‘De Amyrlin heeft geen nationaliteit,’ zei Egwene koeltjes, ik sta ervan te kijken je hier te zien, Roedran. Wanneer heeft de Draak je uitgenodigd?’
‘Niet.’ Roedran wenkte een lakei om hem wijn te komen brengen, ik vond dat Morland wel lang genoeg buiten alle gebeurtenissen was gehouden.’
‘En wie heeft er dan Poorten voor je gemaakt? Je hebt vast niet heel Andor doorkruist.’
Roedran aarzelde.
‘Je kwam uit het zuiden,’ zei Egwene, terwijl ze hem onderzoekend opnam. ‘Andor. Heeft Elayne je laten komen?’
‘Ze heeft me niet laten komen,’ snauwde Roedran. ‘Die verrekte koningin beloofde me dat als ik haar zaak zou steunen, ze een verklaring zou uitvaardigen met de belofte dat ze geen invasie in Morland zou doen.’ Hij aarzelde weer. ‘Bovendien was ik nieuwsgierig naar die valse Draak. De hele wereld lijkt wel gek te zijn geworden waar het op hem aankomt.’
‘Je weet toch wel waar deze bijeenkomst om gaat, hè?’ vroeg Egwene.
Hij wuifde met zijn hand. ‘Die kerel zijn veroveringszin uit het hoofd praten of zoiets.’
‘Goed genoeg.’ Egwene boog zich naar voren, ik hoor dat je bewind aardig goed gaat en dat Lugard nu eindelijk echt wat gezag begint te krijgen in Morland.’
‘Ja,’ zei Roedran, die zijn rug een beetje rechtte. ‘Dat is waar.’ Egwene boog zich nog wat verder naar voren. ‘Graag gedaan,’ zei ze zachtjes, en toen glimlachte ze. Ze wendde Spikkels en leidde haar gevolg weg.
‘Egwene,’ zei Gawein zachtjes, met haar meedravend, ‘heb je dat nou echt gedaan?’
‘Kijkt hij ongerust?’
Gawein keek achterom. ‘Heel erg.’
‘Uitstekend.’
Gawein reed een tijdje zwijgend mee, maar toen grijnsde hij breed. ‘Dat was echt gemeen van je.’
‘Hij is net zo lomp en onbeschoft als ik al uit de verslagen had opgemaakt,’ zei Egwene. ‘Hij mag best een paar nachtjes wakker liggen en zich afvragen hoe de Witte Toren in zijn domein dingen heeft geregeld. Als ik in een bijzonder wraakzuchtige bui ben, zal ik nog wat mooie geheimen regelen die hij kan ontraadselen. Maar waar blijft die schaapherder nou? Hij had wel de vermetelheid om te eisen dat wij...’
Ze liet haar stem wegsterven toen ze hem zag aankomen. Rhand beende over het bruine gras op de akker, gekleed in rood en goud. Een gigantische bundel zweefde naast hem mee, in de lucht gehouden door wevingen die ze niet kon zien.
Onder zijn voeten werd het gras groen.
Waar hij liep, herstelde de aarde zich en spreidde die genezing zich van hem uit als een zachte golf van licht door geopende luiken. Mannen stapten achteruit, paarden stampten met hun hoeven. Binnen enkele minuten stond de hele kring van soldaten op gras dat weer leefde.
Hoe lang was het geleden dat ze een heel gewoon groen veld had gezien? Egwene blies haar adem uit. Iets van de somberheid van de dag was verdwenen, ik zou er heel wat voor overhebben om te weten hoe hij dat doet,’ mompelde ze.
‘Een weving?’ vroeg Gawein. ik heb Aes Sedai wel eens bloemen zien laten bloeien in de winter.’
ik ken geen enkele weving die zo ver om zich heen kan grijpen,’ zei Egwene. ‘Het voelt zo natuurlijk. Ga kijken of je kunt uitvissen hoe hij dat doet. Misschien laat een van de Aes Sedai met een Asha’man als zwaardhand zich de waarheid ontglippen.’
Gawein knikte en verdween.
Rhand liep door met die grote, zwevende bundel, gevolgd door Asha’man in het zwart en een erewacht van Aiel. De Aiel hadden maling aan de gebruikelijke opstellingen en spreidden zich als een waaier over het terrein uit. Zelfs soldaten die Rhand volgden, hielden afstand van de Aiel. Veel van de oudere soldaten herinnerden zich nog dat een golf van bruin en beige, zoals deze, de dood betekende.
Rhand liep rustig en doelgericht door. De stoffen bundel die hij met Lucht meevoerde, begon zichzelf uit te pakken. Grote stukken canvas flapperden in de wind, vlochten zich door elkaar heen en vormden wapperende linten. Houten palen en metalen staken vielen uit de bundel, en Rhand ving ze op met ongeziene draden Lucht en liet ze draaien.
Hij hield niet eens zijn pas in. Hij keek niet naar de draaikolk van doek, hout en ijzer, terwijl het canvas rimpelde als een vis in diep water. Klompjes aarde sprongen op uit de grond. Enkele soldaten schrokken.
Hij is me een kunstenmaker geworden, dacht Egwene terwijl de palen draaiden en zich in de gaten in de grond boorden. Wapperende repen stof wikkelden zich eromheen en bonden zichzelf vast. Binnen een paar tellen stond er een reusachtig paviljoen, met de Drakenbanier aan de ene kant en de banier met het oeroude symbool van de Aes Sedai aan de andere kant.
Rhand liep door toen hij bij het paviljoen aankwam, en de stoffen tentflappen gingen voor hem opzij. ‘Jullie mogen er ieder vijf meenemen,’ kondigde hij aan terwijl hij naar binnen stapte.
‘Silviana,’ besloot Egwene, ‘Saerin, Romanda, Lelaine. Gawein wordt onze vijfde als hij terug is.’
Gezetenen achter haar aanvaardden haar besluit in stilte. Ze konden moeilijk klagen dat ze haar zwaardhand meenam voor bescherming, of haar Hoedster voor steun. De andere drie die ze had gekozen werden algemeen gezien als de meest invloedrijke vrouwen in de Toren, en bij de vier die ze had aangewezen waren twee Aes Sedai uit Salidar en getrouwen van de Witte Toren.
De andere vorsten lieten Egwene als eerste naar binnen gaan. Allemaal begrepen ze dat deze confrontatie in wezen tussen Rhand en Egwene ging. Of eigenlijk tussen de Draak en de Amyrlin Zetel.
Er stonden geen stoelen in het paviljoen, hoewel Rhand in de hoeken saidinbollen ophing om licht te geven en een van de Asha’man een tafeltje in het midden zette. Ze telde snel. Dertien gloeibollen.
Rhand stond met zijn gezicht naar haar toe, zijn armen op zijn rug en zijn hand om zijn onderarm heen, zoals zijn gewoonte was geworden. Min stond naast hem, met haar hand op zijn arm.
‘Moeder,’ zei hij knikkend.
Dus hij wilde eerbied veinzen? Egwene knikte terug. ‘Heer Draak.’
De andere vorsten en hun geleiden kwamen nu ook binnen, velen van hen schoorvoetend, totdat Elayne met een uitgelaten glimlach op haar gezicht naar binnen beende. Die domme vrouw was nog steeds onder de indruk van Rhand, blij met hoe hij iedereen had weten te dwingen hierheen te komen. Elayne zag het als een punt van trots als hij iets goed deed.
En jij voelt niet een heel klein beetje trots? vroeg Egwene zichzelf. Rhand Altor, ooit een eenvoudige dorpsjongen en bijna je verloofde, en nu de machtigste man ter wereld? Ben je niet trots op wat hij heeft bereikt?
Misschien een beetje.
De Grenslanders kwamen binnen, geleid door koning Easar uit Shienar, en zij straalden niets schoorvoetends uit. De Domani werden geleid door een oudere man die Egwene niet kende.
‘Alsalam,’ fluisterde Silviana, en ze klonk verbaasd. ‘Hij is terug.’
Egwene fronste. Waarom hadden haar verspieders haar niet verteld dat hij was opgedoken? Licht. Wist Rhand dat de Witte Toren had geprobeerd hem op te sluiten? Egwene zelf had dat feit nog maar een paar dagen eerder ontdekt, begraven in een stapel papieren van Elaida.
Cadsuane kwam binnen, en Rhand knikte naar haar alsof hij toestemming gaf. Ze had geen vijf mensen bij zich, maar hij scheen ook niet te vinden dat ze tot Egwenes vijf behoorde. Dat vond Egwene een verontrustend precedent.
Perijn stapte naar binnen met zijn vrouw en ze stelden zich aan de zijkant op. Hij sloeg zijn gespierde armen over elkaar, met zijn nieuwe hamer aan zijn riem. Hij was veel eenvoudiger te peilen dan Rhand: hij was ongerust, maar hij vertrouwde Rhand.
Nynaeve deed dat ook, het Licht verzenge haar. Ze ging vlak bij Perijn en Faile staan.
De clanhoofden en Wijzen van de Aiel kwamen in een grote groep binnen. Rhands ‘ieder vijf’ betekende waarschijnlijk dat elk clan-hoofd er vijf mocht meenemen. Sommige Wijzen, ook Sorilea en Amys, liepen naar Egwenes kant van de tent.
Het Licht zegene hen, dacht Egwene, die haar ingehouden adem liet ontsnappen. Rhands blik schoot naar de vrouwen toe, en Egwene bespeurde een verstrakken van zijn lippen. Hij was verbaasd dat niet alle Aiel hem steunden.