De raken vloog weg, en waarschijnlijk had de ruiter geen woord gehoord van wat Uno had geschreeuwd. Stomme Seanchanen. Hij bukte en haalde de brief van de loden bal.
Terugtrekken via de zuidwestelijke helling van de Hoogvlakte.
‘Dat méén je verdomme niet,’ mompelde Uno. ‘Een schop tegen mijn kop terwijl ik lig te pitten. Allin, kerel, lees jij wat ik lees?’
Allin, een donkerharige Andoraan, droeg een halve baard, aan de zijkanten weggeschoren. Uno had die baardjes altijd belachelijk gevonden.
‘Terugtrekken?’ vroeg Allin. ‘Nu?’
‘Ze zijn verdomme gek geworden,’ zei Uno.
Er kwam een boodschapper bij Talmanes en de Tarabonse vrouw aan, en die bracht hetzelfde nieuws, aan het boze gezicht van de Tarabonse vrouw te zien. Terugtrekken.
‘Ik hoop maar dat Cauton verdomme weet wat hij doet,’ zei Uno hoofdschuddend. Hij begreep nog steeds niet waarom iemand Cauton de leiding over wat dan ook zou geven. Hij herinnerde zich die jongen met zijn diepliggende ogen, altijd snauwend tegen mensen. Half dood, half verwend. Uno schudde zijn hoofd.
Maar hij zou het doen. Hij had trouw gezworen aan die verrekte Witte Toren, dus zou hij het doen. ‘Geef het door,’ zei hij tegen Allin, en hij stopte de was in zijn oren toen Aludra bij de draken nog een laatste salvo voorbereidde voordat ze zouden vertrekken. ‘We trekken ons terug van die verrekte Hoogvlakte en...’
Een enorme knal raakte Uno fysiek, trillingen trokken door zijn lichaam en lieten verdomme bijna zijn hart stilstaan. Zijn hoofd raakte de grond al voordat hij in de gaten had dat hij was gevallen.
Hij knipperde het stof uit zijn ogen weg, kreunde en rolde om toen een volgende flits, en toen nog een, de Hoogvlakte raakte op de plek waar de draken stonden. Bliksem! Zijn soldaten zaten op hun knieën, met hun ogen dicht en hun handen tegen hun oren. Talmanes was echter al opgestaan en brulde bevelen die Uno amper kon horen, gebarend dat zijn mannen zich moesten terugtrekken.
Een tiental vuurbollen, reusachtig groot en onvoorstelbaar snel, steeg op van het Sharaanse leger achter de Trolloks. Uno vloekte en dook in een holte om dekking te zoeken. Hij rolde erin net voordat de hele heuvel beefde als door een aardbeving. Klonters aarde vielen over hem heen en begroeven hem bijna.
Alles kwam op hen af. Alles. Elke verdomde Sharaanse geleider in het leger leek zich tegelijkertijd op de Hoogvlakte te richten. Zijn mensen hadden Aes Sedai neergezet om de draken te beschermen, maar zoals het er nu uitzag zouden ze moeite hebben het daar tegen op te nemen!
De aanval leek een eeuwigheid te duren. Toen het minder werd, kroop Uno uit de holte. Een paar draken lagen aan stukken, en Aludra werkte samen met de drakenbedieners om die te bergen en de rest te beschermen. Talmanes stond te schreeuwen, met een bebloede hand tegen zijn hoofd. Uno peuterde de was uit een van zijn oren – waarschijnlijk had dat spul zijn gehoor gered – en draafde naar Talmanes toe.
‘Waar zijn je verrekte Aes Sedai?’ schreeuwde Uno. ‘Zij moeten dit verdomme tegengaan!’
Ze hadden er vier dozijn, die de opdracht hadden om wevingen uit de lucht te slaan of af te ketsen. Ze hadden gezegd dat ze de Hoogvlakte konden beschermen tegen alles behalve de komst van de Duistere zelf. Nu liepen ze chaotisch rond, omdat de bliksemflitsen midden tussen hen in waren terechtgekomen.
Trolloks kwamen de heuvel weer op. Uno beval Allin om de piekenmuur op te stellen en die schepsels tegen te houden, en toen rende hij met een paar wachters naar de Aes Sedai toe. Hij sloot zich aan bij zwaardhanden om de vrouwen overeind te helpen en te zoeken naar hun leidster.
‘Kwamesa Sedai?’ vroeg Uno toen hij haar zag. De slanke, donkere Arafelse stond haar kleren af te kloppen en mompelde zachtjes in zichzelf.
‘Wat was dat?’ vroeg ze.
‘Eh...’ zei Uno.
‘Die vraag was niet voor jou bedoeld,’ zei ze, turend naar de hemel. ‘Einar! Waarom had je die wevingen niet gezien?’
Een Asha’man kwam aanrennen. ‘Ze kwamen zo snel. Ze waren al bij ons voordat ik tijd had om te waarschuwen. En... Licht! Wie ze ook stuurde, hij was sterk. Sterker dan ik ooit heb gezien, sterker dan...’
Een streep licht spleet de lucht achter hen. Het was een gigantische streep, even lang als het fort bij Fal Dara. Hij draaide om zijn as en opende een reusachtige Poort die de grond midden op de Hoogvlakte doorboorde. Aan de andere kant stond een man in een glanzend pantser gemaakt van zilveren, muntachtige ringen, met donker haar en een krachtige neus. In zijn hand had hij een gouden scepter, waarvan de bovenkant de vorm had van een zandloper of beker.
Kwamesa reageerde meteen, hief haar hand en stuurde een stroom van Vuur op hem af. De man zwaaide met zijn hand, en de vuurstroom werd afgeketst. Toen wees hij bijna achteloos naar haar, waarop iets duns, heets en wits in een streep naar Kwamesa toe schoot. Haar omtrek gloeide even op, en toen was ze verdwenen en dwarrelden er alleen nog wat stofjes naar de grond.
Uno sprong weg en rolde samen met Einar achter de brokstukken van een kapotte draak.
‘Ik kom voor de Herrezen Draak!’ kondigde de gestalte in het zilver aan. ‘Jullie gaan hem roepen. Zo niet, dan zorg ik dat hij op jullie geschreeuw afkomt.’
De grond onder de draken boog omhoog, slechts een paar voet bij Uno vandaan. Hij wierp zijn arm voor zijn gezicht toen stukjes hout en aarde over hem heen spatten.
‘Het Licht behoede ons,’ zei Einar. ‘Ik probeer hem tegen te houden, maar hij maakt deel uit van een cirkel. Een vollédige cirkel. Tweeënzeventig. Ik heb nog nooit zoveel kracht gezien! Ik...’
Een schacht witheet licht sneed door de kapotte draak heen, verdampte die en raakte Einar. De man was binnen een tel verdwenen. Uno krabbelde vloekend en vol afgrijzen achteruit. Hij dook weg toen de brokstukken van draken om hem heen op de grond dreunden.
Uno riep naar zijn mannen dat ze zich moesten terugtrekken en bleef alleen nog staan om een gewonde man bij de arm te grijpen en weg te helpen. Hij twijfelde niet langer aan het bevel dat ze zich moesten terugtrekken van de Hoogvlakte. Het was het mooiste bevel dat iemand ooit had gegeven!
Logain Ablar liet de Ene Kracht los. Hij stond bij de Mora, beneden de Hoogvlakte, en voelde de aanvallen daarboven.
Vandaag was de Ene Kracht loslaten een van de moeilijkste dingen die hij ooit had gedaan. Moeilijker dan het besluit om zichzelf Draak noemen, moeilijker dan voorkomen dat hij Taim wurgde in hun eerste dagen samen in de Zwarte Toren.
De Kracht liep uit hem weg alsof zijn aderen waren geopend en hij leegbloedde op de grond. Hij haalde diep adem. Zoveel van de Ene Kracht vasthouden – van negenendertig mensen in een cirkel – was een roes geweest. Loslaten deed hem denken aan toen hij was gestild, toen de Kracht van hem was gestolen. Toen hij bij elke ademteug de neiging had gehad om op zoek te gaan naar een mes en zichzelf de keel af te snijden.
Hij vermoedde dat dit zijn waanzin was: de angst dat het loslaten van de Ene Kracht zou betekenen dat hij het voor altijd kwijt zou zijn.
‘Logain?’ vroeg Androl.
Logain draaide zijn hoofd naar de kleinere man en zijn metgezellen toe. Ze waren trouw. Logain wist niet waarom, maar ze waren trouw. Allemaal. Dwazen. Trouwhartige dwazen.
‘Voel je dat?’ vroeg Androl. De anderen – Canler, Emarin, Jonnet – staarden naar de Hoogvlakte. De Kracht die daar werd vrijgegeven... was onvoorstelbaar.
‘Demandred,’ zei Emarin. ‘Dat moet hij zijn.’
Logain knikte langzaam. Zoveel kracht... Zelfs een Verzaker kon niet zo sterk zijn. Hij moest een ongelooflijk krachtige sa’angreaal bij zich hebben.
Met zo’n hulpmiddel, fluisterden zijn gedachten hem toe, zou geen enkele man of vrouw je ooit nog de Kracht kunnen afnemen.
Taim had dat gedaan, tijdens Logains gevangenschap. Hij had hem gevangengehouden en afgeschermd, zodat hij niet in staat was geweest de Ene Kracht aan te raken. De pogingen om hem te Bekeren waren pijnlijk geweest, verpletterend. Maar dat hij geen toegang had tot saidin...