‘Maar dit... dit gaat niet over smeden...’
‘Natuurlijk wel,’ zei Perijn. Hoe kon Rhand dat nou niet inzien?
Rhand draaide zich om en liet kennelijk zijn weving los. Hij beende naar het tafeltje toe en stak het document uit naar een van zijn klerken achter in het paviljoen, ‘Ik wil twee bepalingen toegevoegd hebben. Ten eerste is dit document ongeldig als het niet is ondertekend door ofwel de Seanchaanse Dochter van de Negen Manen of de Keizerin. Ten tweede moeten... de Aiel — alle Aiel behalve de Shaido – in dit document worden opgenomen als handhavers van de vrede en bemiddelaars bij geschillen tussen naties. Elke natie mag zich tot hen wenden als er mogelijk sprake is van een schending van het verdrag, en de Aiel – geen vijandelijke legers – zullen voor herstel zorgen. Zij mogen misdadigers over landsgrenzen achtervolgen. Ze zijn wel onderworpen aan de wetten van de naties waarin ze zich ophouden, maar ze zijn geen onderdanen van die natie.’
Hij wendde zich tot Elayne. ‘Daar is je handhaving, Elayne, om te zorgen dat de druk zich niet opbouwt.’
‘De Aiel?’ vroeg ze sceptisch.
‘Ga je hiermee akkoord, Rhuarc?’ vroeg Rhand. ‘Bael, Jheran, jullie allemaal? Jullie beweren geen doel meer te hebben, en Perijn ziet jullie als gereedschap dat ingezet moet worden. Nemen jullie dit op je? Om oorlog te voorkomen, om overtreders te straffen, om samen te werken met de vorsten van de naties ten gunste van de gerechtigheid?’
‘Gerechtigheid zoals wij dat zien, Rhand Altor,’ vroeg Rhuarc, ‘of zoals zij dat zien?’
‘Het zal in overeenstemming moeten zijn met het geweten van de Aiel,’ antwoordde Rhand. ‘Als ze jullie oproepen, moeten ze weten dat ze jullie gerechtigheid zullen krijgen. Dit zal niet lukken als de Aiel alleen maar speelpoppen worden. Jullie autonomie is datgene wat deze regeling effectief zal maken.’
Gregorin en Darlin begonnen te klagen, maar Rhand legde ze met een blik het zwijgen op.
Perijn knikte in zichzelf en sloeg zijn armen over elkaar. Hun klachten klonken nu zwakker dan voorheen. Hij glimlachte... hij rook bij veel mensen bedachtzaamheid.
Ze zien dit als een mogelijkheid, besefte hij. Ze zien de Aiel als wilden en denken dat die eenvoudig te manipuleren zullen zijn zodra Rhand er niet meer is. Perijn grijnsde, wetend hoe ze zouden afgaan als ze die weg in sloegen.
‘Dit is wel heel plotseling,’ klaagde Rhuarc.
‘Welkom aan de dis,’ zei Elayne, die nog altijd vernietigende blikken op Rhand wierp. ‘Probeer de soep eens.’ Vreemd genoeg rook ze tróts. Merkwaardige vrouw.
‘Ik waarschuw je, Rhuarc,’ zei Rhand. ‘Je zult je leven moeten veranderen. De Aiel zullen in deze zaken moeten samenwerken. De hoofdmannen en Wijzen zullen overleg moeten voeren om samen tot beslissingen te komen. Eén clan kan geen slag leveren terwijl andere clans het ermee oneens zijn en voor de andere partij vechten.’
‘We zullen erover praten,’ zei Rhuarc, knikkend naar de andere Aielhoofdmannen. ‘Dit zal het einde betekenen van de Aiel.’
‘En een begin,’ zei Rhand.
De clanhoofden en Wijzen van de Aiel schoolden samen en overlegden op gedempte toon. Aviendha bleef staan, en Rhand staarde bezorgd voor zich uit. Perijn hoorde hem iets fluisteren, zo zacht dat zijn oren het maar amper opvingen.
‘... nu jouw droom... als je ontwaakt uit dit leven, zullen wij er niet meer zijn...’
Rhands klerken gaven een gejaagde geur af toen ze naar voren kwamen om de aanvullingen in het document aan te brengen. De vrouw, Cadsuane, bekeek alles met een streng gezicht.
Ze rook ontzettend trots.
‘Voeg nog een bepaling toe,’ zei Rhand. ‘De Aiel kunnen andere naties oproepen om hen te helpen bij de handhaving als ze denken dat hun eigen aantallen niet groot genoeg zijn. Geef formele wegen aan die naties moeten bewandelen als ze de Aiel willen verzoeken om ingrijpen of om toestemming voor het aanvallen van een vijand.’ De klerken knikten en werkten nog wat harder.
‘Je doet alsof dit al geregeld is,’ zei Egwene, kijkend naar Rhand.
‘O, verre van,’ zei Moiraine. ‘Rhand, ik heb nog een paar woorden voor je.’
‘Zijn het woorden die me zullen bevallen?’ vroeg hij.
‘Ik vermoed van niet. Zeg eens, waarom moet jij zelf het bevel voeren over de legers? Je reist naar Shayol Ghul, waar je ongetwijfeld niet in staat zult zijn om contact met iemand te onderhouden.’
‘Iemand moet het bevel voeren, Moiraine.’
‘Ja, daarover zijn we denk ik het allemaal wel eens.’
Rhand legde zijn armen op zijn rug en rook ongerust, ‘Ik heb de verantwoording genomen voor dit volk, Moiraine. Ik wil dat er voor hen wordt gezorgd, dat de wreedheden van deze slag zo veel mogelijk worden beperkt.’
‘Ik vrees dat dat een slechte reden is om een strijd aan te voeren,’ zei Moiraine zacht. ‘Je vecht niet om je soldaten te redden, je vecht om te winnen. Die leider hoef jij niet te zijn, Rhand. Die leider zou jij niet móéten zijn.’
‘Ik wil niet dat deze slag in een chaos uitmondt, Moiraine,’ zei hij. ‘Als je wist welke fouten we de vorige keer hebben gemaakt, de verwarring die kan ontstaan als iedereen denkt dat hij de leiding heeft. Een oorlog is altijd chaotisch, maar toch zullen we een opperbevelhebber nodig hebben om besluiten te nemen en te proberen de chaos in banen te leiden.’
‘Wat dacht je van de Witte Toren?’ vroeg Romanda, die zo plotseling naast Egwene stapte dat ze haar bijna opzij duwde. ‘Wij hebben de middelen om efficiënt te Reizen tussen fronten, wij houden het hoofd koel in tijden waar anderen aan onderdoor zouden gaan, en we worden door alle naties vertrouwd.’
Dat laatste was aanleiding tot een opgetrokken wenkbrauw van Darlin.
‘De Witte Toren lijkt inderdaad de beste keus, heer Draak,’ voegde Tenobia eraan toe.
‘Nee,’ besloot Rhand. ‘De Amyrlin is vele dingen, maar geen generaal... Het lijkt me geen verstandige keus.’
Vreemd genoeg zei Egwene niets. Perijn bekeek haar onderzoekend. Hij zou denken dat ze de kans om zelf de oorlog te leiden met beide handen zou aangrijpen.
‘Het zou een van ons moeten zijn,’ zei Darlin. ‘Gekozen uit degenen die hier ten strijde zullen trekken.’
‘Misschien,’ zei Rhand. ‘Zolang jullie het er maar allemaal over eens zijn wie de leiding heeft, wil ik op dat punt wel toegeven. Jullie moeten echter wel aan mijn andere eisen tegemoetkomen.’
‘Blijf je volhouden dat je de zegels moet breken?’ vroeg Egwene.
‘Maak je geen zorgen, Egwene,’ zei Moiraine glimlachend. ‘Hij gaat die zegels niet breken.’
Rhands gezicht betrok.
Egwene glimlachte.
‘Jij gaat ze breken,’ zei Moiraine vervolgens tegen Egwene.
‘Wat? Natuurlijk niet!’
‘Jij bent de Hoedster van de Zegels, Moeder,’ zei Moiraine. ‘Heb je niet gehoord wat ik eerder zei? “Het zal geschieden dat wat de mensen hebben gemaakt zal worden gebróken, en de Schaduw zal over het Patroon van de Eeuw liggen, en de Duistere zal zijn hand weer op de wereld van de mens leggen...” Het moet gebeuren.’
Egwene leek verontrust.
‘Dit had je al gezien, of niet?’ fluisterde Moiraine. ‘Wat heb je gedroomd, Moeder?’
Egwene antwoordde niet meteen.
‘Wat heb je gezien?’ drong Moiraine aan, en ze stapte dichter naar haar toe.
‘Zijn voeten knerpten ergens over,’ zei Egwene, terwijl ze Moiraine in de ogen staarde. ‘Terwijl hij liep, stapten Rhands voeten op de scherven van de kerker van de Duistere. Ik zag hem in een andere droom, erop inhakkend om hem te openen. Maar ik heb hem de kerker niet daadwerkelijk zien openen, Moiraine.’
‘De scherven lagen er, Moeder,’ zei Moiraine. ‘De zegels waren gebroken.’
‘Dromen zijn onderhevig aan interpretatie.’
‘Je kent de waarheid van deze droom. Het moet gebeuren, en de zegels zijn van jou. Jij zult ze breken, als de tijd daar is. Rhand, Herrezen Draak, het wordt tijd om ze aan haar te geven.’
‘Dit bevalt me niks, Moiraine,’ zei hij.
‘Dan is er niet veel veranderd, hè?’ vroeg ze luchtig. ‘Je hebt je wel vaker verzet tegen de dingen die je zou moeten doen. Vooral wanneer ik degene was die je erop wees.’