‘Ik zal je wel zeggen,’ zei Dobser, ‘dat ik argwaan had.’
‘Dat dacht ik al,’ zei Emarin, die een slok wijn nam. ‘Om te bewijzen dat het niet vergiftigd is,’ legde hij uit voordat hij de beker aan Dobser doorgaf.
‘Het is al goed,’ zei Dobser. ik vertrouw je.’ Hij goot de wijn naar binnen. ‘Als je al geen Hoogheer meer kunt vertrouwen, wie dan nog wel, hè?’
‘Wat je zegt.’
‘Ik zal je één ding vertellen,’ zei Dobser, terwijl hij zijn beker uitstak en ermee wiebelde zodat Androl hem zou bijvullen, ‘je zult iets beters moeten bedenken om weg te blijven bij Taim. Logain volgen zal niet meer werken.’
Emarin nam peinzend een grote slok wijn. ‘Taim heeft hem. Ik begrijp het. Ik had al zo’n vermoeden. Dat Welyn en de anderen hier zijn, wijst daar al op.’
‘Ja,’ zei Dobser, die zijn beker nog eens liet bijvullen door Androl. ‘Maar Logain is sterk. Het kost een hoop werk om een man zoals hij te Bekeren. Wilskracht, weet je? Het zal nog wel een dag of twee duren voordat hij om is. Maar goed, je kunt net zo goed naar Taim toe gaan, uitleggen waar je mee bezig bent. Hij zal het wel begrijpen, en hij zegt altijd dat hij meer aan mannen heeft die hij niet hoeft te Bekeren. Ik weet niet waarom. Maar met Logain is er geen andere keus. Vreselijk proces, dat Bekeren.’ Dobser huiverde.
‘Goed, dan zal ik met hem gaan praten, meester Dobser. Zou jij toevallig voor me willen instaan? Ik zal zorgen dat je... vergoed wordt voor de moeite.’
‘Tuurlijk, tuurlijk,’ antwoordde Dobser. ‘Waarom niet?’ Hij dronk zijn beker leeg en stond wankel op. ‘Hij zal wel bij Logain aan het kijken zijn. Dat doet hij altijd op dit uur.’
‘En waar is dat dan?’ vroeg Emarin.
‘De verborgen kamers,’ antwoordde Dobser. in de funderingen die we aan het bouwen zijn. Weet je dat oostelijke deel, waar door die instorting zoveel extra graafwerk nodig was? Dat was geen instorting, alleen maar een uitvlucht om het vele werk dat daar verzet werd te verklaren. En...’ Dobser aarzelde.
‘En dat is genoeg,’ zei Pevara, die de man weer vastbond met Lucht en zijn oren dichtstopte. Ze sloeg haar armen over elkaar en keek Emarin aan. ik ben onder de indruk.’
Emarin spreidde zijn handen in een nederig gebaar, ik ben er altijd goed in geweest andere mensen op hun gemak te stellen. Om je de waarheid te zeggen had ik Dobser niet zozeer aangedragen omdat ik dacht dat hij gemakkelijk om te kopen zou zijn. Ik heb hem gekozen vanwege zijn... nou, zijn gematigde vermogen tot cognitieve expressie.’
‘Iemand naar de Schaduw overhalen maakt hem nog niet minder stom,’ zei Androl. ‘Maar als je dit kon, waarom moesten we hem dan eerst overmeesteren?’
‘Dat ging erom dat we de omstandigheden moesten beheersen, Androl,’ zei Emarin. ‘Een man als Dobser moet je niet aanspreken als hij in zijn element is, omringd door vrienden met meer verstand dan hij. We moesten hem bang maken, hem laten zweten, en hem dan een uitweg bieden.’ Emarin aarzelde en keek naar Dobser. ‘Bovendien wilden we volgens mij niet het gevaar lopen dat hij naar Taim ging, wat hij heel wel had kunnen doen als ik hem onder vier ogen had benaderd zonder de dreiging van geweld.’
‘En nu?’ vroeg Pevara.
‘Nu,’ zei Androl, ‘stoppen we die drie vol met een spulletje waardoor ze doorslapen tot Beltije. We halen Nalaam, Canler, Evin en waarschijnlijk Jonnet op. We wachten tot Taim klaar is bij Logain, breken in, redden hem en stelen de Toren terug van de Schaduw.’
Ze bleven even zwijgend staan, in de kamer die alleen werd verlicht door één flakkerende lamp, terwijl de regen tegen het raam kletterde.
‘Nou,’ zei Pevara, ‘zolang je maar niet met ingewikkelde voorstellen komt, Androl...’
Rhand opende zijn ogen in de droom, enigszins verbaasd te merken dat hij in slaap was gevallen. Aviendha had hem eindelijk laten indutten. Zelf was ze waarschijnlijk ook ingedommeld. Ze had er even moe uitgezien als hij. Meer nog, misschien.
Hij stond op in het weiland met dood gras. Rhand had haar bezorgdheid niet alleen via de binding kunnen voelen, maar ook toen ze hem vasthield. Aviendha was een vechter, een strijder, maar zelfs een strijder had af en toe iets nodig om zich aan vast te houden. Het Licht wist dat dat ook voor hem gold.
Hij keek om zich heen. Dit voelde niet als Tel’aran’rhiod, niet helemaal. Het dode weiland strekte zich aan alle kanten heel ver uit, misschien wel tot in het oneindige. Dit was niet de echte Wereld der Dromen, maar een droomflard, een plek die was geschapen door een sterke Dromer of Droomloper.
Rhand begon te lopen. Onder zijn voeten knerpten dode bladeren, ook al stonden er geen bomen. Hij had zichzelf waarschijnlijk wel terug kunnen sturen naar zijn eigen dromen. Ook al was hij nooit zo goed geweest in wandelende dromen als veel Verzakers, dat moest hem nog wel lukken. Maar de nieuwsgierigheid dreef hem verder.
Ik zou hier niet moeten zijn, dacht hij. Ik had mezelf beschermd. Hoe was hij hier gekomen, en wie had deze plek gemaakt? Hij had een vermoeden. Er was één persoon die vaak gebruik had gemaakt van droomflarden.
Rhand voelde een aanwezigheid. Hij liep door zonder om zich heen te kijken, maar hij wist dat er nu iemand naast hem liep.
‘Elan,’ zei Rhand.
‘Lews Therin.’ Elan droeg nog altijd zijn nieuwste lichaam, de lange, knappe man gekleed in rood en zwart. ‘Alles sterft, en weldra zal het stof regeren. Het stof... en dan niets meer.’
‘Hoe ben je langs mijn verdedigingen gekomen?’
‘Weet ik niet,’ antwoordde Moridin. ik wist dat als ik deze plek zou maken, jij ernaartoe zou komen. Je kunt niet bij me wegblijven. Het Patroon staat het niet toe. We worden naar elkaar toe getrokken, jij en ik. Steeds opnieuw en opnieuw. Twee schepen gestrand op dezelfde zandbank, die met elke nieuwe vloed tegen elkaar aan botsen.’ ‘Dichterlijk,’ zei Rhand. ‘Je hebt eindelijk Mierin van haar halsband gelaten, zag ik.’
Moridin bleef staan en Rhand keek hem aan. De woede van de man leek haast in golven van hem af te stralen, is ze naar je toe gekomen?’ wilde Moridin weten.
Rhand zei niets.
‘Doe maar niet alsof je wist dat ze nog leefde. Je wist het niet. Je kon het niet weten.’
Rhand bleef zwijgen. Zijn gevoelens ten aanzien van Lanfir – of hoe ze zichzelf dan nu ook noemde – waren ingewikkeld. Lews Therin had haar gehaat, maar Rhand had haar voornamelijk gekend als Selene en haar graag gemogen, althans, totdat ze probeerde Elayne en Aviendha te vermoorden.
Denken aan haar deed hem denken aan Moiraine, en dat gaf hem hoop op dingen waar hij niet op zou moeten hopen.
Als Lanfir nog leeft... kan Moiraine dan misschien ook nog leven?
Hij keek Moridin met kalm zelfvertrouwen aan. ‘Het heeft nu geen zin meer om haar los te laten. Ze heeft niet langer macht over me.’ ‘Ja,’ zei Moridin. ik geloof je. Maar zij zal je niet geloven, en ik denk dat ze nog steeds iets van... wrok koestert jegens de vrouw die je hebt gekozen. Hoe heet ze ook alweer? Die zichzelf Aiel noemt, maar nu wapens draagt?’
Rhand trapte niet in de poging om hem uit de tent te lokken. ‘Mierin haat je nu trouwens toch,’ vervolgde Moridin. ik denk dat ze jou de schuld geeft voor wat er met haar is gebeurd. En je moet haar nu Cyndane noemen. Ze mag de naam die ze zich had aangemeten niet langer gebruiken.’
‘Cyndane...’ zei Rhand peinzend. “‘Laatste Kans”? Jullie meester houdt wel van een grapje, zeker.’
‘Het was niet grappig bedoeld.’
‘Nee, dat zal ook wel niet.’ Rhand keek naar het eindeloze landschap van dood gras en dorre bladeren, ik kan me nauwelijks nog voorstellen dat ik in de begindagen zo bang voor je was. Drong je toen mijn dromen binnen, of haalde je me naar zo’n droomflard toe? Daar heb ik nooit achter kunnen komen.’
Moridin zei niets.
‘Ik herinner me nog een keer...’ begon Rhand. ik zat bij het vuur, omringd door nachtmerries die aanvoelden als Tel’aran’rhiod. Je zou eigenlijk niet in staat moeten zijn geweest om iemand volledig in de Wereld der Dromen te trekken, maar ik ben geen Droomloper, die er op eigen houtje kan komen.’