Выбрать главу

Tot nu toe hadden ze nog geen van beide gevonden.

Naar het oosten blies de wind, langs de rivier die zich tussen boerderijen zonder gewassen door slingerde. Weiden zonder gras. Boomgaarden zonder fruit.

Verlaten dorpen. Bomen als botten waar het vlees van af was geknaagd. Vaak zaten er raven opeengepakt op de takken, vermagerde konijnen en soms wat groter wild verplaatsten zich door het dode gras eronder. Boven dat alles drukten de alomtegenwoordige wolken op het land. Soms maakte dat wolkendek het onmogelijk te bepalen of het dag of nacht was.

Toen de wind de grote stad Caemlin naderde, boog hij af naar het noorden, weg van de brandende stad. Oranjerood vuur braakte zwarte rook uit, die zich bij de hongerige wolken erboven voegde. De oorlog was in het holst van de nacht naar Andor gekomen. De naderende vluchtelingen zouden snel ontdekken dat ze recht op het gevaar afliepen. Dat was niet verrassend. Het gevaar was overal. Het enige wat je kon doen om te voorkomen dat je eropaf liep, was stil blijven staan.

Terwijl de wind naar het noorden blies, zag hij mensen langs de wegen zitten, alleen of in groepjes, voor zich uit starend met wanhopige blik. Sommigen waren er van honger bij gaan liggen, opkijkend naar die rommelende, kolkende wolken. Andere mensen sjokten voort, maar waar naartoe, dat wisten ze niet. Naar de Laatste Slag in het noorden, wat dat ook betekende. De Laatste Slag bood geen hoop. De Laatste Slag was de dood. Maar het was een plek om te zijn, een plek om naartóé te gaan.

In de avondschemer bereikte de wind een grote verzameling mensen ver ten noorden van Caemlin. Het grote veld vormde een onderbreking in het met verschillende bossen begroeide landschap, maar het werd overwoekerd door tenten, als zwammen op een vermolmde boomstam. Tienduizenden soldaten wachtten bij kampvuren waarin snel alle brandhout in de omgeving werd opgestookt.

De wind blies tussen hen door, sloeg de rook van vuren in de gezichten van soldaten. De mensen hier oogden niet zo hopeloos als de vluchtelingen, maar ze hadden iets angstigs over zich. Ze zagen het verziekte land. Ze voelden de wolken boven zich. Ze wisten het.

De wereld was stervende. De soldaten staarden in de vlammen, keken naar het hout dat werd verteerd. Sintel voor sintel verging dat wat ooit had geleefd tot as.

Een groep mannen bekeek pantsers die waren gaan roesten ondanks het feit dat ze goed geolied waren. Enkele Aiel in witte mantels haalden water. Het waren voormalige strijders die weigerden de wapens weer op te pakken, ook al was hun toh al ingelost. Een paar angstige bedienden, ervan overtuigd dat de dag van morgen een oorlog tussen de Witte Toren en de Herrezen Draak zou brengen, telden de voorraden onder tentdaken die schudden in de wind.

Mannen en vrouwen fluisterden de waarheid de nacht in. Het einde is gekomen. Het einde is gekomen. Alles zal ten onder gaan. Het einde is gekomen.

Er schalde gelach door de nacht.

In een grote tent in het midden van het kamp brandde warm licht. Het scheen naar buiten rondom de tentflappen en onder de zijkanten door.

In die tent zat Rhand Altor – de Herrezen Draak – te lachen, met zijn hoofd in zijn nek.

‘En wat deed ze toen?’ vroeg hij, nog wat nahikkend. Hij schonk een beker rode wijn voor zichzelf in, en toen ook een voor Perijn, die bloosde om zijn vraag.

Hij is harder geworden, dacht Rhand, maar toch heeft hij zijn onschuld nog niet verloren. Nog niet helemaal. Dat vond Rhand een heel wonderlijke zaak. Iets heel moois, als een parel ontdekt in een gevangen forel. Perijn was sterk, maar zijn kracht had hem niet gebroken.

‘Nou,’ zei Perijn, ‘je weet hoe Marin is. Vraag me niet hoe, maar ze kijkt zelfs naar Cen alsof hij een kind is dat bemoederd moet worden. Toen ze Faile en mij daar als twee dwaze jongelui op de vloer zag liggen... Nou, ik geloof dat ze niet wist of ze moest lachen of ons de keuken in moest sturen om pannen te gaan schrobben. Afzonderlijk van elkaar, natuurlijk, om ons voor problemen te behoeden.’

Rhand glimlachte en zag het bijna voor zich. Perijn – de potige, stevige Perijn – zo zwak dat hij nauwelijks kon lopen. Het was een ongerijmd beeld. Rhand wilde het liefst geloven dat zijn vriend overdreef, maar Perijn had geen oneerlijke haar op zijn hoofd. Vreemd, hoeveel een man kon veranderen terwijl hij in wezen toch dezelfde bleef.

‘Maar goed,’ zei Perijn nadat hij een slok wijn had genomen, ‘Faile hielp me overeind van de vloer en zette me op mijn paard, en we paradeerden wat rond en deden of we heel belangrijk waren. Ik heb niet veel gedaan, Rhand. Alle gevechten zijn geleverd door de anderen. Zelf had ik al moeite om een beker aan mijn lippen te zetten.’ Hij zweeg even en kreeg een glazige blik in zijn goudgele ogen. ‘Je zou trots op ze moeten zijn, Rhand. Zonder Dannil, jouw vader en Marts vader, zonder hen allemaal zou me nog niet de helft zijn gelukt van wat ik heb gedaan. Nee, nog geen tiende.’

‘Ik geloof je,’ zei Rhand, kijkend in zijn wijn. Lews Therin was dol geweest op wijn. Een deel van Rhand – dat verre deel, de herinneringen van een man die hij was geweest – was niet blij met het slechte wijnjaar. Er waren niet veel wijnen in de huidige wereld die nog konden tippen aan de geliefde wijnsoorten uit de Eeuw der Legenden. Althans, niet de soorten die hij had geproefd.

Hij nam een klein slokje en zette de beker neer. Min lag nog te slapen in een ander deel van de tent, achter een gordijn. Rhand was wakker geworden door zijn dromen. Hij was blij toen Perijn aankwam en hem afleidde van wat hij daarin had gezien.

Mierin... Nee. Hij zou zich niet door die vrouw laten afleiden. Dat was waarschijnlijk de bedoeling van wat hij had gezien.

‘Loop even met me mee,’ zei Rhand. ‘Ik moet wat dingen nakijken voor morgen.’

Ze stapten de nacht in. Enkele Speervrouwen liepen meteen mee toen Rhand op zoek ging naar Sebban Balwer, die door Perijn aan Rhand was uitgeleend. En dat vond Balwer best, want hij hield zich het liefst op bij de mensen met de meeste macht.

‘Rhand?’ vroeg Perijn, die naast hem meeliep, met zijn hand op Mah’alleinir. ‘Ik had je dit allemaal al eens verteld. De belegering van Tweewater, de gevechten... Waarom vroeg je er nu weer naar?’

‘Ik had inderdaad naar de gebeurtenissen gevraagd, Perijn. Naar wat er was gebeurd, maar niet naar de mensen die het hadden meegemaakt.’ Hij keek Perijn aan en vormde een bol van licht boven zijn hand om hun weg door de nacht te verlichten. ‘Ik moet aan de ménsen denken. Dat heb ik in het verleden te vaak niet gedaan, en dat was fout.’

De vlagerige wind voerde de geur van kookvuren aan van Perijns nabijgelegen kamp en de geluiden van smeden die aan wapens werkten. Rhand had de verhalen gehoord: met de Kracht gemaakte wapens waren herontdekt. Perijn liet zijn mannen overuren draaien en putte zijn twee Asha’man uit om er zo veel mogelijk te smeden.

Rhand had hem zoveel extra Asha’man geleend als hij kon missen, al was het maar omdat tientallen Speervrouwen – zodra ze het hoorden – zich bij hem hadden gemeld en met de Kracht gemaakte speerpunten hadden geëist. Het is volkomen logisch, Rhand Altor, had Beralna uitgelegd. Zijn smeden kunnen vier speerpunten maken voor elk zwaard. Ze had een grimas getrokken bij het woord ‘zwaard’, alsof het naar zeewater smaakte.

Rhand had nog nooit zeewater geproefd. Lews Therin wel. Dat hij dat soort feiten kende, had hem ooit ontzettend van zijn stuk gebracht. Nu had hij geleerd dat deel van zichzelf te aanvaarden.

‘Kun jij geloven wat er met ons is gebeurd?’ vroeg Perijn. ‘Licht, soms vraag ik me af wanneer de man van wie al deze mooie kleren zijn naar me toe komt, me de huid vol scheldt en me dan de stallen laat uitmesten omdat mijn nek te dik is voor mijn kraag.’

‘Het Rad weeft wat het Rad wil, Perijn. We zijn geworden wat we moesten worden.’

Perijn knikte terwijl ze met de gloed van de lichtbol boven Rhands hand over het pad tussen de tenten liepen.

‘Hoe... Hoe voelt het?’ vroeg Perijn. ‘Die herinneringen die je hebt gekregen?’