bakstenen raakte hij de warmte aan. Zijn hamer. Die was verzengend heet. Die warmte leek door zijn vingers omhoog te trekken, en Perijn haalde diep adem.

Hij moest wakker worden. Hij zweefde op het randje van het bewustzijn, net als wanneer hij bijna sliep, maar nog niet helemaal. In die toestand kreeg hij het gevoel dat er een splitsing voor hem lag. Het ene pad leidde dieper de duisternis in, en het andere... Dat kon hij niet zien, maar hij wist wat het betekende... Het betekende wakker worden.

Warmte uit de hamer straalde omhoog door zijn arm. Zijn geest werd scherper. Word wakker.

Dat was wat Slachter had gedaan. Hij was... wakker geworden... hoe hij dat dan ook gedaan had...

Perijns leven sijpelde weg. Hij had niet veel tijd meer. Half in de omhelzing van de dood klemde hij zijn kaken op elkaar, haalde diep adem en dwong zichzelf om wakker te worden.

De stilte van de wolfsdroom verbrijzelde.

Perijn raakte zachte aarde, een plek met geschreeuw. Iets over een strijd, over het opstellen van gelederen...

Vlakbij riep iemand. En toen nog iemand. En nog meer mensen.

‘Perijn?’ Hij kende die stem. ‘Perijn, jongen!’

Meester Lohan? Perijns oogleden voelden zo zwaar. Hij kon ze niet open krijgen. Armen grepen hem vast.

‘Volhouden. Ik heb je, jongen. Ik heb je. Hou vol.’

37

De Laatste Slag