‘Er is niet langer reden om daarmee te zitten. Als ik me nu nog niet op mijn gemak voelde met je vermogen om te geleiden, zou ik net zo dom doen als een man die weigert de schande van een vrouw te vergeten terwijl ze haar toh heeft voldaan.’ Ze keek hem aan.
‘Ik kan me niet voorstellen dat iemand zo bot zou zijn.’ Hij gooide zijn mantel af en kwam bij haar staan. ‘Hier. Dit is een overblijfsel van de “oeroude wijsheid” die jij kennelijk zo.frustrerend vindt.’
Hij liet het water naar hen toe komen, heerlijk warm, en sloeg het uiteen tot een dichte mist die over hen heen spoelde. Aviendha slaakte een kreetje en greep zijn arm. Ze voelde zich dan misschien nu meer op haar gemak met de natlandergebruiken, maar water riep bij haar nog altijd gevoelens van onbehagen en ontzag op.
Met een draadje Lucht pakte Rhand een stuk zeep, schaafde er wat vanaf en mengde dat met een deel van het water. Hij liet een draaikolk van zeepbellen om hen heen draaien, die omhoogtrok langs hun lichaam en hun haar de lucht in zwiepte. Aviendha’s haar draaide rond als een spiraal voordat het weer lichtjes op haar schouders terugviel.
Met een volgende golf warm water spoelde hij het sop weg, en toen veegde hij het meeste vocht van hen af, waardoor ze bijna droog waren. Hij dumpte het water terug in de ton en liet met enige tegenzin saidin los.
‘Dat... Dat was echt ontzettend lichtzinnig en decadent,’ zei Aviendha ademloos.
‘Dank je,’ zei hij. Hij pakte een handdoek en gooide die naar haar toe. ‘Jij zou het meeste van wat we in de Eeuw der Legenden deden lichtzinnig en decadent vinden. Dat waren andere tijden, Aviendha. Er waren veel meer geleiders, en we werden al vanaf jonge leeftijd opgeleid. We hoefden niets te weten van oorlogvoeren of mensen doden. We kenden geen pijn meer, geen honger, geen leed, geen oorlog. In plaats daarvan gebruikten we de Ene Kracht voor heel gewone dingen.’
‘Jullie dachten alleen maar dat jullie geen oorlog meer kenden,’ wierp Aviendha snuivend tegen. ‘Jullie hadden het mis. Die onwetendheid maakte jullie zwak.’
‘Dat klopt. Maar ik weet niet of ik iets zou hebben veranderd. Er waren vele goede jaren. Goede decennia, goede eeuwen. We geloofden dat we in het paradijs leefden. Misschien was dat wel onze ondergang. We wilden dat ons leven volmaakt was, dus negeerden we onvolmaaktheden. Problemen verergerden door onze onoplettendheid, en een oorlog had onvermijdelijk kunnen worden als de Bres nooit was gemaakt.’ Hij geleidde zichzelf droog.
‘Rhand,’ zei Aviendha, die naar hem toe stapte. ‘Vandaag zal ik een gunst van je verlangen.’ Ze legde haar hand op zijn arm. Die hand was ruw, eeltig van haar tijd als Speervrouwe. Aviendha zou nooit een lelieblanke vrouwe worden zoals die aan de hoven van Cairhien en Tyr. Rhand vond dat best. Zij had handen die werk hadden gekend.
‘Wat voor gunst?’ vroeg hij. ik weet niet of ik je vandaag wel iets zou kunnen weigeren, Aviendha.’
‘Ik weet nog niet zeker wat het zal zijn.’
‘Dat begrijp ik niet.’
‘Je hoeft het ook niet te begrijpen,’ zei ze. ‘En je hoeft ook niet te beloven dat je het zult doen. Ik vond alleen dat ik je moest waarschuwen, omdat je een geliefde niet in een hinderlaag hoort te lokken. Om mij die gunst te verlenen, zul je je voornemens moeten bijstellen, misschien wel ingrijpend, maar het zal om iets belangrijks gaan.’
‘Goed...’
Ze knikte, raadselachtig als altijd, en begon haar kleren bij elkaar te zoeken om zich aan te kleden.
Egwene beende in haar droom om een bevroren pilaar van glas heen. Het leek haast wel een zuil van licht. Wat betekende dit? Ze kon het niet verklaren.
Het visioen veranderde en ze zag een bol. De wereld, wist ze om de een of andere reden. Hij barstte. In paniek bond ze er touwen omheen en probeerde hem bij elkaar te houden. Ze wist te voorkomen dat hij brak, maar het kostte ontzettend veel moeite...
Ze trok zich langzaam terug uit de droom en schrok wakker. Onmiddellijk omhelsde ze de Bron en weefde licht. Waar was ze?
Ze droeg een nachthemd en lag in een bed in de Witte Toren. Niet in haar eigen vertrekken, die nog overhooplagen na de aanval van de huurmoordenaars. Bij haar werkkamer was ook een kleine slaapkamer, dus was ze daar gaan liggen.
Haar hoofd bonkte. Ze kon zich nog vaag herinneren dat ze de vorige avond moe was geworden terwijl ze in haar tent op de Akker van Merrilor luisterde naar verslagen over de val van Caemlin. Op enig ogenblik in de late uren van de nacht had Gawein erop gestaan dat Nynaeve een Poort naar de Witte Toren maakte, zodat Egwene in een bed kon slapen in plaats van op een slaapvlonder op de grond.
Egwene mopperde wat en stond op. Hij had waarschijnlijk gelijk gehad, hoewel ze zich nog herinnerde dat ze zich rot had geërgerd aan zijn toon. Niemand had hem er nog op aangesproken, zelfs Nynaeve niet. Ze wreef over haar slapen. De hoofdpijn was niet zo erg als in de tijd dat Halima ‘voor haar zorgde’, maar hij was behoorlijk pijnlijk. Ongetwijfeld was het een teken van haar lichaam, dat zijn ongenoegen uitte om het gebrek aan slaap in de afgelopen weken.
Korte tijd later – gewassen, aangekleed en een klein beetje opgeknapt – verliet ze haar kamers en zag Gawein achter Silviana’s schrijftafel zitten. Hij zat een verslag te lezen en negeerde een Novice die bij de deur rondhing.
‘Ze zou je aan je tenen uit het raam hangen als ze je dat zag doen,’ zei Egwene droogjes.
Gawein schrok en draaide zich om. ‘Het is geen verslag uit haar stapel,’ wierp hij tegen. ‘Het is het laatste nieuws van mijn zus over Caemlin. Het is een paar minuten geleden voor je gebracht, via een Poort.’
‘En jij leest het?’
Hij bloosde. ‘Kom op, Egwene. Het is mijn thuis. En het verslag was niet verzegeld. Ik dacht...’
‘Het geeft niet, Gawein,’ zei ze zuchtend. ‘Laat eens zien wat erin staat.’
‘Het is niet veel.’ Hij trok een grimas toen hij het haar gaf. Op een knik van hem draafde de Novice weg. Korte tijd later drentelde het meisje weer naar binnen, met een dienblad met een verschrompeld stuk klokfruit, brood en een kan melk.
Egwene ging aan de tafel in haar werkkamer zitten om te eten, en ze voelde zich schuldig toen de Novice vertrok. Bijna alle Aes Sedai en soldaten van de Toren kampeerden in tenten op de Akker van Merrilor, terwijl zij fruit at, hoe oud ook, en in een gerieflijk bed sliep?
Toch sneden Gaweins argumenten wel hout. Als iedereen dacht dat ze in haar tent op de akker was, dan zouden mogelijke moordenaars daar toeslaan. Nadat ze bijna was vermoord door Seanchaanse Bloedmessen was ze bereid een aantal extra voorzorgsmaatregelen te aanvaarden. Vooral als ze daardoor een nachtje goed kon slapen.
‘Die Seanchaanse vrouw,’ zei Egwene, starend in haar beker. ‘Die met die Illianer. Heb je haar gesproken?’
Hij knikte. ‘Een paar Torenwachters houden die twee in de gaten. Nynaeve staat voor ze in, in zekere zin.’
‘In zekere zin?’
‘Ze noemde die vrouw een paar keer dom, maar zei ook dat ze je waarschijnlijk niet opzéttelijk kwaad zou doen.’
‘Geweldig.’ Nou, Egwene kon een Seanchaanse die bereid was te praten wel gebruiken. Licht. Stel dat ze het tegelijkertijd tegen de Seanchanen én de Trolloks moesten opnemen?
‘Je hebt je eigen goede raad niet opgevolgd,’ zei ze, kijkend naar Gaweins rode ogen toen hij plaatsnam op de stoel tegenover haar schrijftafel.
‘Iemand moest de deur bewaken. Als ik wachters had laten komen, zou iedereen hebben geweten dat je niet op de akker was.’
Ze nam een hap brood – waar was het van gemaakt? – en bekeek het verslag. Hij had gelijk, maar ze vond het geen prettige gedachte dat hij niet had geslapen voor zo’n lange dag als vandaag. De zwaardhandbinding zou hem maar een beetje helpen.
‘Dus de stad is echt verloren,’ zei ze. ‘Muren doorbroken, het paleis ingenomen. De Trolloks hebben niet de hele stad laten afbranden, zie ik. Een groot deel, maar niet alles.’
‘Nee,’ antwoordde Gawein. ‘Maar het is duidelijk dat Caemlin verloren is.’