Выбрать главу

Androl verstijfde en sloeg de deur dicht.

‘Wat is er?’ vroeg Pevara.

‘Iemand geleidt,’ zei Jonnet. ‘Heel sterk.’

Geroep, gedempt door de deur en de aarden wallen, klonk in de gang.

‘Iemand heeft de wachters gevonden,’ zei Emarin. ‘Heer Logain, kunt u vechten?’

Logain probeerde op eigen benen te gaan staan, maar zijn knieën knikten weer. Zijn gezicht nam een vastberaden trek aan, maar Pevara voelde Androls teleurstelling. Logain had dolkwortel toegediend gekregen, of hij was gewoon te moe om te geleiden. Niet zo verbazingwekkend. Pevara had vrouwen in betere conditie gezien die te uitgeput waren om de Bron te omhelzen.

‘Achteruit!’ riep Androl, die naar de zijkant van de deur stapte en tegen de aarden wal ging staan. De deur ontplofte door een weving van Vuur.

Pevara wachtte niet tot het stof was neergedaald. Ze weefde Vuur en liet een zuil van vernietiging door de gang buiten stromen. Ze wist dat ze tegenover Duistervrienden stond, of erger, en daarom zaten de Drie Geloften haar niet in de weg.

Ze hoorde geschreeuw, maar het vuur werd ergens door afgeketst. Meteen probeerde iemand een schild tussen haar en de Bron te zetten. Ze weerde het af, ternauwernood, en dook hijgend opzij.

‘Wie het ook is, hij is sterk,’ zei ze tegen de anderen.

In de verte riep iemand bevelen, die door de tunnels weerkaatsten.

Jonnet knielde met zijn boog in zijn hand bij haar neer. ‘Licht, dat is Taims stem!’

‘We kunnen hier niet blijven,’ zei Logain. ‘Androl. Een Poort.’

‘Ik doe mijn best,’ zei Androl. ‘Licht, ik probeer het!’

‘Bah.’ Nalaam liet Logain tegen de muur zakken, ik heb wel voor hetere vuren gestaan!’ Hij kwam bij de anderen bij de deur staan en smeet wevingen door de gang. Ontploffingen deden de wanden beven en zand regende omlaag van het dak boven hen.

Pevara sprong voor de deur, stuurde een weving de gang in en knielde naast Androl neer. Hij staarde voor zich uit zonder haar te zien, met een verbeten uitdrukking op zijn gezicht. Ze voelde zijn vastberadenheid en frustratie door de binding komen en pakte zijn hand.

‘Je kunt het,’ fluisterde ze.

De deuropening begaf het en Jonnet viel met een brandwond op zijn arm achterover. De grond beefde en de wanden begonnen in te storten.

Het zweet droop langs Androls slapen. Hij knarsetandde, zijn gezicht werd rood en zijn ogen werden groot. Er stroomde rook door de deuropening naar binnen, en Emarin hoestte terwijl Nalaam Jonnet Heelde.

Androl schreeuwde het uit. Hij naderde de bovenkant van die muur in zijn geest. Hij was er bijna! Hij kon...

Een weving bonsde tegen hun cel, een rimpeling in de aarde, en het overbelaste dak begaf het. De aarde stroomde over hen heen en alles werd zwart.

5

Een gunst nodig

Rhand Altor werd wakker en haalde diep adem. Hij glipte tussen de dekens vandaan om Aviendha niet te wekken en trok een mantel aan. De lucht rook vochtig.

Terloops moest hij denken aan ochtenden in zijn jeugd, als hij voor dag en dauw opstond om de koe te melken, wat vaak tweemaal per dag moest gebeuren. Met zijn ogen dicht herinnerde hij zich de geluiden van Tam die dan al in de schuur bezig was met het maken van nieuwe hekpalen of iets anders. Hij dacht aan de kille ochtenden, als hij met zijn laarzen stampte om zijn tenen op te warmen en zijn gezicht waste met water dat had staan opwarmen bij de haard.

Elke morgen kon een boer zijn deur openen en uitkijken over een wereld die nog nieuw was. Maagdelijke rijp. De eerste aarzelende roep van vogels. Zonlicht dat over de horizon stroomde als de ochtendgeeuw van de wereld.

Rhand liep naar de tentflappen toe, gooide ze open en knikte naar Katerin, een kleine, goudblonde Speervrouwe die op wacht stond. Hij keek uit over een wereld die verre van nieuw was. Deze wereld was oud en moe, als een venter die helemaal naar de Rug van de Wereld en weer terug was gelopen. De Akker van Merrilor stond vol tenten, en hier en daar rezen al rookspiralen van kookvuren op naar de nog donkere ochtendhemel.

Overal waren mannen aan het werk. Soldaten olieden pantsers. Smeden slepen speerpunten. Vrouwen maakten veren aan pijlen. Het ontbijt werd opgediend bij maaltijdwagens, waar mannen die niet voldoende slaap hadden gekregen in de rij stonden. Iedereen wist dat dit hun laatste ogenblikken waren voordat de storm uitbrak.

Rhand sloot zijn ogen. Hij vóélde het, het land zelf, als een vage zwaardhandbinding. Onder zijn voeten kropen wormen door de aarde. De wortels van het gras bleven zich uitspreiden, heel langzaam, op zoek naar voedingsstoffen. De skeletachtige bomen waren niet dood, want er sijpelde water doorheen. Ze sluimerden. Zangvogels zaten opeengepakt in de bomen. Ze zongen niet bij het aanbreken van de dag. Ze bleven tegen elkaar aan gekropen zitten om warmte bij elkaar te zoeken.

Het land leefde nog. Het leefde als een man die zich aan zijn vingertoppen aan de rand van een ravijn vasthoudt.

Rhand opende zijn ogen. ‘Zijn mijn klerken al terug uit Tyr?’

‘Ja, Rhand Altor,’ antwoordde Katerin.

‘Stuur boodschappen naar de andere vorsten,’ droeg Rhand haar op. ik ontmoet ze over een uur midden op het veld, de plek waar geen tenten mogen staan.’

Katerin vertrok om zijn bevel door te geven, maar ze droeg drie andere Speervrouwen op om bij hem op wacht te blijven staan. Rhand liet de tentflappen dichtvallen en draaide zich om. Hij schrok toen Aviendha – zo naakt als de dag dat ze geboren was – achter hem bleek te staan.

‘Je bent heel lastig te besluipen, Rhand Altor,’ verklaarde ze met een glimlach. ‘De binding biedt je te veel voordeel. Ik moet me heel langzaam bewegen, als een hagedis midden in de nacht, zodat je gevoel van waar ik ben niet te snel verandert.’

‘Licht, Aviendha! Waarom zou je me moeten besluipen?’ ‘Hiervoor.’ Ze sprong naar voren, greep zijn hoofd, kuste hem en drukte haar lichaam tegen hem aan.

Hij ontspande zich en maakte zich niet van haar los. ‘Gek genoeg,’ mompelde hij tegen haar lippen, ‘is dit veel leuker nu ik niet meer bang hoef te zijn dat mijn edele delen eraf vriezen.’

Aviendha stapte achteruit. ‘Daar moet je niet over praten, Rhand Altor.’

‘Maar...’

‘Mijn toh is ingelost en ik ben nu eerstezuster van Elayne. Herinner me niet aan een schande die vergeten is.’

Schande? Waarom zou ze zich daarvoor schamen, terwijl ze net nog... Hij schudde zijn hoofd. Hij kon het land horen ademen, kon een kever horen scharrelen op een halve roede afstand, maar soms snapte hij de Aiel gewoon niet. Of misschien waren het alleen vrouwen.

In dit geval waarschijnlijk allebei.

Aviendha aarzelde bij het vat vol fris water in de tent. ‘We zullen wel geen tijd hebben voor een bad.’

‘O, hou je nu van baden?’

‘Ik heb het aanvaard als een deel van het leven,’ zei ze. ‘Als ik in de natlanden kom wonen, zal ik een paar natlandergebruiken moeten overnemen. Als ze niet te stom zijn.’ Haar toon gaf aan dat de meeste dat wel waren.

‘Wat is er mis?’ vroeg Rhand, die naar haar toe stapte.

‘Mis?’

‘Er zit je iets dwars, Aviendha. Ik zie het aan je, voel het in je.’ Ze bekeek hem indringend. Licht, wat was ze mooi. ‘Je was veel gemakkelijker te sturen voordat je de oeroude wijsheid van je vorige zelf erbij kreeg, Rhand Altor.’

‘O ja?’ vroeg hij glimlachend. ‘Dat heb je destijds nooit laten merken.’

‘Maar toen was ik nog als een jong kind, onervaren in Rhand Altors eindeloze vermogen om mensen te frustreren.’ Ze stak haar handen in het water en waste haar gezicht. ‘Het is maar goed ook. Als ik had geweten wat er zou komen met jou, had ik misschien het wit aangetrokken en het nooit meer uitgedaan.’

Hij glimlachte, en toen geleidde hij. Hij weefde Water en trok de vloeistof in een stroom uit de ton. Aviendha stapte achteruit en keek nieuwsgierig toe.

‘Je lijkt er niet meer mee te zitten, dat ik een man ben die geleidt,’ merkte hij op. Hij liet het water in een waaier in de lucht hangen en verwarmde het met een draadje Vuur.