‘Merkwaardig,’ zei Easar. De rustige man schudde zijn hoofd en zijn witte knot wiebelde mee. ‘Voor zover ik begrepen heb, is het niet jouw land, Gregorin. Behalve als je aanneemt dat de heer Draak zal sterven en dat Mattin Stepaneos zijn troon niet terug zal eisen. Hij zou misschien bereid zijn de Draak de Bladerkroon te laten dragen, maar jou niet, daar ben ik van overtuigd.’
‘Is dit niet allemaal zinloos?’ vroeg Alliandre. ‘De Seanchanen zijn nu toch onze voornaamste zorg? Er kan nooit vrede bestaan zolang zij er zijn.’
‘Ja,’ zei Gregorin. ‘De Seanchanen en die vervloekte Witmantels.’ ‘Wij ondertekenen het,’ zei Galad. Om de een of andere reden stond hij met de officiële versie van het document in zijn handen. Egwene keek niet naar hem. Ze moest moeite doen om niet te staren. Ze hield van Gawein, en niet van Galad, maar... nou... het viel niet mee om niet naar hem te staren.
‘Mayene zal het ook ondertekenen,’ verklaarde Berelain. ik vind de wensen van de heer Draak volkomen gerechtvaardigd.’
‘Natuurlijk zou jij het ondertekenen.’ Darlin snoof. ‘Mijn heer Draak, dit document lijkt ontworpen om de belangen van sommige naties beter te beschermen dan die van andere.’
‘Ik wil horen wat die derde eis van hem is,’ zei Roedran. ‘Ik heb geen belangstelling voor dat geklets over de zegels, dat zijn zaken van de Aes Sedai. Hij zei dat hij drie eisen had, en we hebben er pas twee gehoord.’
Rhand trok zijn wenkbrauw op. ‘De derde en laatste prijs – het laatste wat jullie me moeten betalen in ruil voor mijn leven op de hellingen van Shayol Ghul – is dit: ik voer jullie legers aan tijdens de Laatste Slag. Als enige. Jullie doen wat ik zeg, gaan waar ik zeg, vechten waar ik het zeg.’
Hierop brak nog meer tumult uit. Het was overduidelijk de minst ongehoorde van de drie eisen, maar het was onmogelijk, om redenen die Egwene al had vastgesteld.
De vorsten reageerden alsof hun soevereiniteit werd aangevallen. Gregorin loerde naar Rhand, zijn eerbied zo goed als verdwenen. Wat grappig was, want hij had het minste gezag van hen allemaal. Darlin schudde zijn hoofd, en Elaynes ogen spoten vuur.
Degenen die aan Rhands kant stonden, gingen ertegenin, voornamelijk de Grenslanders. Ze zijn wanhopig, dacht Egwene. Zij worden onder de voet gelopen. Ze dachten waarschijnlijk dat als het bevel in handen van de Draak kwam, hij de legers meteen naar de Grenslanden zou leiden om die te verdedigen. Darlin en Gregorin zouden daar nooit mee instemmen. Niet terwijl de Seanchanen hen in de nek hijgden.
Licht, wat een puinhoop.
Egwene luisterde naar de argumenten en hoopte dat Rhand ongedurig zou worden. Ooit was dat misschien gebeurd. Nu stond hij erbij te kijken, met zijn armen op zijn rug. Zijn gezicht stond sereen, hoewel ze er steeds meer van overtuigd raakte dat dat een masker was. Ze had glimpen opgevangen van zijn opvliegendheid. Rhand had zichzelf nu beslist beter in de hand, maar hij was geenszins gevoelloos.
Egwene merkte warempel dat ze glimlachte. Ondanks al zijn geklaag over de Aes Sedai, ondanks zijn aandringen dat hij zich niet door hen zou laten beheersen, begon hij zich meer en meer te gedragen als een van hen.
Ze stond op het punt het woord te nemen, maar er veranderde iets in de tent. Een... gevoel in de lucht. Haar blik werd naar Rhand getrokken. Er waren buiten geluiden te horen, maar ze kon ze niet plaatsen. Een licht gekraak? Wat dééd hij?
Het geruzie stierf weg. Een voor een draaiden de vorsten zich naar hem om. Het zonlicht vervaagde, en Egwene was blij met de lichtbollen die hij had gemaakt.
‘Ik heb jullie nodig,’ zei Rhand zachtjes tegen de aanwezigen. ‘Het land heeft jullie nodig. Jullie ruziën, en ik wist dat jullie dat zouden doen, maar we hebben geen tijd meer voor geruzie. Jullie kunnen me niet van mijn voornemens afbrengen. Jullie kunnen me niet dwingen jullie te gehoorzamen. Geen spierkracht, geen weving van de Ene Kracht kan me dwingen het voor jullie tegen de Duistere op te nemen. Ik moet dit uit eigen beweging doen.’
‘Zou u hiervoor werkelijk de wereld op het spel zetten, heer Draak?’ vroeg Berelain.
Egwene glimlachte. Die lichtekooi leek ineens niet meer zo overtuigd van de kant die ze had gekozen.
‘Dat zal niet nodig zijn,’ antwoordde Rhand. ‘Jullie gaan dit verdrag ondertekenen. Zo niet, dan betekent dat de dood.’
‘Dus het is afpersing,’ snauwde Darlin.
‘Nee,’ zei Rhand. Hij keek glimlachend naar het Zeevolk, dat bij Perijn stond en nog weinig had gezegd. Ze hadden alleen het document gelezen en tegen elkaar geknikt alsof ze onder de indruk waren. ‘Nee, Darlin. Het is geen afpersing... het is een regeling. Ik heb iets wat jullie willen, iets wat jullie nodig hebben. Mezelf. Mijn bloed. Ik zal sterven. Dat wisten we allemaal van het begin af aan, want de voorspellingen eisen het. Ik wil jullie geven wat jullie van me wensen, maar alleen in ruil voor een erfgoed van vrede, als tegenwicht voor het erfgoed van vernietiging dat ik de wereld de vorige keer naliet.’
Hij keek rond, keek elke vorst afzonderlijk aan. Egwene voelde zijn vastberadenheid bijna als iets stoffelijks. Misschien kwam het door zijn aard als ta’veren, of misschien gewoon door de gewichtigheid van dit ogenblik. De luchtdruk in het paviljoen nam toe en maakte het ademhalen lastig.
Hij krijgt het voor elkaar, dacht ze. Ze zullen wel klagen, maar ze zullen buigen.
‘Nee,’ zei Egwene luid, en haar stem kliefde door de lucht. ‘Nee, Rhand Altor, we laten ons niet koeioneren om je document te ondertekenen, om jou als enige de leiding te geven over deze strijd. En je bent een grote dwaas als je verwacht dat ik geloof dat je de hele wereld – je vader, je vrienden, al diegenen die je liefhebt, de hele mensheid – door Trolloks zou laten afslachten als we tegen je wensen ingaan.’
Hij keek haar in de ogen, en ineens wist ze het niet meer zeker. Licht, hij zou toch niet écht weigeren? Zou hij echt de wereld opofferen?
‘Waag je het de heer Draak een dwaas te noemen?’ vroeg Narishma.
‘Zó spreekt men niet tot de Amyrlin,’ zei Silviana, die naast Egwene kwam staan.
Het geruzie begon weer, deze keer luider. Rhand bleef Egwene in de ogen kijken, en ze zag de blos van woede op zijn gezicht verschijnen. Het geroep zwol aan, de spanning steeg. Chaos. Woede. Oude geschillen die weer opvlamden, gevoed door doodsangst.
Rhand legde zijn hand op het zwaard dat hij tegenwoordig bij zich droeg – met draken op de schede – en hield zijn andere arm op zijn rug.
‘Ik zal mijn prijs krijgen, Egwene,’ grauwde hij.
‘Eis wat je wilt, Rhand. Jij bent niét de Schepper. Als je met deze dwaasheid de Laatste Slag in gaat, zijn we toch allemaal dood. Maar als ik me tegen je verzet, dan bestaat er nog een mogelijkheid dat ik je van gedachten kan laten veranderen.’
‘Altijd is de Witte Toren een speer op mijn keel geweest,’ snauwde Rhand. ‘Altijd, Egwene. En nu ben je echt een van hen geworden.’
Ze keek hem strak aan. Vanbinnen begon ze echter haar overtuiging te verliezen. Stel dat deze onderhandelingen inderdaad opbraken? Zou ze echt haar soldaten tegen die van Rhand laten strijden?
Ze had het gevoel dat ze boven aan een ravijn over een steen was gestruikeld en naar de afgrond toe duikelde. Er moest een mogelijkheid zijn om hier een einde aan te maken, om hier nog iets te redden!
Rhand begon zich om te draaien. Als hij het paviljoen verliet, zou het afgelopen zijn.
‘Rhand!’ riep ze.
Hij verstijfde. ‘Ik bind niet in, Egwene.’
‘Doe dit niet,’ zei ze. ‘Gooi niet alles weg.’
‘Er is niets aan te doen.’
‘Jawel! Je moet alleen voor één keer ophouden zo’n door het Licht gebrande, wolkoppige, eigenwijze dwaas te zijn!’
Egwene stapte achteruit. Hoe had ze hem kunnen aanspreken alsof ze weer in Emondsveld waren, toen ze elkaar net kenden?
Rhand staarde haar even aan. ‘Nou, jij zou ook een keer kunnen ophouden dat verwende, zelfingenomen, onvervalste wicht te zijn, Egwene.’ Hij stak zijn armen omhoog. ‘Bloed en as! Dit was tijdverspilling.’