Выбрать главу

Elayne aarzelde.

‘Licht!’ zei Mart hoofdschuddend. ‘De eerste en belangrijkste regel voor het winnen van een oorlog is weten wat je vijand gaat doen.’ ‘Ik dacht dat de eerste regel was dat je je terrein moest kennen,’ zei Elayne, die haar armen over elkaar sloeg.

‘Dat ook. Maar goed, ik besefte dat als de vijand weet wat we gaan doen, we dat moeten veranderen. Meteen. Slechte strategieën zijn beter dan strategieën die je vijand al voorziet.’

‘Waarom heb je dit niet eerder bedacht?’ wilde Elayne weten.

Hij bleef haar met een uitgestreken gezicht aankijken. Eén kant van zijn mond kwam een stukje omhoog en hij trok zijn hoed omlaag en wierp schaduw over zijn ooglapje.

‘Licht,’ zei Elayne. ‘Je wist het. Je hebt deze hele week samen met ons voorbereidingen getroffen, en je wist de hele tijd al dat je alles wat we bedachten overboord zou gooien.’

‘Daarmee bewijs je me te veel eer,’ zei Mart, die weer naar zijn kaarten keek. ‘Ik denk dat ik het ergens de hele tijd al wist, maar ik kwam er pas achter vlak voordat de Sharanen hier aankwamen.’ ‘Wat is dan de nieuwe strategie?’

Hij antwoordde niet.

‘Die vertel je niet,’ zei Elayne, en haar benen voelden slap. ‘Jij gaat de strijd aanvoeren, en niemand van ons zal weten wat je je hebt voorgenomen, hè? Anders hoort iemand het misschien en komt het weer bij de Schaduw terecht.’

Hij knikte.

‘De Schepper behoede ons,’ fluisterde ze.

Mart keek haar boos aan. ‘Weet je, dat zei Tuon ook al.’

Op de Hoogvlakte sloeg Uno zijn handen tegen zijn oren toen de draken vuur uitbraakten naar de Trolloks en Sharanen ten westen van hen. Er hing een doordringende geur in de lucht en de knallen waren zo oorverdovend dat hij zijn eigen gevloek niet eens kon horen.

Beneden stormden Lan Mandragorans ruiters naar de flanken van het aanvalsleger en duwden hen bij elkaar, zodat de draken meer schade konden aanrichten. De Sharanen hadden Trolloks bij zich. Niet alle Trolloks, want andere vielen aan vanuit het noordoosten, maar toch een grote troep. Ze hadden vast ook geleiders bij zich, en een heleboel ook.

De draken verstilden en de drakenbedieners stopten de muilen weer vol met wat het dan ook was waar die dingen op werkten. Uno was niet van zins zo verrekte dicht bij die dingen te komen. Ongelukstuig was het. Hij wist het zeker.

De leider van de drakenbedieners was een pezige Cairhienin, en Uno had nooit veel opgehad met dat volk. Ze keken hem verdomme altijd kwaad aan als hij praatte. Deze zat verwaand op zijn paard en vertrok geen spier toen de draken weer vuurden.

De Amyrlin Zetel had zich bij die mannen geschaard, en ook bij de Seanchanen. Uno zou daar niet over klagen. Ze hadden elk zwaard nodig dat ze krijgen konden, inclusief de Cairhienin en die rottige Seanchanen.

‘Wat vindt u van onze draken, kapitein?’ riep de leider – Talmanes – naar Uno. Kapitein. Uno was verdomme bevorderd. Hij leidde nu een troep van pas gerekruteerde piekeniers en lichte cavalerie van de Toren.

Hij had verdomme helemaal nergens de leiding over moeten hebben, hij was gelukkig geweest als gewone soldaat. Maar hij had de opleiding en de strijdervaring, dingen die tegenwoordig steeds zeldzamer werden, of dat had koningin Elayne althans gezegd. Dus nu was hij zo’n verrekte officier, en dat nog wel van een banier voetsoldaten! Nou, hij wist hoe hij moest omgaan met een paalwapen, als het moest, hoewel hij meestal liever vanaf een paard vocht.

Zijn mannen waren klaar om de rand van de Hoogvlakte te verdedigen voor het geval de vijand tegen de helling op kwam. Tot nu toe hadden de boogschutters die voor de drakenbedieners stonden dat voorkomen, maar straks zouden de boogschutters achteruitgaan en dan zouden de gewone soldaten al het vechtwerk moeten gaan doen. Beneden gingen de Sharanen opzij, zodat het Trollok-leger de helling kon bestormen.

De piekeniers zouden oprukken tegen de aanval van de Trolloks, en pieken zouden hier goed werken, aangezien die monsters tegen de heuvel op moesten komen. Daarbij nog wat verrekte cavalerie op hun flanken en een zootje boogschutters die door die Poorten van hoog in de lucht schoten, en ze konden het hier waarschijnlijk dagenlang uithouden. Misschien wel weken. Als ze eraf werden geduwd door een overmacht, zouden ze alleen duim voor duim loslaten en zich aan elk stukje grond vastklampen.

Uno verwachtte dat hij deze verrekte strijd niet zou overleven. Moeder omhelze hem, hij was al verbaasd dat hij het nog zo lang had gered. Echt, die kerel Masema had hem zijn kop moeten afhakken, of de Seanchanen bij Falme, of een Trollok hier en daar. Hij had geprobeerd slank te blijven, zodat hij niet te vreten zou zijn als ze hem in die verrekte kookpotten van ze stopten.

De draken vuurden opnieuw en sloegen reusachtige gaten in de hordes naderende Trolloks. Uno sloeg zijn handen over zijn oren. ‘Kunnen jullie niet even waarschuwen voordat je dat doet, stelletje stomme geitenkl...’

Het volgende schot overstemde hem.

De Trolloks beneden werden de lucht in geblazen toen de draken de grond onder hen verpulverden. Die eieren ontploften nadat ze uit die vervloekte buizen waren afgeschoten. Wat voor iets, behalve de Ene Kracht, kon nou metaal laten ontploffen? Uno wist wel zeker dat hij dat niet wilde weten.

Talmanes stapte naar de rand van de Hoogvlakte om de schade te bekijken. Er kwam een Tarabonse vrouw bij hem staan. Zij had volgens zeggen die wapens uitgevonden. Ze keek opzij, zag Uno en gooide iets naar hem toe. Een stukje was. De Tarabonse vrouw tikte tegen haar oor en begon toen heftig gebarend met Talmanes te overleggen. Hij had dan misschien het bevel over de troepen, maar die vrouw had de leiding over die toestellen. Zij vertelde de mannen waar ze de draken moesten neerzetten.

Uno mopperde wat, maar stopte de was in zijn zak. Een vuist Trolloks was door de ontploffing heen gekomen, een stuk of honderd, en hij had geen tijd om zich nu druk te maken om zijn oren. Uno greep een piek, kantelde hem naar voren en gebaarde naar zijn mannen dat ze hetzelfde moesten doen. Ze droegen allemaal het wit van de Toren, en Uno had zelf ook een witte tabberd aan.

Hij brulde bevelen en bracht zijn piek in gereedheid door zijdelings vlak onder de top van de heuvel te gaan staan en het stompe uiteinde van de steel omhoog te houden. Met zijn ene hand hield hij de steel voor zich vast om te kunnen sturen en kracht te zetten. De andere hand, met de handpalm omlaag, omklemde de steel een armlengte vanaf het uiteinde, en daarmee zou hij de meeste kracht zetten als de Trolloks binnen bereik kwamen. Enkele rijen piekeniers achter Uno stonden klaar om na de eerste botsing naar voren te komen.

‘Wachten met die pieken, stelletje verrekte schaapsherders!’ brulde Uno. ‘Wachten!’

De Trolloks klommen tegen de heuvel op en wierpen zich op de rij pieken. De beesten in de voorhoede probeerden de wapens opzij te slaan door met hun wapens te maaien, maar Uno’s mannen stapten naar voren en doorboorden de Trolloks, vaak met twee pieken per beest. Uno gromde en haalde zijn piek naar achteren om een Trollok in zijn keel te raken.

‘Eerste rij, achteruit!’ beval Uno, die zijn piek naar achteren trok om hem te bevrijden uit de Trollok die hij had gedood. De voorste rij mannen deed hetzelfde. Ze trokken de wapens los en lieten de karkassen de helling af rollen.

De piekeniers in de voorste rij gingen naar achteren terwijl de tweede rij tussen hen door naar voren kwam en pieken in de grauwende Trolloks ramde. Elke rij draaide om beurten naar voren totdat enkele minuten later de hele groep Trolloks dood was.

‘Goed werk,’ zei Uno, die zijn piek rechtop zette. Er liep een spoortje smerig Trollokbloed vanaf de punt langs de schacht omlaag. ‘Goed werk.’

Hij keek opzij, waar de drakenbedieners nog meer eieren in die buizen lieten rollen. Snel haalde hij de was uit zijn zak. Ja, ze konden deze verrekte positie behouden. Ze konden hem goed behouden. Ze hoefden alleen maar...

Een kreet van boven hield hem tegen net voordat hij de was in zijn oren zou stoppen. Er bonsde iets op de grond naast Uno. Een loden bal met slingers eraan, die van hoog uit de lucht was komen vallen. ‘Verrekte Seanchaanse geit!’ brulde Uno, die opkeek en met zijn vuist schudde. ‘Je raakte me bijna op m’n kop, stomme wormenvreter!’