‘Die bomen,’ zei Perijn, terwijl hij naar voren stapte en zijn hand op de dikke, geribbelde bast legde, ‘Ik heb dit soort Grote Bomen eerder gezien. In een stedding.’
Elayne omhelsde de Bron. De gloed van saidar was voorhanden, gelukkig, als een warmte naast die van de zon. Ze zoog de Kracht naar binnen en merkte vermaakt op dat de meeste andere vrouwen die konden geleiden bij het horen van het woord ‘stedding’ hetzelfde hadden gedaan.
‘Nou, hoe machtig Rhand nu ook is,’ zei Egwene, en ze sloeg haar armen over elkaar, ‘hij kan niet zomaar een stedding laten verschijnen.’ Ze leek die gedachte geruststellend te vinden.
‘Waar is hij gebleven?’ vroeg Elayne.
‘Hij is daarheen gewandeld,’ antwoordde Perijn, gebarend naar de bomen. ‘En verdwenen.’
Soldaten uit de verschillende kampen liepen tussen de gigantische stammen door en staarden omhoog.
Elayne hoorde vlakbij een Shienaraan met heer Agelmar praten. ‘We hebben ze zien groeien, heer. Ze schoten ineens uit de grond. Het duurde nog geen vijf minuten voordat ze al zo hoog waren. Ik zweer het, heer, op mijn vermogen om ooit nog een zwaard te trekken.’
‘Goed,’ kondigde Elayne aan, en ze liet de Bron los. ‘Laten we beginnen. Er staan hele naties in brand. Kaarten! We hebben kaarten nodig!’
De andere vorsten draaiden zich naar haar om. Tijdens de vergadering, toen Rhand erbij stond, hadden slechts weinigen tegenwerpingen gemaakt toen zij als hun leidster werd gekozen. Zo ging het vaak als hij in de buurt was: je werd meegesleept in de getijden van Rhands wil. Alles wat hij zei, klonk altijd logisch.
Nu keken vele mensen echter ontstemd omdat zij boven hen was geplaatst. Ze kon ze beter geen tijd gunnen om daarbij stil te staan. ‘Waar is meester Norrij?’ vroeg ze aan Dyelin. ‘Kan hij...’
‘Ik heb kaarten, Majesteit,’ zei Garet Brin, die met Siuan aan zijn zijde het paviljoen uit stapte.
Hij leek grijzer te zijn geworden. Hij droeg een stijve witte jas met op de borst de Vlam van Tar Valon en boog eerbiedig voor haar, maar kwam niet te dichtbij. Zijn uniform maakte zijn trouw duidelijk, net als Siuans beschermende hand op zijn arm.
Elayne had hem met datzelfde rustige gezicht achter haar moeder zien staan. Nooit vrijpostig, altijd bezig de koningin te beschermen. Die koningin had hem de deur uit gezet. Dat was niet Elaynes schuld geweest, maar ze zag het geschade vertrouwen op Brins gezicht.
Elayne kon niet veranderen wat er was gebeurd. Ze kon alleen maar naar de toekomst kijken. ‘Als u kaarten hebt van deze omgeving en de mogelijke slagvelden die er zijn, heer Brin, zouden we die graag zien. Ik wil graag kaarten van het gebied tussen hier en Caemlin, een duidelijke kaart van Kandor, en uw beste kaarten van de andere Grenslandgebieden.’ Tegen de vorsten vervolgde ze: ‘Roep uw bevelvoerders en raadslieden bijeen! We moeten onmiddellijk onze volgende stappen bespreken met de andere grote kapiteins.’
Het duurde niet lang, hoewel de verwarring groot was terwijl twee dozijn verschillende groeperingen aan het werk gingen. Bedienden openden de zijkanten van het paviljoen en Elayne vroeg Sumeko om Kinsvrouwen en wachters via een Poort naar haar kamp te sturen om tafels en stoelen op te halen. Elayne vroeg ook om verslagen over wat er in de Kloof gebeurde, waar Rhand het grootste deel van de Grenslanderlegers heen had gestuurd om Lan bij te staan. De vorsten en grote kapiteins waren achtergebleven voor de voorbereidingen.
Even later stonden Elayne en Egwene naar Brins uitgebreide kaarten te kijken, die waren uitgespreid over vier tafels. De vorsten stapten achteruit en lieten de bevelvoerders overleggen.
‘Dit is goed werk, Brin,’ zei heer Agelmar. De Shienaraan was een van de vier nog overgebleven grote kapiteins. Brin was er ook een. De laatste twee grote kapiteins – Davram Bashere en Rodel Ituralde – stonden naast elkaar bij een andere tafel en brachten verbeteringen aan in een kaart van de westelijke Grenslanden. Ituralde had wallen onder zijn ogen, en af en toe trilden zijn handen. Elayne had gehoord dat hij nogal een beproeving had doorstaan in Maradon en dat hij nog maar een paar dagen geleden was gered. Ze stond er eigenlijk van te kijken dat hij hier was.
‘Goed,’ zei Elayne tegen de verzamelde mensen. ‘We moeten vechten. Maar hoe? Waar?’
‘Grote troepen Schaduwgebroed zijn op drie plekken binnengedrongen,’ vertelde Brin. ‘Caemlin, Kandor en Tarwins Kloof. De Kloof moet niet worden verlaten, gesteld dat onze legers voldoende zijn om heer Mandragoran daar te helpen de toestand te stabiliseren. Na onze aanval daar vandaag zal het Schaduwgebroed zich waarschijnlijk terugtrekken in de pas. De Malkierse zware cavalerie alleen zal moeite hebben om de vijand daar vast te houden. Misschien kunnen we hem beter een paar ploegen piekeniers sturen. Als hij de Kloof kan dichthouden, kunnen wij het overgrote deel van onze legers inzetten voor de strijd in Andor en Kandor.’
Agelmar knikte. ‘Ja. Dat zou moeten lukken als we Dai Shan de juiste steun geven. Maar we moeten voorkomen dat Shienar onder de voet wordt gelopen, net als Kandor. Als ze die Kloof uit komen...’
‘We zijn voorbereid op een langdurige strijd,’ zei heer Easar. ‘Het verzet in Kandor en Lans gevecht bij de Kloof hebben ons de tijd opgeleverd die we nodig hebben. Onze mensen gaan naar onze forten toe. We kunnen standhouden, zelfs als we de Kloof verspelen.’
‘Moedige woorden, Majesteit,’ zei Garet Brin, ‘maar het is het beste als we de Shienaranen niet zo zwaar hoeven te beproeven. Laten we ons voornemen de Kloof te behouden, met alle middelen die daarvoor nodig zijn.’
‘En Caemlin?’ vroeg Elayne.
Ituralde knikte. ‘Een vijandelijk leger zo diep binnen onze linies, met een saidinpoort om versterkingen aan te voeren... dat is een probleem.’
‘Verslagen van vanochtend vroeg,’ zei Elayne, ‘wijzen erop dat ze voorlopig blijven zitten. Ze hadden grote delen van de stad in brand gestoken, maar andere delen met rust gelaten. En nu ze de stad in handen hebben, zijn de Trolloks aan het werk gezet om de branden te blussen.’
‘Uiteindelijk zullen ze moeten vertrekken,’ zei Brin. ‘Maar het is beter als we ze daar zo snel mogelijk wegwerken.’
‘Waarom belegeren we niet?’ vroeg Agelmar. ‘Ik vind dat het grootste deel van onze legers naar Kandor zou moeten gaan. Ik wil niet dat de Wolkentroon en de Drie Handelszalen vallen, net als de Zeven Torens.’
‘Kandor is al gevallen,’ zei prins Antol zacht.
De grote kapiteins wendden zich tot de oudste zoon van de Kandoraanse koningin. Hij was een lange man die meestal vrij stil was. Nu sprak hij stoutmoedig. ‘Mijn moeder vecht voor ons land,’ zei hij, ‘maar het is een strijd van wraak en verlossing. Kandor staat in brand, en dat breekt mijn hart, maar we kunnen er niets tegen doen. Geef Andor jullie grootste aandacht. Het is tactisch te belangrijk om te negeren, en ik wil niet dat een ander land valt zoals het mijne.’
De anderen knikten. ‘Goede raad, Hoogheid,’ zei Bashere. ‘Dank u.’
‘En vergeet ook Shayol Ghul niet,’ zei Rhuarc vanaf de zijlijn, waar hij bij Perijn, enkele Aes Sedai en een paar andere Aielhoofdmannen stond. De grote kapiteins keken naar Rhuarc alsof ze waren vergeten dat hij er was.
‘Nog even en de Car’a’carn valt Shayol Ghul aan,’ vervolgde Rhuarc. ‘Hij zal de ondersteuning van speren nodig hebben.’
‘Die zal hij krijgen,’ beloofde Elayne. ‘Hoewel dat betekent dat we op vier fronten zullen moeten strijden: Shayol Ghul, Tarwins Kloof, Kandor en Caemlin.’
‘Laten we ons eerst richten op Caemlin,’ zei Ituralde. ‘Het bevalt me helemaal niet dat we het kwijt zijn. We móéten die Trolloks daar weg krijgen. Als we ze gewoonweg belegeren, geeft ze dat meer tijd om hun aantallen aan te vullen via die saidinpoort. We moeten ze nu uitschakelen, op onze eigen voorwaarden.’
Agelmar knikte grommend, kijkend naar de kaart van Caemlin die een bediende op tafel had gelegd. ‘Kunnen we die vloed indammen? De saidinpoort weer in handen krijgen?’