Koning Roedran van Morland was een van de laatsten die binnenkwam, en Egwene merkte iets vreemds op toen hij dat deed. Enkele van Rhands Asha’man – Narishma, Flin, Naeff – gingen achter Roedran staan. Anderen, bij Rhand in de buurt, oogden even waakzaam als katten die een wolf hadden zien langskomen.
Rhand liep naar de kleine, brede man toe en keek hem in de ogen. Roedran leek slecht op zijn gemak en veegde met een zakdoek over zijn voorhoofd. Rhand bleef hem aanstaren.
‘Wat is er?’ wilde Roedran weten. ‘U bent de Herrezen Draak, zeggen ze. Ik vind niet dat ik u zou moeten laten...’
‘Zwijg,’ zei Rhand, en hij stak één vinger op.
Roedran hield meteen zijn mond.
‘Het Licht mag me branden,’ zei Rhand. ‘Je bent hem niet, hè?’
‘Wie?’ vroeg Roedran.
Rhand draaide zich om en maakte een handgebaar, waarop Narishma en de anderen zich ontspanden. Met tegenzin, ik was er zeker van...’ zei Rhand hoofdschuddend. ‘Waar bén je?’
‘Wie?’ vroeg Roedran luidkeels, bijna schril.
Rhand negeerde hem. De flappen van het paviljoen hingen eindelijk stil. Iedereen was binnen. ‘Zo,’ zei Rhand. ‘We zijn er allemaal. Dank u voor uw komst.’
‘Alsof we verdomme veel keus hadden,’ mopperde Gregorin. Hij had vijf Illiaanse edelen bij zich, allemaal leden van de Raad van Negen. ‘We zaten vast tussen u en de Witte Toren. Het Licht verzenge ons.’
‘U weet inmiddels,’ vervolgde Rhand, ‘dat Kandor is gevallen en dat Caemlin is ingenomen door de Schaduw. De laatste resten van Malkier worden aangevallen bij Tarwins Kloof. Het einde is gekomen.’
‘Waarom staan we dan hier, Rhand Altor?’ vroeg koning Paitar van Arafel. De oude man had alleen nog een dun randje grijs haar op zijn hoofd, maar hij was nog steeds breedgeschouderd en indrukwekkend. ‘Laten we een einde maken aan het toneelspel en aan de slag gaan, man! Er moet worden gevochten.’
‘Gevechten beloof ik je, Paitar,’ zei Rhand zacht. ‘Zoveel als je er aankunt, en meer. Drieduizend jaar geleden stond ik ook tegenover de troepen van de Duistere. We hadden de beschikking over de wonderen van de Eeuw der Legenden, Aes Sedai die in staat waren tot dingen waar het je van zou duizelen, ter’angreaal waarmee mensen konden vliegen en immuun waren voor aanvallen. Zelfs daarmee wonnen we nog maar amper. Heb je daarover nagedacht? We staan nu tegenover de Schaduw zoals hij toen ook ongeveer was, met Verzakers die niet ouder zijn geworden. Maar wij zijn niet meer hetzelfde volk. Bij lange na niet.’
Het werd stil in de tent. De tentflappen wapperden in de bries. ‘Wat bedoel je, Rhand Altor?’ zei Egwene, die haar armen over elkaar sloeg. ‘Dat we gedoemd zijn?’
‘Ik bedoel dat we een strategie nodig hebben,’ verklaarde Rhand, ‘en een gezamenlijke aanval moeten inzetten. De vorige keer hebben we het slecht aangepakt, en dat kostte ons bijna de oorlog. We dachten allemaal de beste aanpak te kennen.’ Hij keek Egwene in de ogen. in die tijd dacht elke man en vrouw dat hij of zij de leider van het slagveld was. Een leger van generaals. Daarom verloren we bijna. Daarom bleven we zitten met de smet, het Breken, de waanzin. Ik was daar evenzeer schuldig aan als ieder ander. Misschien wel meer.
Dat laat ik niet nog een keer gebeuren. Ik wil deze wereld niet redden alleen om hem nog een keer te laten breken! Ik wil niet sterven voor de naties van de mensheid alleen zodat ze zich weer tegen elkaar kunnen keren zodra de laatste Trollok sneuvelt. Jullie zijn dat al aan het bekokstoven. Het Licht mag me branden, ik wéét dat het zo is!’ De blikken die Gregorin en Darlin elkaar toewierpen, waren gemakkelijk over het hoofd te zien, of de afgunstige blikken die Roedran op Elayne wierp. Welke naties zouden gebroken worden door dit conflict, en welke zouden naar voren stappen – uit menslievendheid – om hun buren te helpen? Hoe snel zou menslievendheid omslaan in begeerte, de mogelijkheid om nóg een troon in bezit te krijgen?
Veel van de vorsten hier waren fatsoenlijke mensen. Maar je moest meer dan alleen fatsoenlijk zijn om zoveel macht te bezitten en dan niet verder om je heen te kijken. Zelfs Elayne had een ander land ingelijfd toen de mogelijkheid zich voordeed. En dat zou ze weer doen. I let lag in de aard van vorsten, van naties. In Elaynes geval leek het zelfs gepast, aangezien Cairhien onder haar bewind beter af zou zijn dan voorheen.
Hoeveel vorsten zouden datzelfde aannemen? Dat zij beter konden regeren en de orde konden herstellen in een ander land?
‘Niemand wil oorlog,’ zei Egwene, die de aandacht op zich vestigde. ‘Maar ik denk dat wat je hier probeert te doen je macht te boven gaat, Rhand Altor. Je kunt de menselijke aard niet veranderen en je kunt de wereld niet aan je grillen onderwerpen. Laat mensen hun leven leiden en hun eigen pad kiezen.’
‘Nee, dat doe ik niét, Egwene,’ kaatste Rhand terug. Er was vuur in zijn ogen te zien, net zoals toen hij die eerste keer de Aiel aan zijn zijde wilde scharen. Ja, het was een gevoel dat erg bij Rhand paste: frustratie omdat andere mensen de wereld niet zo duidelijk zagen als hij dacht dat hij hem zag.
‘Ik zie niet in wat je anders kunt doen,’ zei Egwene. ‘Wil je een keizer aanstellen, iemand die over ons allemaal regeert? Wil je dan een echte tiran worden, Rhand Altor?’
Hij snauwde geen weerwoord. Hij stak zijn hand uit, en een van zijn Asha’man legde er een opgerold vel papier in. Rhand legde het papier op tafel. Hij gebruikte de Kracht om het uit te rollen en vlak te houden.
Het overdreven grote document stond vol met kleine, verkrampte lettertjes, ik noem dit de Vrede van de Draak,’ zei Rhand zacht. ‘En het is een van de drie dingen die ik van jullie eis. Jullie betaling aan mij, in ruil voor mijn leven.’
‘Laat eens zien.’ Elayne reikte ernaar, en Rhand liet haar begaan, want zij wist het document van de tafel te grissen voordat een van de andere verbaasde vorsten kon reageren.
‘Het vergrendelt de grenzen van jullie naties op hun huidige posities,’ vertelde Rhand, die zijn armen weer op zijn rug hield. ‘Het verbiedt landen elkaar aan te vallen, en het vereist de oprichting van een grote school in elke hoofdstad, volledig van fondsen voorzien en met een open deur voor iedereen die wil leren.’
‘Het doet wel meer dan dat,’ zei Elayne, met één vinger op het document terwijl ze het las. ‘Val een ander land aan of begin een klein gewapend grensgeschil, en de andere naties van de wereld hebben de plicht om het aangevallen land te verdedigen. Licht! Tariefbeperkingen om de verstikking van economieën te voorkomen... beperkingen op huwelijken tussen vorsten van verschillende naties, behalve wanneer de twee bewindslijnen duidelijk van elkaar zijn gescheiden... voorwaarden waaronder een edele die een conflict begint zijn land kan worden afgenomen... Rhand, verwacht je nou écht dat we dit ondertekenen?’
‘Ja.’
De verontwaardiging van de vorsten kwam meteen, hoewel Egwene rustig bleef staan en af en toe naar de andere Aes Sedai keek. Ze leken ongerust. En terecht. En dit was nog maar een deel van Rhands ‘prijs’.
De vorsten mompelden, wilden allemaal het document met eigen ogen zien, maar het was beneden hun waardigheid om zich naar voren te wurmen en over Elaynes schouder mee te kijken. Gelukkig had Rhand dit voorzien en werden er kleinere versies van het document uitgedeeld.
‘Maar soms zijn er heel goede redenen voor geschillen!’ zei Darlin, die zijn document bekeek. ‘Zoals om een buffer te leggen tussen jou en een agressieve buur.’
‘Of wat als burgers uit ons land over de grens gaan wonen?’ voegde Gregorin eraan toe. ‘Hebben we niet het recht om in te grijpen en die mensen te beschermen als ze worden onderdrukt? Of wat als iemand land opeist dat van ons is, zoals de Seanchanen? Oorlogen verbieden is belachelijk!’
‘Dat vind ik ook,’ zei Darlin. ‘Heer Draak, we moeten het recht hebben om de landen te verdedigen die rechtmatig aan ons toebehoren!’
‘Ik,’ zei Egwene, dwars door het tumult heen, ‘heb meer belangstelling voor zijn andere twee eisen.’