Выбрать главу

‘De Witte Toren rijdt uit om het tegen het Schaduwgebroed daar op te nemen,’ antwoordde Easar. ‘U hebt de Gouden Kraanvogel geheven. Wij hadden gezworen u te hulp te komen, dus hebben we dat gedaan.’ Hij aarzelde en vervolgde op grimmige toon: ‘Kandor is niet meer te redden, Dai Shan. De koningin beseft dat. De taak van de Witte Toren is niet om Kandor te heroveren, maar om te zorgen dat het Schaduwgebroed niet nog meer terrein wint.’

Ze maakten een bocht en reden tussen de rijen lansiers door. De mannen moesten in de schemering op een paar passen afstand van hun rijdieren blijven, dus ze hielden zich daar bezig met het verzorgen van pantsers, wapens en paarden. Elke man droeg een lang zwaard op zijn rug, soms twee, en allemaal hadden ze vlegels of hamers aan hun riem hangen. De Shienaranen vertrouwden niet uitsluitend op hun lansen. Elke vijand die dacht hen in een hoek te drukken waar ze geen ruimte hadden om aan te vallen, ontdekte al snel dat ze ook op de korte afstand heel gevaarlijk konden zijn.

De meeste mannen droegen gele jassen over hun pantsers en maliën, met daarop de zwarte havik. Ze groetten met stramme ruggen en ernstige gezichten. Ja, de Shienaranen waren ernstige mensen. Dat deed het leven in de Grenslanden met je.

Lan aarzelde, maar toen wendde hij zich tot een groep mannen en sprak op luide toon. ‘Waarom treuren we?’

De soldaten keken hem aan.

‘Is dit niet waarvoor we zijn opgeleid?’ schreeuwde Lan. ‘Is dit niet het doel van onze gebruiken, van ons léven? Deze oorlog is niets om over te rouwen. Andere mannen zijn misschien laks geweest, maar wij niet. Wij zijn voorbereid, en dus is dit een roemrijke tijd.

Lach! Wees vrolijk! Laten we juichen voor de gesneuvelden en drinken op onze voorouders, die ons goed hebben onderwezen. Als jullie morgen sterven, in afwachting van jullie wedergeboorte, wees dan trots. De Laatste Slag is aangebroken, en wij zijn er klaar voor!’

Lan wist eigenlijk niet goed waarom hij dat had gezegd. Zijn woorden waren aanleiding tot een ronde van: ‘Dai Shan! Dai Shan! Voorwaarts, Gouden Kraanvogel!’ Hij zag dat sommige mannen zijn woorden opschreven om door te geven aan de anderen.

‘U hebt de ziel van een leider, Dai Shan,’ zei Easar toen ze verder reden.

‘Dat is het niet,’ antwoordde Lan, die zijn blik naar voren gericht hield. ‘Ik kan slecht tegen zelfmedelijden. Te veel van die mannen zagen eruit alsof ze hun lijkwade al aan het naaien waren.’

‘Een vat zonder deksel,’ zei Easar zachtjes, spelend met de teugels van zijn paard. ‘Een pomp zonder handvat. Een lied zonder stem. Toch is het van mij. Toch is het van mij.’

Lan keek fronsend opzij, maar de koning gaf geen verklaring voor het gedicht. Als die mensen al ernstig waren, gold dat nog meer voor hun koning. Easar had diep vanbinnen wonden waar hij niet over sprak. Lan kon hem dat niet kwalijk nemen, want hij had datzelfde gedaan.

Maar nu zag hij Easar glimlachen terwijl hij overwoog waarom hem dat gedicht te binnen was geschoten.

‘Was dat Anasai van Ryddingwoud?’ vroeg Lan.

Easar keek hem verbaasd aan, draaiend in zijn zadel. ‘Hebt u Anasais werk gelezen?’

‘Ze was een van Moiraine Sedais lievelingsdichteressen. Het klonk wel als iets van haar.’

‘Elk van haar gedichten was een treurzang,’ zei Easar. ‘Dit was voor haar vader. Ze heeft er instructies bij achtergelaten: je mag het lezen, maar niet hardop uitspreken, behalve wanneer de tijd daar is. Ze legde alleen niet uit wanneer de tijd daar zou zijn.’

Ze kwamen bij de tenten aan en stegen af. Ze hadden dat echter nog niet gedaan of de waarschuwingshoorns begonnen. Beide mannen draaiden zich meteen om, en Lan reikte naar het zwaard op zijn heup.

‘Kom, we gaan naar heer Agelmar,’ riep Lan terwijl mannen begonnen te schreeuwen en er gerammel van metaal klonk. ‘Als jullie onder mijn banier vechten, dan aanvaard ik de rol van leider blijmoedig.’

‘Geen enkele aarzeling?’ vroeg Easar.

‘Wat ben ik?’ vroeg Lan, die zich weer in het zadel hees. ‘Een of andere schaapherder uit een vergeten dorpje? Ik zal mijn plicht doen. Als mannen zo dom zijn om mij de leiding over hen te geven, zal ik zorgen dat ook zij hun plicht doen.’

Easar knikte, en toen groette hij, terwijl zijn mondhoeken vertrokken tot alweer een glimlach. Lan groette terug en galoppeerde op Mandarb midden door het kamp. De mannen langs de randen staken vuren aan. Asha’man hadden Poorten gemaakt naar een van de vele stervende bossen in het zuiden, zodat soldaten daar hout konden halen. Als Lan zijn zin kreeg, zouden die vijf geleiders hun krachten niet verspillen aan het doden van Trolloks. Ze waren veel te nuttig voor andere dingen.

Narishma groette Lan toen hij langsreed. Lan kon er niet zeker van zijn dat de grote kapiteins met opzet Grenslandse Asha’man voor hem hadden gekozen, maar het leek geen toeval. Hij had er minstens één uit elk Grensland, en zelfs een met Malkierse ouders.

We vechten samen.

8

De smeulende stad

Op Maanschaduw, haar donkerbruine merrie uit de koninklijke stallen, reed Elayne Trakand door een zelfgemaakte Poort.

Die stallen waren nu in de handen van Trolloks en de stalgenoten van Maanschaduw waren inmiddels ongetwijfeld in de kookpot beland. Elayne stond er maar niet te veel bij stil wat – wié – er nog meer in diezelfde pot kon zijn geëindigd. Ze klemde vastberaden haar kiezen op elkaar. Haar troepen zouden geen onzekerheid bij hun koningin zien.

Ze had besloten naar een heuvel te gaan die ongeveer duizend meter ten noordwesten van Caemlin lag, ver buiten het bereik van bogen, maar dichtbij genoeg om de stad te kunnen zien. In de weken na de opvolgingsoorlog hadden verschillende groepen huurlingen hun kamp opgeslagen in deze heuvels. Ze hadden zich allemaal inmiddels aangesloten bij de legers van het Licht of waren uiteengegaan en dolende dieven en schurken geworden.

De voorhoede had het terrein al verkend, en kapitein Guybon groette haar terwijl leden van de koninginnegarde – mannen en vrouwen – om Elaynes paard heen kwamen staan. Het stonk hier nog steeds naar rook.

De aanblik van Caemlin, dat smeulde als de Drakenberg zelf, gooide nog een handvol bitter kruid in de stoofpot van gevoelens in Elaynes binnenste.

De ooit zo trotse stad was dood, een brandstapel waarvan honderd verschillende slierten rook naar de stormwolken erboven opstegen. De rook deed haar denken aan de lentevuren, als boeren hun akkers in brand staken om ze vrij te maken voor nieuwe gewassen. Ze had nog geen honderd dagen over Caemlin geregeerd, en nu al was het verloren.

Als draken dat met een stad kunnen doen, dacht ze, kijkend naar het gat dat Talmanes in de dichtstbijzijnde muur had geschoten, dan zal de wereld moeten veranderen. Alles wat we over oorlogvoeren weten zal veranderen.

‘Hoeveel, denk je?’ vroeg ze de man die naast haar kwam rijden. Talmanes had sinds de beproeving die hem zijn leven had kunnen kosten nog maar één dag rust gehad. Hij had waarschijnlijk in Merrilor moeten blijven. Hij zou in ieder geval in de nabije toekomst nog niet aan het front vechten.

‘Ze zijn onmogelijk te tellen, nu ze verborgen zitten in de stad, Majesteit,’ antwoordde hij met een eerbiedige buiging. ‘Tienduizenden, maar waarschijnlijk geen honderdduizenden.’

De man was zenuwachtig in haar nabijheid, en dat was op een heel Cairhiense wijze aan hem te merken: hij sprak bloemrijk en ontzagvol. Ze zeiden dat hij een van Marts meest vertrouwde officiers was. Elayne had verwacht dat Marts slechte invloed de man inmiddels wel had geraakt, maar hij vloekte niet één keer. Jammer.

Andere Poorten openden zich vlakbij op het gele gras en haar troepen kwamen erdoor, vulden de velden en bedekten de heuvels. Ze had de leiding genomen over een grote groep krijgers, met onder hen veel siswai’aman, om haar koninginnegarde en de Andoraanse soldaten onder bevel van Birgitte en kapitein Guybon te versterken. Een tweede groep Aiel – Speervrouwen, Wijzen en de overige strijders -was uitgekozen om met Rhand noordwaarts te gaan, naar Shayol Ghul.