Moridin, net als veel Verzakers, ging meestal lijfelijk Tel’aran’rhiod binnen, wat heel gevaarlijk was. Sommigen zeiden dat het iets kwaadaardigs was, dat je er een deel van je menselijkheid door verloor. Het maakte je ook sterker.
Moridin gaf geen aanwijzingen over wat er die nacht was gebeurd. Rhand herinnerde zich die tijd nog vaag, op weg naar Tyr. Hij herinnerde zich visioenen in de nacht, visioenen van vrienden en familieleden die probeerden hem te vermoorden. Moridin... Ishamael... ze hadden hem tegen zijn wil meegetrokken in dromen die kruisten met Tel’aran’rhiod.
‘Je was waanzinnig in die tijd,’ zei Rhand zacht, kijkend in Moridins ogen. Hij zag daar bijna de vuurtjes branden. ‘Je bent nog steeds waanzinnig, of niet? Je hebt het alleen in de hand. Niemand die niet ten minste een beetje waanzinnig is zou hém dienen.’
Moridin stapte naar voren. ‘Sar me zoveel je wilt, Lews Therin. Het einde nadert. Alles zal worden overgegeven aan de grote verstikking van de Schaduw, worden uitgerekt, gescheurd, gewurgd.’ Rhand deed ook een stap naar voren, tot hij pal voor Moridin stond. Ze waren even lang. ‘Je haat jezelf,’ fluisterde Rhand. ik vóél het in je, Elan. Ooit diende je hem voor de macht, maar nu doe je het omdat zijn overwinning – en een einde aan alles – de enige bevrijding is die je ooit zult kennen. Je zou liever ophouden te bestaan dan jezelf te blijven. Maar je weet vast wel dat hij je niet zal vrijlaten. Nooit. Jou niet.’
Moridin sneerde. ‘Hij geeft me toestemming om je te vermoorden voordat dit afgelopen is, Lews Therin. Jou, en die goudharige, en de Aielvrouw, en die kleine donkerharige...’
‘Je doet alsof dit een wedstrijd is tussen jou en mij, Elan,’ viel Rhand hem in de rede.
Moridin gooide lachend zijn hoofd in zijn nek. ‘Natuurlijk is het dat! Heb je dat nog niet door? Bij de bloedwatervallen, Lews Therin! Dit gaat om ons twee. Net als in voorbije tijden, steeds opnieuw, strijden wij tegen elkaar. Jij en ik.’
‘Nee,’ zei Rhand. ‘Niet deze keer. Ik ben klaar met jou. Ik heb een grotere slag te leveren.’
‘Probeer niet...’
Ineens straalde er zonlicht door de wolken boven hen. Er was meestal geen zon in de Wereld der Dromen, maar nu werd de hele omgeving van Rhand erin gebaad.
Moridin ging struikelend achteruit. Hij keek op naar het licht, keek naar Rhand en kneep zijn ogen tot spleetjes. ‘Denk maar niet... denk maar niet dat ik in je goedkope kunstjes trap, Lews Therin. Je hebt Weiramon van zijn stuk gebracht met wat je bij hem deed, maar het is niet zo moeilijk om saidin vast te houden en te luisteren of iemands hartslag omhooggaat.’
Rhand richtte zijn wilskracht. De krakende dode bladeren aan zijn voeten begonnen zich om te vormen, werden weer groen, en grassprieten braken tussen de bladeren door. Het groen spreidde zich rondom hem uit als gemorste verf en de wolken boven hem dreven kolkend uiteen.
Moridins ogen werden groot. Hij wankelde en staarde naar de lucht terwijl de wolken zich terugtrokken... Rhand voelde aan hoe geschokt hij was. Dit was immers Moridins droomflard.
Maar om een ander naar binnen te kunnen trekken, had hij die flard dicht bij Tel’aran’rhiod moeten plaatsen. Die regels waren ook hier van toepassing. En er was nog iets anders, iets wat te maken had met de connectie tussen hen twee...
Rhand beende naar voren en hief zijn armen zijwaarts. Het gras groeide in golven voor hem uit, rode bloemen barstten uit de grond alsof het land bloosde. De storm verstilde, de donkere wolken werden weggebrand door het licht.
‘Ga naar je meester!’ beval Rhand. ‘Zeg maar dat deze strijd niet zo zal verlopen als de vorige. Zeg maar dat ik zijn onderdanen beu ben, dat ik klaar ben met zijn kleinzielige zetten met pionnen. Zeg maar dat ik hem kom halen!’
‘Dit kan niet,’ zei Moridin, zichtbaar aangedaan. ‘Dit is niet...’ Hij keek nog even naar Rhand, die in de stralende zon stond, en toen verdween hij.
Rhand slaakte een zucht. Het gras om hem heen stierf, de wolken sprongen terug, het zonlicht vervaagde. Het had moeite gekost om die transformatie van het landschap vast te houden. Hij zakte hijgend in elkaar om bij te komen van de inspanning.
Op deze plek kon je iets laten gebeuren door te wensen dat het waar was. Was het ook maar zo eenvoudig in de echte wereld.
Hij sloot zijn ogen en stuurde zichzelf terug, zodat hij nog even kon slapen voordat hij alweer op moest. Om de wereld te redden. Als het kon.
Pevara hurkte naast Androl in de regenachtige nacht. Haar mantel was doorweekt. Ze kende wel een paar wevingen om hem droog te maken, maar ze durfde niet te geleiden. Zij en de anderen zouden straks tegenover overgelopen Aes Sedai en vrouwen van de Zwarte Ajah staan. Die zouden het meteen voelen als ze geleidde.
‘Ze bewaken dit gedeelte beslist,’ fluisterde Androl. Verderop was de grond opengehakt in een uitgebreide doolhof van stenen funderingen en greppels. Het waren de funderingen van wat ooit de eigenlijke Zwarte Toren zou worden. Als Dobser gelijk had, werden er allerlei ruimtes in de fundering gebouwd: verborgen kamers, sommige reeds voltooid, die geheim zouden blijven terwijl de Toren erbovenop werd gebouwd.
Een paar Asha’man van Taim stonden daar te kletsen. Hoewel ze probeerden ontspannen over te komen, werd die schijn tenietgedaan door de regen. Wie ging er nu vrijwillig buiten staan in dit weer? Ondanks de brander die hen verlichtte en een weving van Lucht die de regen van hun hoofd hield, was hun aanwezigheid hier verdacht.
Wachters. Pevara probeerde die gedachte rechtstreeks naar Androl te sturen.
Dat lukte. Ze voelde zijn verbazing toen haar gedachte zich tussen de zijne drong.
Er kwam iets terug, heel wazig: We moeten er gebruik van maken.
Ja, stuurde ze terug. De volgende gedachte was te ingewikkeld, dus fluisterde ze: ‘Waarom is het jullie nooit eerder opgevallen dat hij de funderingen ’s nachts laat bewaken? Als er echt geheime kamers worden gebouwd, dan zal daar juist ’s nachts aan gewerkt worden.’
‘Taim heeft een avondklok ingesteld,’ fluisterde Androl. ‘Als we die negeren, ziet hij dat alleen door de vingers wanneer het hem uitkomt, zoals bij Welyns terugkeer vanavond. Bovendien is het hier gevaarlijk met al die kuilen en greppels. Dat zou al reden genoeg zijn om wachters neer te zetten, maar...’
‘Maar,’ zei Pevara, ‘Taim is er niet bepaald de man naar om erom te malen als een paar kinderen hun nek breken terwijl ze hier rondsnuffelen.’
Androl knikte.
Pevara en Androl wachtten in de regen en telden hun ademteugen, totdat er ineens drie linten van vuur uit de nacht tevoorschijn schoten en de wachters recht in hun hoofd raakten. De twee Asha’man vielen als zakken graan neer. Nalaam, Emarin en Jonnet hadden hun werk uitstekend gedaan. Een snel staaltje geleiden. Hopelijk zou het niet worden opgemerkt, of anders worden toegeschreven aan Taims wachters.
Licht, dacht Pevara. Androl en de anderen zijn écht wapens. Het was niet bij haar opgekomen dat Emarin en de zijnen iemand zouden doden. Hier had ze als Aes Sedai geen enkele ervaring mee. Aes Sedai doodden niet eens valse Draken als ze het konden voorkomen.
‘Stillen is ook dodelijk,’ zei Androl, die vooruit bleef kijken. ‘Al gaat het dan langzaam.’
Licht. Ja, hun binding kon zo zijn voordelen hebben, maar hij was ook verrekte lastig. Ze zou moeten oefenen met het afschermen van haar gedachten.
Emarin en de anderen kwamen vanuit het donker aandraven en sloten zich bij Pevara en Androl aan. Canler bleef met de andere jongens uit Tweewater achter. Als er vannacht iets misging, zou hij hen wegleiden bij de Zwarte Toren en helpen ontsnappen. Het was logisch om hem achter te laten, ondanks zijn tegenwerpingen. Hij had hier familie.
Ze sleepten de lijken de duisternis in, maar lieten de kolenbrander van de wachters aan. Iemand die deze kant op keek zou zien dat het licht nog brandde, maar het was vannacht zo mistig en regenachtig dat hij een stuk dichterbij zou moeten komen om te ontdekken dat de mannen waren verdwenen.