Выбрать главу

Ze voelde zijn spanning door de binding. ‘Het spijt me.’

‘Veel mensen zijn ontkomen, maar we weten niet exact hoeveel mensen er voor de aanval woonden, met zoveel vluchtelingen. Honderdduizenden burgers zijn waarschijnlijk gedood.’

Egwene slaakte een zucht. Net zoveel mensen als een groot leger kon bevatten, in één nacht uitgeroeid. Dat was waarschijnlijk nog maar het begin van de verschrikkingen die zouden komen. Hoeveel mensen waren er tot nu toe in Kandor gesneuveld? Ze konden er alleen maar naar gissen.

Een groot deel van de voedselvoorraad van het Andoraanse leger had in Caemlin gelegen. Ze werd misselijk bij de gedachte aan zoveel mensen – honderdduizenden – die wegvluchtten uit de brandende stad. Maar die gedachte was nog minder angstaanjagend dan het gevaar dat Elaynes soldaten zouden verhongeren.

Ze schreef een briefje voor Silviana, met het verzoek om alle zusters te sturen die sterk genoeg waren om Heling te bieden aan de vluchtelingen en Poorten te maken om ze naar Wittebrug te brengen. Misschien kon ze daar zelfs voedsel heen laten brengen, hoewel de Witte Toren het nu al moeilijk had.

‘Heb je die opmerking onderaan gezien?’ vroeg Gawein.

Die had ze niet gezien. Ze fronste en las de regel die onderaan stond, in het handschrift van Silviana. Rhand Altor wilde dat iedereen naar hem toe kwam...

Ze keek op de oude, vrijstaande houten klok in de kamer. De bijeenkomst was over een half uur. Ze kreunde en werkte snel de rest van haar ochtendmaal naar binnen. Zo hoorde een Amyrlin niet te eten, maar het Licht verzenge haar als ze op een lege maag naar Rhand toeging.

‘Ik wurg die kerel,’ zei ze, terwijl ze haar mond depte. ‘Kom, we gaan.’

‘We kunnen natuurlijk ook gewoon als laatste aankomen,’ zei Gawein, die opstond. ‘Om te laten zien dat we geen bevelen van hem aannemen.’

‘En hem de gelegenheid bieden met iedereen te praten, terwijl ik er niet bij ben om hem tegen te spreken? Het bevalt me niet, maar Rhand heeft nu de teugels in handen. Iedereen is veel te nieuwsgierig naar wat hij wil gaan doen.’

Ze maakte een Poort naar haar tent, in de hoek die ze daarvoor had vrijgemaakt. Zij en Gawein stapten erdoor, verlieten de tent en belandden in de chaos op de Akker van Merrilor. Mensen riepen naar elkaar, in de verte klonken donderende hoeven terwijl soldaten heen en weer galoppeerden om plekken in te nemen voor de bijeenkomst. Besefte Rhand wel wat hij hier had gedaan? Soldaten zó bij elkaar zetten, onrustig en onzeker, was net zoiets als een handvol vuurwerk in een stoofpot gooien en die op het vuur zetten. Je kon erop wachten dat er iets ging ontploffen.

Egwene moest de chaos intomen. Ze beende verder, met Gawein een stap links achter haar, en trok haar gezicht in de plooi. De wereld had een Amyrlin nodig.

Silviana wachtte buiten. Ze droeg haar stola en staf, alsof ze op weg was naar de Zaal van de Toren.

‘Zorg hiervoor zodra de bijeenkomst begint.’ Egwene gaf haar het briefje.

‘Ja, Moeder,’ zei de vrouw, en toen liep ze rechts achter Egwene mee. Egwene hoefde niet om te kijken om te weten dat Silviana en Gawein elkaar nadrukkelijk negeerden.

Aan de westkant van haar kamp trof Egwene een groepje Aes Sedai die stonden te ruziën. Ze liep tussen hen door en liet stilte in haar kielzog achter. Een verzorger kwam aan met haar paard Spikkels, een prikkelbare gevlekte ruin, en terwijl ze opsteeg richtte ze haar blik op de Aes Sedai. ‘Alleen Gezetenen.’

Dat veroorzaakte een aantal ingetogen klachten, stuk voor stuk overgebracht met het rustige gezag van Aes Sedai. Elke vrouw vond dat ze het recht had om bij de bijeenkomst te zijn. Egwene staarde naar hen, en de vrouwen bonden langzaam in. Ze waren Aes Sedai en wisten dat bekvechten beneden hun waardigheid was.

Terwijl de Gezetenen zich verzamelden, keek Egwene uit over de Akker van Merrilor. Het was een groot, driehoekig stuk Shienaraans grasland, aan twee kanten begrensd door samenkomende rivieren – de Mora en de Erinin – en aan de andere kant door bossen. Het vlakke gras werd onderbroken door de Dasharknobbel, een rots van ongeveer honderd voet hoog met steile wanden. Aan de Arafelse zijde van de Mora lag de Hoogvlakte van Polov, een heuvel van zo’n veertig voet hoog, met een vlakke top, glooiende hellingen aan drie kanten en een steilere helling aan de kant van de rivier. Ten zuidwesten van de Hoogvlakte van Polov lag een moerasgebied en verderop een ondiep deel van de rivier de Mora, een gedeelte dat de Hawalvoorde werd genoemd en dat een handige oversteekplaats tussen Arafel en Shienar bood.

In de buurt was een Ogiergaarde, vlak bij enkele oude stenen ruïnes ten noorden van hier. Egwene was er kort na haar aankomst heen gegaan om ze te begroeten, maar Rhand had de Ogier niet voor deze bijeenkomst uitgenodigd.

Legers kwamen samen. Grenslandervlaggen kwamen aan vanuit het westen, waar Rhand zijn kamp had gemaakt. Perijns eigen vlag wapperde daar ook tussen. Vreemd, dat Perijn een vlag had.

Vanuit het zuiden baande Elaynes stoet zich een weg naar de ontmoetingsplek in het midden van de akker. De koningin reed voorop. Haar paleis was afgebrand, maar ze hield haar blik naar voren gericht. Tussen Perijn en Elayne liepen de Tyreners en Ulianers – Licht, wie had die legers zo dicht bij elkaar laten kamperen? – in afzonderlijke rijen, allebei met bijna hun voltallige leger.

Ze kon beter opschieten. Haar aanwezigheid zou de vorsten geruststellen en mogelijk problemen voorkomen. Ze zouden zich niet op hun gemak voelen met zoveel Aiel in de buurt. Alle stammen waren vertegenwoordigd. Egwene wist nog steeds niet of ze Rhand of haar zouden steunen. Sommige Wijzen leken te hebben geluisterd naar haar smeekbeden, maar ze had geen toezeggingen gekregen.

‘Kijk daar,’ zei Saerin, die naast Egwene kwam rijden. ‘Heb jij het Zeevolk uitgenodigd?’

Egwene schudde haar hoofd. ‘Nee. Het leek me vrij onwaarschijnlijk dat ze tegen Rhand in zouden gaan.’ Eigenlijk had ze na haar ontmoeting met de windvindsters in Tel’aran’rhiod niet veel zin gehad om zich weer in onderhandelingen met het Zeevolk te storten. Je moest altijd zo met hen oppassen. Na elke onderhandeling met hen kon je tot de ontdekking komen dat je niet alleen je eerstgeboren kind had wegonderhandeld, maar ook de Witte Toren zelf.

Ze vormden nogal een aanblik toen ze in hun kleurrijke kleding door Poorten vlak bij Rhands kamp aankwamen: golfvrouwen en wapenmeesters zo trots als vorsten.

Licht, dacht Egwene. Ik vraag me af hoe lang het geleden is dat er een bijeenkomst op deze schaal werd gehouden. Bijna alle naties waren vertegenwoordigd, en dan nog een paar extra, zoals het Zeevolk en de Aiel. Alleen Morland, Arad Doman en de landen onder bestuur van Seanchan ontbraken.

De laatste Gezetene steeg eindelijk op en kwam bij Egwene staan. Omdat ze stond te popelen, maar dat niet wilde laten merken, reed Egwene langzaam naar de ontmoetingsplek. Brins soldaten sloten zich bij hen aan en vormden een geleide van stampende laarzen en hooggeheven pieken. Op hun witte tabberds was de Vlam van Tar Valon geborduurd, maar ze overschaduwden de Aes Sedai niet. Zoals ze zich voortbewogen, ging alle aandacht uit naar de vrouwen in het midden. Andere legers vertrouwden op de kracht van wapens, maar de Witte Toren had iets beters.

Alle legers naderden de ontmoetingsplek in het midden van de akker, waar Rhand het terrein vrij van tenten had laten houden. Zoveel legers, verzameld op een stuk grond dat volmaakt geschikt was voor een veldslag. Dit kon maar beter niet misgaan.

Elayne bepaalde de standaard door het grootste deel van haar leger halverwege achter te laten en verder te rijden met een wacht van ongeveer honderd man. Egwene deed hetzelfde. Andere leiders kwamen geleidelijk naar voren, terwijl hun gevolg zich opstelde in een grote kring rondom het middelste veld.

Egwene werd beschenen door de zon toen ze het midden naderde. De grote, scherp afgebakende opening in de wolken boven het veld kon haar niet ontgaan. Rhand had een merkwaardige invloed op allerlei dingen. Hij hoefde zich niet aan te kondigen of met een banier te zwaaien om duidelijk te maken dat hij er was. De wolken trokken zich terug en de zon begon te schijnen als hij ergens kwam.