Выбрать главу

De Trolloks joelden en schreeuwden opgewonden. Ze wisten dat ze dit gevecht gemakkelijk konden winnen als ze eenmaal van de rotswanden die hun bewegingen beperkten verlost waren.

Lan en zijn kleine leger verlieten de krappe Kloof en de mannen renden naar hun paarden, die bij de ingang stonden.

De Trolloks hadden – voor één keer – geen aansporing nodig van de Myrddraal om aan te vallen. De rotsige grond beefde onder hun voetstappen.

Enkele honderden meters buiten de Kloof hield Lan Mandarb in en draaide zich om. Andère bracht zijn paard met moeite naast dat van Lan, en de andere ruiters sloten zich bij hen aan en stelden zich op in lange rijen. Buien wendde zijn rijdier en draafde naar de andere kant.

De storm van Schaduwgebroed naderde het einde van de Kloof, een aanstormend leger van duizenden Trolloks die zo meteen op open terrein zouden aankomen, voor het eerst sinds de strijd was begonnen.

Lans soldaten stonden zwijgend om hem heen opgesteld. Velen van hen waren oude mannen, de laatste overblijfselen van hun gevallen koninkrijk. Hoewel hun leger de smalle Kloof had weten af te sluiten, leek het piepklein op de veel grotere vlakte.

‘Bulen,’ zei Lan.

‘Ja, heer Mandragoran?’

‘Je beweert dat je me jaren geleden in de steek hebt gelaten.’

‘Ja, heer. Het...’

‘Al je eventuele falen is vergeten,’ zei Lan, die zijn blik naar voren gericht hield, ik ben er trots op dat ik je de hadori heb gegeven.’

Kaisel kwam aanrijden en knikte naar Lan. ‘We zijn klaar, Dai Shan.’

‘Dit is het beste,’ zei Andère grimassend, met zijn hand tegen zijn wond gedrukt en amper in staat in het zadel te blijven.

‘Het is wat zijn moet,’ zei Lan. Geen ontkenning. Niet helemaal.

‘Nee,’ zei Andère. ‘Het is meer dan dat, Lan. Malkier is net een boom die zijn wortels is verloren aan witwormen, waardoor de takken langzaam verwelken. Ik word liever in één klap verbrand.’

‘Ik val liever aan,’ zei Bulen, en zijn stem klonk ferm. ‘Ik val liever nu aan dan dat ze ons onder de voet lopen. Laten we sterven in de aanval, terwijl onze zwaarden naar ons thuisland wijzen.’

Lan knikte, draaide zich om en hief zijn zwaard hoog boven zijn hoofd. Hij gaf geen toespraak; die had hij al gegeven. De mannen wisten wat dit was. Nog één aanval nu ze nog een beetje kracht hadden. Het zou wel degelijk iets betekenen. Minder Schaduwgebroed dat de beschaafde landen kon bestormen. Minder Trolloks die weerloze mensen konden doden.

De zee van vijanden leek eindeloos. Een kwijlende, stampende bende zonder orde of beheersing. Vleesgeworden razernij en vernietiging. Duizenden en nog eens duizenden monsters. Ze kwamen naar voren als water uit een doorgebroken dijk en stroomden de Kloof uit.

Lans legertje was slechts een kiezel op hun pad.

De mannen hieven zwijgend hun zwaarden naar hem in een laatste groet.

‘Nu!’ brulde Lan. Nu, terwijl ze zich beginnen te verspreiden. Dat zal de meeste schade aanrichten. Lan dreef Mandarb voorwaarts en ging voorop, de helling af.

Andère galoppeerde naast Lan en klemde zich met beide handen aan zijn zadelknop vast. Hij deed geen poging om een wapen te heffen, want dan zou hij uit zijn zadel vallen.

Nynaeve was te ver weg en Lan voelde niet veel van haar door de binding, maar soms kwamen heel sterke gevoelens ondanks de afstand toch door. Hij probeerde vertrouwen uit te stralen, voor het geval dat haar bereikte. Trots op zijn mannen. Liefde voor haar. Hij wenste vurig dat dat de laatste dingen waren die ze zich van hem zou herinneren.

Mijn arm zal het zwaard zijn...

De paardenhoeven klepperden op de grond. De Trolloks joelden uitgelaten toen ze beseften dat hun prooi een aftocht had omgezet in een bestorming die recht in hun klauwen zou lopen.

Mijn borst zal een schild zijn...

Lan hoorde een stem, de stem van zijn vader sprak die woorden uit. Dat was dwaas, natuurlijk. Lan was nog maar een zuigeling geweest toen Malkier was gevallen.

Ter verdediging van de Zeven Torens...

Lan had de Zeven Torens die standhielden tegen de Verwording nooit gezien. Hij had er alleen verhalen over gehoord.

Om de duisternis op afstand te houden...

De paardenhoeven klonken als de donder. Zo luid, luider dan hij voor mogelijk had gehouden. Hij bleef rechtop zitten, met zijn zwaard vooruit.

Ik zal standhouden terwijl alle anderen vallen.

De naderende Trolloks staken speren naar voren toen de afstand tussen de twee legers verkleinde.

Al Chalidholara Malkier. Voor mijn geliefde Malkier.

Het was de eed die een Malkierse soldaat aflegde als hij voor het eerst langs de Grens werd opgesteld. Lan had die eed nooit uitgesproken.

Hij deed dat nu in zijn hart.

‘Al Chalidholara Malkier!’ schreeuwde Lan. ‘Lansen vooruit!’ Licht, wat waren die hoefslagen luid! Konden zesduizend man wel zoveel lawaai maken? Hij draaide zich om en keek achter zich.

Er reden minstens tienduizend man.

Wat?

Hij dreef Mandarb voorwaarts, ondanks zijn verbazing.

‘Voorwaarts, Gouden Kraanvogel!’

Stemmen, geroep, geschreeuw van moed en vreugde.

De lucht links voor hen spleet zich in een plotselinge verticale opening. Een Poort van drie dozijn passen breed – de grootste die Lan ooit had gezien – opende zich vanaf een plek die zo licht was als de zon. Vanaf de andere kant stroomde, schóót het licht op hen toe. Mannen in volledige bepantsering galoppeerden de Poort uit en reden mee aan Lans flank. Ze droegen de vlag van Arafel.

Nog meer Poorten. Drie, toen vier, toen een dozijn. Elk ervan doorbrak de coördinatie van het veld doordat aanstormende ruiters zich met vooruitgestoken lansen en de vlaggen van Saldea, Arafel en Kandor bij elkaar voegden. Binnen een paar tellen was zijn bestorming met zesduizend man er een van honderdduizend geworden.

Trolloks in de frontlinies schreeuwden, en een enkeling hield op met rennen. Sommige bleven doorgaan, met hun speren vooruitgestoken om aanstormende paarden te doorboren. Daarachter duwden andere razende hordes – die niet konden zien wat er vooraan gebeurde – gretig door, zwaaiend met grote zwaarden met vreemde zeisachtige klingen en tweekoppige strijdbijlen.

De voorhoede van Trolloks met speren ontplofte.

Van ergens achter Lan begonnen Asha’man wevingen naar voren te sturen die de aarde openscheurden en de voorste rijen Trolloks volledig vernietigden. Toen hun karkassen tegen de grond gingen, stonden de middelste rangen ineens geheel onbeschermd tegenover een storm van hoeven, zwaarden en lansen.

Lan dook er zwaaiend met zijn zwaard midden in en Mandarb beukte tegen de grauwende Trolloks aan. Andère lachte.

‘Achteruit, stommeling!’ riep Lan zijn vriend toe terwijl hij uithaalde naar Trolloks. ‘Stuur de Asha’man naar onze gewonden, laat ze het kamp beschermen!’

‘Ik wil je zien lachen, Lan!’ riep Andère, die zich vasthield aan zijn zadel. ‘Laat voor één keer eens wat meer gevoel zien dan een steen! Dat lijkt me nu wel gerechtvaardigd!’

Lan keek naar de slag waarvan hij nooit had gedacht dat hij die zou winnen. Hun laatste wanhoopspoging sloeg om in een veelbelovende strijd. En toen kon hij er niets meer tegen doen. Hij glimlachte niet alleen, hij lachte hardop.

Andère draaide zich om. Eindelijk gaf hij gehoor aan het bevel en reed weg om zich te laten Helen en de achterste gelederen te organiseren.

‘Bulen,’ riep Lan. ‘Til mijn banier hoog op! Malkier lééft vandaag!’

7

In het gewoel

Na de bijeenkomst stapte Elayne het paviljoen uit en stuitte op een groepje bomen. Het waren er een stuk of twaalf. En niet zomaar bomen: het waren dikke, torenhoge, gezonde, prachtige bomen. Ze zou zich hebben geschaamd voor hoe ze verstijfde en er met open mond naar staarde, als alle anderen niet hetzelfde hadden gedaan. Ze keek opzij naar Egwene, die ongelovig opstaarde naar de reusachtige bomen. De zon scheen nog steeds, maar de groene bladeren wierpen schaduwen, en dat verklaarde waarom het licht in de tent ineens zo was afgenomen.