Выбрать главу

Hoewel hij vaak klaagde dat hij niet snapte waarom de anderen hem volgden, nam Androl meteen de leiding over de groep. Hij stuurde Nalaam en Jonnet naar de rand van de funderingen om een oogje in het zeil te houden. Jonnet had zijn boog bij zich, maar vanwege het natte weer had hij er geen pees om gelegd. Ze hoopten dat het alsnog droog zou worden, zodat hij de boog kon gebruiken wanneer ze het niet konden wagen om te geleiden.

Androl, Pevara en Emarin gleden langs een van de modderige hellingen omlaag naar de funderingskuilen. De modder spetterde over haar heen toen ze landde, maar ze was toch al doornat en de regen spoelde het vuil meteen weer van haar af.

De fundering was gemetseld met stenen die straks de muren zouden vormen tussen kamers en gangen. Het was een doolhof hierbeneden, vooral in de gestaag vallende regen. Morgenochtend zouden de Asha’man aan het werk worden gezet om de funderingen te drogen.

Hoe moeten we de ingang vinden? stuurde Pevara haar gedachten naar Androl.

Androl knielde neer met een heel klein lichtbolletje boven zijn hand. Regendruppels die door het licht vielen, leken wel piepkleine meteorieten die opflitsten en weer verdwenen. Hij zette zijn vingers in een plas water op de grond.

Hij keek omhoog en wees. ‘Het water loopt die kant op,’ fluisterde hij. ‘Het gaat ergens naartoe. Daar zullen we Taim vinden.’

Emarin gromde goedkeurend. Androl stak zijn hand op om Jonnet en Nalaam naar beneden te wenken en voerde hen toen geruisloos aan.

Jij. Stilletjes. Lopen. Goed, stuurde ze hem toe.

Opgeleid als verkenner, stuurde hij terug. In bossen. Mistbergen.

Hoeveel banen had hij gehad in zijn leven? Ze had zich zorgen om hem gemaakt. Een leven zoals hij had geleid kon duiden op ontevredenheid over de wereld, op ongeduld. Zoals hij echter over de Zwarte Toren sprak... de hartstocht waarmee hij bereid was te vechten... dat zei iets anders. Dit ging niet alleen maar om trouw aan Logain. Ja, Androl en de anderen hadden eerbied voor Logain, maar voor hen vertegenwoordigde hij iets veel groters. Een plek waar mannen zoals zij werden aanvaard.

Een leven zoals dat van Androl kón erop wijzen dat hij een man was die zich niet wilde binden of die nooit tevreden zou zijn, maar het kon ook iets anders over hem zeggen: dat hij op zoek was. Dat hij wist dat het leven waar hij naar verlangde ergens ter wereld bestond. Hij moest het alleen vinden.

‘Leren ze je in de Witte Toren om mensen zo te ontleden?’ fluisterde Androl haar toe terwijl hij bij een deur stopte, zijn lichtbol even naar binnen stak en vervolgens de anderen mee wenkte.

Nee, stuurde ze terug, omdat ze meer met deze wijze van communiceren wilde oefenen. Is iets wat een vrouw oppikt na haar eerste levenseeuw.

Hij stuurde een gespannen lachje terug. Ze gingen een reeks onvoltooide kamers in, allemaal nog zonder dak, voordat ze een gedeelte bereikten met alleen aarde. Er stonden een paar vaten met pek, maar die waren opzij gezet en de planken eronder waren weggeschoven. Er was hier een gat in de grond. Het water lekte over de rand van het gat omlaag, de duisternis in. Androl knielde luisterend neer. Hij knikte kort naar de anderen voordat hij zich in het gat liet zakken. Even later klonk er een plons.

Pevara volgde hem en ontdekte dat het gat niet diep was. Het water rond haar voeten was koud, maar ze was toch al doorweekt.

Androl stapte gebukt onder een aarden rand door, en aan de andere kant stond hij op. Zijn lichtbolletje onthulde een tunnel. Er was hier een greppel gegraven om het regenwater af te voeren.

Pevara vermoedde dat ze hier recht boven hadden gestaan toen ze de wachters hadden overmeesterd.

Dobser had gelijk, stuurde ze hem toe terwijl de anderen achter hen omlaag spetterden. Taim bouwt geheime tunnels en kamers.

Ze staken de greppel over en liepen door. Een stukje verderop kwamen ze aan op een kruising in de tunnel, waar de aarden wallen waren gestut als mijnschachten. Ze verzamelden zich daar alle vijf en keken heen en weer. Twee paden.

‘Die kant loopt omhoog,’ fluisterde Emarin, wijzend naar links. ‘Misschien naar een andere ingang van deze tunnels?’

‘We moeten waarschijnlijk verder omlaag,’ zei Nalaam. ‘Denk je niet?’

‘Ja,’ zei Androl. Hij stak zijn vinger in zijn mond en vervolgens in de lucht. ‘De wind waait naar rechts. We gaan eerst die kant op. Wees voorzichtig. Er zijn vast nog meer wachters.’

De groep liep verder de tunnels in. Hoe lang werkte Taim al aan deze ruimtes? Ze leken niet overdreven uitgestrekt – ze kwamen niet nog meer vertakkingen tegen – maar toch was het complex indrukwekkend.

Ineens bleef Androl staan, en de anderen kwamen ook tot stilstand. Een norse stem weerkaatste door de tunnel, nog te ver weg om te verstaan, maar ze zagen licht langs de wanden bewegen. Pevara omhelsde de Bron en bereidde wevingen voor. Als ze geleidde, zou iemand in de funderingen dat dan merken? Androl aarzelde duidelijk ook. Bovengronds geleiden, om de wachters te doden, was al verdacht genoeg geweest. Als Taims mannen hier beneden voelden dat de Ene Kracht werd gebruikt...

De gedaante kwam dichterbij en werd zichtbaar in het licht dat hij bij zich had.

Er klonk gekraak naast haar toen Jonnet zijn Tweewaterse boog aanspande, hoewel er nauwelijks genoeg ruimte voor was in de tunnel. Hij liet de pees met een klap los en er klonk gefluit. Het gegrom hield op en de lichtbron viel omlaag.

De groep haastte zich naar voren en vond Coteren op de grond, met glazige ogen en de pijl in zijn borst. Zijn lantaarn lag sputterend naast hem. Jonnet pakte zijn pijl en veegde hem af aan de kleren van de dode man. ‘Daarom heb ik die boog nog steeds bij me, stomme geitenzoon.’

‘Hier,’ zei Emarin, wijzend naar een dikke deur. ‘Coteren stond hier op wacht.’

‘Bereid je voor,’ fluisterde Androl, en toen haalde hij diep adem en duwde de deur open. Erachter vonden ze een rij ruwe cellen gebouwd in de aarden wand. Het waren weinig meer dan holletjes in de aarde met een deur ervoor. Pevara gluurde in een van de cellen, die leeg was. Het hol was zo klein dat een man er niet rechtop in zou kunnen staan en er was geen licht. Als je in zo’n cel opgesloten werd, zat je vast in de diepe duisternis, in een ruimte zo klein als een graf.

‘Licht!’ zei Nalaam. ‘Androl! Hij zit hier. Het is Logain!’

De anderen gingen snel naar hem toe. Met verrassend veel handigheid peuterde Androl het slot van de deur open. Ze trokken de celdeur open, en Logain rolde kreunend naar buiten. Hij zag er verschrikkelijk uit, besmeurd met vuil. Met zijn krullende donkere haar en zijn sterke gezicht was hij een knappe man, maar nu oogde hij zo zwak als een bedelaar.

Hij hoestte en Nalaam hielp hem op zijn knieën te gaan zitten. Androl knielde meteen neer, maar niet uit eerbied. Hij keek Logain in de ogen terwijl Emarin de leider van de Asha’man zijn veldfles aangaf om iets te drinken.

En? vroeg Pevara.

Hij is het, dacht Androl terug, en er kwam een golf van opluchting door de binding. Hij is nog zichzelf.

Ze zouden hem hebben laten gaan als ze hem Bekeerd hadden, stuurde Pevara terug, hoewel ze zich steeds onbehaaglijker voelde bij deze wijze van communiceren.

Misschien. Behalve als het een valstrik is. ‘Heer Logain.’

‘Androl.’ Logains stem klonk raspend. ‘Jonnet. Nalaam. En een Aes Sedai?’ Hij bekeek Pevara. Voor een man die kennelijk dagen of misschien wel weken gevangenschap had doorstaan, oogde hij opmerkelijk helder, ik ken jou. Van welke Ajah ben je, vrouw?’

‘Maakt dat uit?’ vroeg ze.

‘Een heleboel,’ antwoordde Logain, die probeerde op te staan. Hij was te zwak, en Nalaam moest hem ondersteunen. ‘Hoe hebben jullie me gevonden?’

‘Dat is een verhaal voor als we veilig zijn, heer,’ zei Androl. Hij gluurde om de deur. ‘Kom, we gaan. We hebben nog een zware nacht voor de boeg en...’