Выбрать главу

‘Je kent er al een van,’ zei Rhand.

‘De zegels.’

‘Dit document ondertekenen zou niets voorstellen voor de Witte Toren,’ zei Rhand, die kennelijk had besloten haar opmerking te negeren. ‘Ik kan jullie moeilijk verbieden de anderen te beïnvloeden. Dat zou dwaasheid zijn.’

‘Het is nú al dwaasheid,’ zei Elayne. Ze was toch niet meer zo trots op hem.

‘En zolang er politieke spelletjes te spelen zijn,’ vervolgde Rhand tegen Egwene, ‘zullen de Aes Sedai daar altijd meesters in zijn. In feite strekt dit document jullie tot voordeel. De Witte Toren heeft oorlog altijd al kortzichtig gevonden, zoals zij dat noemen. Nee, ik eis iets anders van jullie. De zegels.’

‘Ik ben de Hoedster ervan.’

‘Alleen in naam. Ze zijn nog maar pas ontdekt, en ik bezit ze. Uit eerbied voor je eeuwenoude titel heb ik eerst jou erover benaderd.’ ‘Benaderd? Je hebt geen verzoek gedaan,’ zei ze. ‘Je hebt geen éis gesteld. Je kwam langs, vertelde me wat je ging doen en liep weer weg.’

‘Ik heb de zegels,’ herhaalde hij. ‘En ik zal ze breken. Ik zal niets, zelfs jou niet, tussen mij en het beschermen van deze wereld laten komen.’

Overal om hen heen ging het geruzie over het document door. Vorsten overlegden mompelend met hun vertrouwelingen en buren.

Egwene stapte naar voren en keek Rhand aan over het tafeltje, nu ze allebei even werden genegeerd. ‘Je zult ze niet breken als ik je tegenhoud, Rhand.’

‘Waarom zou je me willen tegenhouden? Geef me één reden waarom ik het niet moet doen.’

‘Eén reden behalve dat het de Duistere zal vrijlaten in de wereld?’ ‘Hij was ook niet vrij tijdens de Oorlog van Kracht,’ wierp Rhand tegen. ‘Hij kon de wereld aanraken, maar hij zal niet bevrijd worden als de Bres wordt geopend. Niet meteen.’

‘En wat gebeurde er toen jullie hem de wereld lieten aanraken? Wat gaat er nu gebeuren? Verschrikkingen, wandaden, verwoesting. Je weet wat er nu al met het land gebeurt. Doden die rondlopen, vreemde vervormingen van het Patroon. En dat terwijl de Zegels alleen nog maar verzwakt zijn! Wat gebeurt er als we ze daadwerkelijk breken? Het Licht alleen weet dat.’

‘Het is een gok die we moeten wagen.’

‘Daar ben ik het niet mee eens. Rhand, je weet niet wat er gebeurt als de zegels breken. Je weet niet of hij dan niet ontsnapt. Je weet niet hoe dicht hij bij een ontsnapping was toen de Bres de vorige keer werd gedicht. Als we die zegels breken, zou dat de hele wereld kunnen vernietigen! Stel dat onze enige hoop ligt in het feit dat hij deze keer gehinderd wordt, niet helemaal vrij is?’

‘Het zal niet werken, Egwene.’

‘Dat wéét je niet. Hoe kun je dat nou weten?’

Hij aarzelde. ‘Vele dingen in het leven zijn onzeker.’

‘Dus je weet het niét,’ zei ze. ‘Nou, ik heb gekeken, gelezen, geluisterd. Heb je het werk gelezen van mensen die zich hierin hebben verdiept, erover hebben nagedacht?’

‘Speculaties van Aes Sedai.’

‘De enige informatie die we hebben, Rhand! Open de kerker van de Duistere en alles kan verloren zijn. We moeten voorzichtig zijn. Daar dient de Amyrlin Zetel voor, en mede om die reden is de Witte Toren ooit opgericht!’

Hij aarzelde daadwerkelijk. Licht, hij dacht na. Drong ze misschien toch tot hem door?

‘Het bevalt me niet, Egwene,’ zei Rhand zacht. ‘Als ik het tegen hem opneem en de zegels zijn niet gebroken, dan kan ik alleen maar weer een onvolmaakte oplossing verzinnen. Een lapmiddel, nog slechter dan de vorige keer. Met die oude, verzwakte zegels smeer ik alleen maar nieuw pleisterwerk over diepe scheuren heen. Wie weet hoe lang de zegels deze keer zullen meegaan? Over een paar eeuwen moeten we ditzelfde gevecht misschien wel weer helemaal opnieuw leveren.’

‘Is dat zo erg?’ vroeg Egwene. ‘We hebben in ieder geval zekerheid. Je hebt de Bres de vorige keer ook verzegeld. Je weet hoe het moet.’

‘Dan kunnen we weer met de smet komen te zitten.’

‘Daar zijn we deze keer op voorbereid. Nee, het zou niet het meest wenselijke zijn. Maar Rhand... wil je deze gok echt wagen? Het lot van alle levende wezens in de waagschaal leggen? Waarom zouden we niet het eenvoudige pad bewandelen, het bekende pad? Repareer de zegels opnieuw. Verstevig de kerker.’

‘Nee, Egwene.’ Rhand stapte achteruit. ‘Licht! Is dit waar het voor jou om draait? Je wilt dat saidin weer besmet raakt. Jullie Aes Sedai... jullie voelen je bedreigd door de gedachte aan mannen die kunnen geleiden, die jullie gezag ondermijnen!’

‘Rhand Altor, zó dom kun je niet zijn.’

Hij keek haar in de ogen. De vorsten leken weinig aandacht te besteden aan dit gesprek, ondanks het feit dat de wereld ervan afhing. Ze bestudeerden Rhands document en mompelden verontwaardigd. Misschien was dat wel zijn bedoeling geweest: hen afleiden met het document en vervolgens de aanval inzetten voor het echte gevecht.

Langzaam trok de woede van zijn gezicht weg, en hij drukte zijn hand tegen zijn slaap. ‘Licht, Egwene. Je kunt het nog steeds, als de zus die ik nooit heb gehad: mijn gedachten in knopen draaien, zorgen dat ik tegen je tekeerga en tegelijkertijd van je hou.’

‘Ik ben in ieder geval consistent,’ zei ze. Ze spraken nu heel zachtjes, over de tafel naar elkaar toe gebogen. Aan de zijkant stonden Perijn en Nynaeve waarschijnlijk dichtbij genoeg om hen te verstaan, en Min had zich bij hen aangesloten. Gawein was teruggekeerd, maar hij hield afstand. Cadsuane liep door de tent en keek – te nadrukkelijk – niet naar hen. Ze luisterde dus mee.

‘Ik voer dit argument niet aan vanuit een of andere dwaze hoop om de smet terug te halen,’ zei Egwene. ‘Je weet best dat ik niet zo in elkaar zit. Dit gaat over het beschermen van de mensheid. Ik kan niet geloven dat je alles in de waagschaal wilt leggen met zo’n grote gok.’

‘Grote gok?’ vroeg Rhand. ‘We hebben het over een onderdompeling in duisternis in plaats van het begin van een nieuwe Eeuw der Legenden. We zouden vrede kunnen hebben, een einde aan het lijden, of we kunnen een volgend Breken krijgen. Licht, Egwene. Ik weet niet zeker of ik de zegels wel zou kunnen repareren, of gelijksoortige nieuwe zou kunnen maken. De Duistere is vast voorbereid op die strategie.’

‘En jij hebt een andere?’

‘Dat heb ik je verteld. Ik breek de zegels om van die oude, onvolmaakte stoplap af te komen en probeer het opnieuw, maar dan anders.’

‘De hele wereld zal boeten als dat mislukt, Rhand.’ Ze dacht even na. ‘Er zit hier meer achter. Wat verzwijg je voor me?’

Rhand aarzelde, en even deed hij haar denken aan het kind dat ooit samen met Mart was betrapt op het stelen van een pastei van vrouw Cauton. ‘Ik ga hem doden, Egwene.’

‘Wie? Moridin?’

‘De Duistere.’

Ze deinsde geschrokken achteruit. ‘Wat? Wat zeg je...’

‘Ik ga hem dóden,’ herhaalde Rhand hartstochtelijk, naar voren gebogen, ik ga een einde maken aan de Duistere. We zullen nooit echt vrede hebben zolang hij er is en op ons loert. Ik scheur die kerker open, ik ga naar binnen en neem het tegen hem op. Ik zal een nieuwe kerker maken als het moet, maar eerst wil ik proberen dit eens en voor altijd te beëindigen. Zodat het Patroon, het Rad, voorgoed beschermd is.’

‘Licht, Rhand, je bent waanzinnig!’

‘Ja. Dat is een deel van de prijs die ik heb betaald. Gelukkig maar. Alleen een man die niet helemaal bij zijn volle verstand is, zou zoiets wagen.’

‘Dit kan ik je niet laten doen, Rhand,’ fluisterde ze. ik laat je niet iedereen hierin meeslepen. Luister naar de stem van de rede. De Witte Toren zou je hierin moeten begeleiden.’

‘Ik ken de begeleiding van de Witte Toren al, Egwene,’ antwoordde hij. ‘In een kist, en elke dag een pak slaag.’

De twee keken elkaar over de tafel heen strak aan. Rondom hen ging het geruzie door.

‘Ik wil dit best ondertekenen,’ zei Tenobia. ik vind het er goed uitzien.’

‘Bah!’ grauwde Gregorin. ‘Jullie Grenslanders hebben geen enkele belangstelling voor zuidelijke politiek. Jij wilt dit ondertekenen? Nou, fijn voor je. Maar ik keten mijn land niet aan de muur vast.’