Выбрать главу

Klayne voelde de schrik van haar zwaardhand toen ze een pijl aanlegde. Birgitte schoot, en een Draghkar kwam struikelend tevoorschijn vanuit een tent verderop. Een Seanchaan wankelde erachteraan naar buiten, met glazige ogen. Het beest was halverwege gestoord terwijl het zich met de soldaat voedde. Die arme kerel zou nooit meer helemaal de oude worden.

Elayne wendde haar paard en zag enkele Seanchaanse soldaten aan komen rennen. Birgitte sprak met hen en draaide zich toen om om met Elayne te overleggen. Elayne schudde alleen haar hoofd, en Birgitte aarzelde en zei toen nog iets tegen de Seanchanen.

Elaynes wachters schaarden zich weer rondom haar en keken met argwaan naar de Seanchanen. Elayne begreep dat gevoel volkomen.

Birgitte wenkte haar naar voren en ze gingen verder in de richting waarin ze tot nu toe waren gegaan. Onderweg naderden een damane en sul’dam die – verrassend genoeg – een reverence maakten voor Elayne. Misschien had die Fortuona hun het bevel gegeven buitenlandse vorsten met eerbied te behandelen.

Elayne aarzelde, maar wat moest ze doen? Ze kon terugkeren naar haar eigen kamp voor Heling, maar dat zou tijd kosten, en ze moest dringend met Mart praten. Wat had het voor zin om dagenlang bezig te zijn met haar strategieën als hij ze toch weer van tafel veegde? Ze vertrouwde hem – Licht, ze moest wel – maar ze wilde toch liever weten wat hij zich had voorgenomen.

Zuchtend stak ze haar voet naar de damane uit. De vrouw fronste en wierp een blik op de sul’dam. Ze schenen het allebei op te vatten als een belediging. Elayne had het ook beslist zo bedoeld.

De sul’dam knikte, en haar damane raakte Elaynes been net boven haar laars aan. Elaynes stevige laarzen waren eerder iets wat een soldaat zou dragen, niet het schoeisel van een koningin, maar ze had geen zin gehad om de strijd in te gaan met muiltjes aan haar voeten.

Een ijzig schokje van Heling voer door haar heen en haar gehoor herstelde zich langzaam. Eerst keerden de lage tonen terug. Ontploffingen, het verre gebulder van drakenvuur, het kolken van de nabijgelegen rivier, een paar Seanchanen die praatten. De middelste tonen kwamen daarna, en toen een vloed van geluid. Ruisende tentflappen, geschreeuw van soldaten, hoorngeschal.

‘Laat ze de anderen Helen,’ zei Elayne tegen Birgitte.

Birgitte trok haar wenkbrauw op en vroeg zich waarschijnlijk af waarom Elayne dat bevel niet gewoon zelf gaf. Nou, die Seanchanen besteedden heel veel aandacht aan wie met wie mocht praten. Elayne gunde hun niet de eer om rechtstreeks tegen hen te spreken.

Birgitte gal het bevel door, en de lippen van de sul’dam werden een streep. De zijkanten van haar hoofd waren geschoren, dus ze was een hooggeboren persoon. Hopelijk had Elayne haar nog een keer beledigd.

‘Ik zal het doen,’ zei de vrouw. ‘Hoewel het me ontgaat waarom jullie je zouden willen laten Helen door een dier.’

De Seanchanen lieten zich doorgaans niet door damane Helen. Althans, dat bleven ze maar beweren. Het had ze er niet van weerhouden de wevingen aan hun gevangen vrouwen te leren, nu ze uit de eerste hand hadden ervaren wat voor groot voordeel het was in de strijd. Voor zover Elayne echter had gehoord, aanvaardden de hooggeborenen die Heling maar zelden.

‘Kom mee,’ zei Elayne, die doorreed. Ze gebaarde haar soldaten dat ze moesten achterblijven om zich te laten Helen.

Birgitte keek haar aan, maar ze bood geen tegenwerpingen. Samen haastten ze zich verder, Birgitte zat inmiddels ook te paard, naar het Seanchaanse bevelsgebouw. Het had één verdieping, was ongeveer zo groot als een kleine boerderij en stond afgezonderd van de rest van het kamp, in een grote kloof met hoge wanden aan de zuidelijke voet van de Dasharknobbel. Het gebouw had eerst op de top gestaan, maar daar hadden ze het weggehaald, aangezien Mart bang was dat het daar te kwetsbaar was. De Knobbel zou in gebruik blijven om met korte tussenpozen de strijd te overzien.

Elayne liet zich door Birgitte helpen met afstijgen. Licht, maar ze begon zich log te voelen als een schip in een droogdok. Ze nam even de tijd om zich te vermannen. Een uitgestreken gezicht, haar gevoel beheerst. Ze klopte op haar haar, streek haar gewaad glad en liep toen naar binnen.

‘Martrim Cauton,’ bulderde ze terwijl ze naar binnen stapte, ‘wat in naam van een verrekte tweevingerige, grommende Trollok denk je dat je aan het doen bent?’

Het verbaasde haar niet dat hij na haar gescheld grijnzend opkeek van de kaartentafel. Hij droeg zijn hoed en jas, met daaronder heel fraaie zijden kleding, die eruitzag alsof het was gemaakt om te passen bij de kleur van de hoed. Het was bij de polsen en kraag voorzien van bewerkt leer om niet uit de toon te vallen. Het leek een soort compromis. Maar waarom zat er een roze lint om zijn hoed?

‘Hallo, Elayne,’ zei Mart. ‘Ik dacht al wel dat ik me binnenkort in je gezelschap zou mogen verheugen.’ Hij gebaarde naar een stoel in het rood en goud van Andor aan de zijkant van de kamer. Er lag een extra dik kussen in en er stond een kop dampend hete thee op het tafeltje ernaast.

Je mag branden, Martrim Cauton, dacht ze. Sinds wanneer ben jij zo slim?

De Seanchaanse Keizerin zat op haar eigen troon aan het uiteinde van de kamer, met Min aan haar zijde. Min was gehuld in genoeg groene zijde om een winkel in Caemlin twee weken lang van voorraad te voorzien. Het ontging Elayne niet dat Fortuona’s troon twee vingers hoger was dan die van Elayne. Verrekt, onuitstaanbaar mens. ‘Mart, er zijn Draghkar in je kamp.’

‘Verdomme,’ zei hij. ‘Waar?’

‘Ik zou eigenlijk moeten zeggen: er waren Draghkar in je kamp,’ zei Elayne. ‘We hebben met ze afgerekend. Je moet je boogschutters zeggen dat ze beter oppassen.’

‘Dat heb ik ze ook gezegd,’ klaagde Mart. ‘Bloed en as. Laat iemand bij de boogschutters gaan kijken, want ik...’

‘Grote prins!’ riep een Seanchaanse boodschapper, die glijdend naar binnen kwam rennen. Hij liet zich op zijn knieën vallen en zakte vervolgens in één soepele beweging gestrekt op de vloer, zonder zijn verhaal te onderbreken. ‘De boogschutters zijn uitgeschakeld door Sharaanse voorrijders! Ze hadden hun aanval verborgen met de rook van vuurbollen.’

‘Bloed en bloedas!’ vloekte Mart. ‘Stuur er nu meteen zestien damane en sul’dam heen! Laat de noordelijke boogeenheden hun eskaders tweeënveertig en vijftig sturen. En zeg tegen de verkenners dat ik ze laat afranselen als zoiets nog een keer gebeurt.’

‘Grote,’ zei de verkenner, die salueerde, opkrabbelde en met neergeslagen blik achteruit naar buiten liep.

Al met al was Elayne onder de indruk van hoe gemakkelijk de verkenner zijn gehoorzaamheid en zijn verslag mengde. Ze werd er ook misselijk van. Geen enkele vorst zou zoiets van haar onderdanen moeten verlangen. De kracht van een natie kwam voort uit de kracht van de mensen, en als je hen brak, brak je je eigen rug.

‘Je wist dat ik kwam,’ zei Elayne toen Mart nog een paar bevelen had gegeven. ‘En je wist al dat ik boos zou zijn om je verandering van tactiek. Je mag branden, Martrim Cauton, waarom voelde je de behoefte om dat te doen? Ik dacht dat onze strategie goed was.’ ‘Dat was hij ook,’ gaf Mart toe.

‘Waarom verander je hem dan?’

‘Elayne,’ zei Mart, die haar aankeek. ‘Iedereen heeft mij de leiding gegeven, tegen mijn wil, omdat mijn geest niet aan te tasten is door de Verzakers, ja?’

‘Dat was de gedachte erachter,’ antwoordde Elayne. ‘Hoewel ik denk dat dat niet zozeer te danken is aan dat medaillon van je, maar meer aan het feit dat je schedel te dik is om er met Dwang doorheen te komen.’

‘Dat heb je verdomde goed,’ zei Mart. ‘Maar als de Verzakers Dwang gebruiken op mensen in onze kampen, dan hebben ze mogelijk ook een paar verspieders bij onze bijeenkomsten.’

‘Dat zal wel.’

‘Dan kennen ze onze strategie dus. Onze grootse strategie, die we al zo lang voorbereiden. Ze kennen hem.’