Выбрать главу

‘Aviendha heeft gelijk,’ zei Amys. ‘De Aiel zullen niét tegen de Seanchanen vechten.’

Rhuarc keek geschrokken tussen de twee heen en weer.

‘Ze hebben verschrikkelijke dingen gedaan,’ zei Rhand, ‘maar tot nu toe varen de landen die ze hebben veroverd wel bij hun sterke leiderschap. Als het echt moet, ben ik bereid ze de landen te laten houden die ze hebben, zolang ze zich niet verder verspreiden. Wat de vrouwen betreft... wat gebeurd is, is gebeurd. Laten we ons eerst zorgen maken om de hele wereld, en dan later doen wat we kunnen voor die gevangen vrouwen.’

Elayne hield het document nog even vast, misschien voor het effect, en toen boog ze zich naar voren en schreef zwierig haar naam onderaan.

‘Het is gebeurd,’ zei Moiraine toen Rhand het document pakte. ‘Deze keer krijg je vrede, heer Draak.’

‘Eerst moeten we overleven.’ Hij hield het document eerbiedig vast. ik verlaat jullie nu, zodat jullie je voorbereidingen kunnen treffen voor de strijd. Ik moet nog wat dingen regelen, waaronder Seanchan, voordat ik naar Shayol Ghul ga. Ik heb echter nog wel een verzoek aan jullie. Een goede vriend heeft ons nodig...’

Vurige bliksems trokken sporen door de bewolkte hemel. Ondanks de schaduw liep het zweet langs Lans nek en plakte zijn haar onder zijn helm tegen zijn hoofd. Hij had al jaren geen helm meer gedragen. In zijn tijd met Moiraine hadden ze niet mogen opvallen, en helmen waren opvallend.

‘Hoe... hoe erg is het?’ Andère trok een grimas, drukte zijn hand tegen zijn zij en leunde tegen een rotsblok.

Lan draaide zich om en overzag de strijd. Het Schaduwgebroed verzamelde zich weer. Die monsters leken in de warme, vochtige lucht haast wel in elkaar op te gaan, in elkaar over te lopen als één gigantische, duistere massa van jankende, walmende haat.

‘Erg,’ antwoordde Lan.

‘Wist ik wel,’ zei Andère, snel in- en uitademend terwijl het bloed tussen zijn vingers door sijpelde. ‘Nazar?’

‘Dood.’ De witharige man was neergegaan in dezelfde aanval die Andère bijna het leven had gekost. Lan had hem niet meer kunnen redden, ik zag hem nog een Trollok de pens openhalen terwijl dat monster hem doodde.’

‘Moge de laatste omhelzing van de moeder...’ Andère verkrampte van pijn. ‘Moge de...’

‘Moge de laatste omhelzing van de moeder je thuis verwelkomen,’ zei Lan zachtjes.

‘Kijk niet zo naar me, Lan,’ zei Andère. ‘We wisten allemaal wat dit zou worden toen we... toen we ons bij je aansloten.’

‘Daarom probeerde ik jullie ook tegen te houden.’

Andère fronste, ik...’

‘Rustig, Andère,’ zei Lan, en hij stond op. ‘Wat ik wilde was zelfzuchtig. Ik kwam hier om te sterven voor Malkier. Ik heb niet het recht om anderen datzelfde te ontzeggen.’

‘Heer Mandragoran!’ Prins Kaisel kwam aanrijden, zijn ooit zo mooie pantser gedeukt en besmeurd met bloed. De Kandoraanse prins zag er nog steeds te jong uit voor deze strijd, maar hij had bewezen even koelbloedig te zijn als elke doorgewinterde veteraan. ‘Ze stellen zich weer op.’

Lan liep over de rotsige grond naar een verzorger die Mandarb voor hem vasthield. De zwarte hengst had wonden in zijn flanken van Trollok-wapens. Het Licht zij dank waren ze oppervlakkig. Lan legde zijn hand op de hals van het paard toen Mandarb snoof. Verderop hief zijn vaandeldrager de vlag van Malkier, de gouden kraanvogel. Dit was al zijn vijfde vaandeldrager sinds gisteren.

Lans troepen hadden de Kloof in handen gekregen bij hun eerste bestorming, waarmee ze het Schaduwgebroed achteruit hadden gedwongen voordat ze de vallei in konden komen. Dat was meer dan Lan had verwacht. De Kloof was een lange, smalle reep rotsachtige grond, genesteld tussen kartelige hellingen en pieken.

Voor het vasthouden van deze positie was geen slimheid nodig. Je bleef staan, je stierf, en je doodde, zo lang als je kon.

Lan had een eenheid cavalerie onder zijn bevel. Die was niet heel geschikt voor dit soort werk, want ruiters werkten het beste als ze zich konden uitspreiden en de ruimte hadden om aan te vallen. Maar de doorgang van Tarwins Kloof was zo smal dat slechts een klein aantal Trolloks er tegelijkertijd doorheen kon komen. Dat bood mogelijkheden. Het was in ieder geval lastiger voor de Trolloks om hun grotere aantallen ten volle te benutten. Ze zouden flink moeten boeten voor elke voet terrein die ze wonnen.

De karkassen van Trolloks hadden een bijna vachtachtige deken gevormd op de bodem van het ravijn. Elke keer als die schepsels probeerden door de Kloof te dringen, hielden Lans mannen ze tegen met lansen en paalwapens, zwaarden en pijlen. Ze hadden er al duizenden afgeslacht en laten liggen, zodat hun kornuiten eroverheen moesten klimmen. Maar elke schermutseling kostte ook Lan weer mannen.

Elke aanval dwong zijn mannen om zich een stukje verder terug te trekken naar de ingang van de Kloof. Ze waren er nu geen honderd voet meer bij vandaan.

Lan voelde de vermoeidheid diep in zijn botten.

‘Onze troepen?’ vroeg Lan aan prins Kaisel.

‘Misschien zesduizend die nog kunnen rijden, Dai Shan.’

Minder dan de helft dan waar ze de vorige dag mee waren begonnen. ‘Laat ze opstijgen.’

Kaisel keek geschokt. ‘Gaan we ons terugtrekken?’

Lan keek de jongen aan.

Kaisel verbleekte. Lan had wel eens gehoord dat zijn blik elke man van zijn stuk kon brengen. Moiraine grapte vaak dat hij een wedstrijdje staren van een steen kon winnen en dat hij het geduld had van een eikenboom. Nou, hij voelde zich niet zo zeker van zichzelf als mensen dachten, maar die jongen had beter moeten weten dan te vragen of ze zich terugtrokken.

‘Natuurlijk,’ zei Lan, ‘en dan gaan we aanvallen.’

‘Aanvallen?’ vroeg Kaisel. ‘We zijn in het defensief!’

‘Ze vegen ons eruit,’ zei Lan, die zich in Mandarbs zadel hees. ‘We zijn uitgeput, afgemat en bijna gebroken. Als we hier blijven staan en ze nog eens op ons af laten komen, sneuvelen we zonder meer.’ Lan wist wanneer iets hopeloos was.

‘Geef die bevelen door,’ droeg hij prins Kaisel op. ‘We trekken ons langzaam terug uit de pas. Laat de rest van de troepen zich verzamelen op de vlakte. Zorg dat ze te paard zitten en klaar zijn om het Schaduwgebroed aan te vallen als ze uit de Kloof komen. Een bestorming zal veel schade aanrichten. Ze zullen niet weten wat ze overkomt.’

‘Worden we niet omsingeld en onder de voet gelopen als we de pas verlaten?’ vroeg Kaisel.

‘Dit is het beste wat we kunnen doen met de middelen die we hebben.’

‘En dan?’

‘En dan breken ze uiteindelijk door, hakken onze soldaten aan stukken en lopen ons onder de voet.’

Kaisel bleef even stil zitten, maar toen knikte hij. Wederom was Lan onder de indruk. Hij had aangenomen dat die jongen met hem mee was gegaan op zoek naar de roem van de strijd, om te vechten aan de zijde van Dai Shan en hun vijanden weg te vagen. Maar nee. Kaisel was tot op het bot een Grenslander. Hij was hier niet gekomen voor roem. Hij was gekomen omdat hij moest. Goeie knul.

‘Geef het bevel nu. De mannen zullen blij zijn om weer te paard te zitten.’ Te veel strijders waren gedwongen geweest te voet te vechten omdat de nauwe Kloof te weinig bewegingsvrijheid bood.

Kaisel gaf de bevelen, en die bevelen spoedden zich als een herfst-brand door Lans gelederen heen. Lan draaide zich om en zag dat Andère door Buien in het zadel werd geholpen.

‘Andère?’ zei Lan, terwijl hij Mandarb naar hem toe dreef. ‘Jij kan zo niet rijden. Ga naar de gewonden in het achterste kamp.’

‘Zodat ik straks daarachter lig en die Trolloks mij komen afslachten nadat ze met jullie klaar zijn?’ Andère boog zich een beetje wankel naar voren in het zadel, en Buien keek bezorgd naar hem. Maar Andère wuifde hem weg en werkte zich weer overeind. ‘We hebben de berg al verzet, Lan. Laten we dat veertje nog even wegblazen, dan is het klaar.’

Lan kon daar niets tegen inbrengen. Hij riep de mannen voor hem en in de pas op tot de aftocht. Zijn overgebleven mannen kwamen om hem heen rijden en ze gingen langzaam achteruit naar de vlakte.