De stilte was tergend. Waarom hoorde hij niets? Maar toen vóélde hij iets. Iemand geleidde. Dertien mannen? Licht! Dat betekende ook dertien Myrddraal. Wat konden ze doen als ze al wisten te ontsnappen? Tegen zoveel tegenstanders konden ze het niet opnemen.
Welk klif heb jij gekozen? vroeg Pevara.
Wat?
Je zei dat het Zeevolk van kliffen af springt om hun moed te bewijzen. Hoe hoger het klif, hoe moediger de springer. Welk klif heb jij gekozen toen je daar was?
Het hoogste, bekende hij.
Waarom?
Ik dacht dat als je toch eenmaal hebt besloten van een klif te springen, je net zo goed het hoogste kunt kiezen. Waarom zou je die gok anders wagen, als je niet voor de hoofdprijs gaat?
Pevara stuurde goedkeuring terug. We ontsnappen wel, Androl. Hoe dan ook.
Hij knikte, voornamelijk in zichzelf, en ging weer verder met zijn knoop.
Even later keerden Taims trawanten terug. Evin hurkte bij Androl neer. Achter zijn ogen loerde iets anders, iets vreselijks. Hij glimlachte. ‘Nou, dat was beslist niet zo erg als ik had verwacht, Androl.’
‘O, Evin...’
‘Maak je geen zorgen om mij,’ zei Evin, die zijn hand op Androls schouder legde. ‘Ik voel me geweldig. Geen angst meer, geen zorgen meer. We hadden niet al die tijd moeten ruziën. Wij zijn de Zwarte Toren. We moeten samenwerken.’
Jij bent mijn vriend niet, dacht Androl. Je hebt misschien zijn gezicht, maar Evin... O, Licht. Evin is dood.
‘Waar is Nalaam?’ vroeg Androl.
‘Omgekomen bij de instorting, vrees ik.’ Evin schudde zijn hoofd en boog zich naar voren. ‘Ze willen je vermoorden, Androl, maar ik denk dat ik ze wel kan overtuigen dat het de moeite waard is om je te Bekeren. Uiteindelijk zul je me dankbaar zijn.’
Dat verschrikkelijke wezen achter Evins ogen glimlachte, gaf Androl een klopje op zijn schouder, stond op en ging met Mezar en Welyn kletsen.
Achter hen zag Androl nog net dertien schaduwen die aan kwamen om Emarin te grijpen en mee te sleuren om als volgende te worden Bekeerd. Schimmen, met mantels die niet bewogen.
Androl vond dat Nalaam maar geluk had gehad dat hij tijdens die instorting was verpletterd.
9
Goed sterven
Lan spleet het hoofd van de Myrddraal tot aan de nek dwars doormidden. Hij liet Mandarb achteruitdansen toen de Schim stierf en door zijn stuiptrekkingen de stukken van zijn schedel loslieten van zijn nek. Smerig zwart bloed gutste over stenen die al tien keer met bloed waren besmeurd.
‘Heer Mandragoran!’
Lan draaide zich om. Een van de mannen wees naar het kamp achter hen, van waaruit een zuil van helrood licht de lucht in schoot.
Nu al noen? dacht Lan, die zijn zwaard hief om zijn Malkieri het bevel tot terugtrekken te geven. De Kandori en Arafelse soldaten kwamen naar voren, lichte cavalerie met bogen, die de ene na de andere golf pijlen in de massa Trolloks schoten.
De stank was niet te harden. Lan en zijn mannen reden weg van de frontlinie en kwamen twee Asha’man en een Aes Sedai tegen -Coladara, die erop had gestaan te blijven als koning Paitars raadsvrouw – die tot taak hadden om de karkassen van de Trolloks in brand te steken. Dat zou het de volgende golf van Schaduwgebroed weer lastiger maken.
Lans legers waren doorgegaan met hun meedogenloze werk en hadden de Trolloks in de Kloof gehouden, als teer dat voorkomt dat een boot gaat lekken. Het leger vocht bij korte toerbeurten, steeds een uur achtereen, ’s Nachts zorgden vuren en Asha’man voor licht, zodat het Schaduwgebroed geen mogelijkheid kreeg om op te rukken.
Na twee dagen van slopende strijd wist Lan dat deze tactiek uiteindelijk in het voordeel van de Trolloks zou uitpakken. De mensen doodden ze met wagenladingen tegelijk, maar de Schaduw bouwde zijn troepen al jaren op. Elke nacht voedden de Trolloks zich met de gesneuvelden. Zij hoefden zich niet druk te maken om bevoorrading.
Lan hield zijn schouders recht terwijl hij bij de voorhoede wegreed om ruimte te maken voor de volgende groep soldaten, maar hij wilde het liefst ergens neervallen en een paar dagen achter elkaar slapen. Ondanks de grotere aantallen die hij nu dankzij de Herrezen Draak had, moest elke ploeg meerdere keren per dag aan het front verschijnen. Lan nam altijd nog een paar toerbeurten meer.
Tijd vinden om te slapen viel niet mee voor zijn troepen. Ze moesten ook nog zorgen voor hun spullen, hout sprokkelen voor de vuren en proviand binnenhalen via de Poorten. Terwijl Lan de mensen bekeek die samen met hem terugliepen, overpeinsde hij wat hij kon doen om hen sterker te maken. Vlakbij begon de trouwe Bulen in te zakken. Lan moest ervoor zorgen dat die man meer slaap kreeg, of...
Bulen gleed uit het zadel.
Lan vloekte, hield Mandarb in en sprong eraf. Hij rende naar Bulen toe en zag dat hij glazig opstaarde naar de hemel. Bulen had een gapende wond in zijn zij, waar de maliën waren gescheurd als een zeil in een storm. Bulen had de wond bedekt door zijn jas over zijn maliën aan te trekken. Lan had niet gezien dat hij geraakt was en had de man ook niet op het verbergen van de wond betrapt.
Stomkop! dacht Lan, met zijn vingers tegen Bulens hals.
Geen hartslag. Hij was dood.
Stomkop! dacht Lan nog eens, en hij boog zijn hoofd. Je wilde mijn zijde niet verlaten, zeker? Daarom verborg je die wond. Je was bang dat ik op het slagveld zou sterven als jij terugging voor Heling. Of je wilde geen kracht afnemen van de geleiders. Je wist dat ze zich al tot het uiterste moesten inspannen.
Met opeengeklemde kiezen tilde Lan Bulens lichaam op en zwaaide het over zijn schouder. Hij legde het lichaam over Bulens paard en bond het vast aan het zadel. Andère en prins Kaisel – de Kandoraanse jongeling en zijn honderd man reden meestal met Lan mee – keken bedrukt toe. Zich bewust van hun blikken legde Lan zijn hand op de schouder van de dode.
‘Goed gewerkt, mijn vriend,’ zei hij. ‘Vele generaties zullen je nog bezingen. Moge de hand van de Schepper je behoeden. De laatste omhelzing van de moeder heet je thuis welkom.’ Hij draaide zich om naar de anderen. ‘Ik zal niet rouwen! Rouwen is voor mensen met spijt, en ik heb géén spijt van wat we hier doen! Bulen had geen betere dood kunnen sterven. Ik huil niet om hem, ik júích!’
Hij sprong in Mandarbs zadel, hield de teugels van Bulens paard vast en rechtte zijn rug. Hij zou de anderen niet laten zien hoe moe hij was. Of hoe verdrietig. ‘Heeft iemand Bakh zien sneuvelen?’ vroeg hij aan de mannen die om hem heen reden. ‘Hij had een kruisboog op de rug van zijn paard gebonden. Nam dat ding altijd overal mee naartoe. Ik heb hem gezworen dat als het ooit per ongeluk afging, de Asha’man hem aan zijn tenen boven een afgrond zouden hangen.
Hij is gisteren gesneuveld toen zijn zwaard klem kwam te zitten in het pantser van een Trollok. Hij liet het zitten en wilde zijn andere zwaard pakken, maar twee Trolloks trokken zijn paard onder hem vandaan. Ik dacht dat hij toen al dood was, maar toen zag ik hem opstaan met die door het Licht vervloekte kruisboog van hem en van twee voet afstand een Trollok recht tussen zijn ogen schieten. De schicht ging dwars door die kop heen. De tweede Trollok haalde zijn buik open, maar wel met Bakhs mes in zijn nek.’ Lan knikte. ‘Ik herinner me jou, Bakh. Je bent goed gestorven.’
Ze reden een tijdje verder, en toen sprak prins Kaisel ineens. ‘Ragon. Hij is ook goed gestorven. Stormde met zijn paard recht op een stuk of dertig Trolloks af, die van de zijkant op ons afkwamen. Waarschijnlijk heeft hij minstens tien man daarmee gered en ons tijd opgeleverd. Hij schopte er nog een recht in z’n snuit toen ze hem van zijn paard sleurden.’
‘Ja, Ragon was goed gek,’ zei Andère. ‘Ik ben een van de mannen die hij heeft gered.’ Hij glimlachte. ‘Hij is inderdaad goed gestorven. Licht, het is zo. Maar het gékste wat ik de afgelopen paar dagen heb gezien, is natuurlijk wat Kragil deed toen hij tegen die Schim vocht. Hebben jullie dat gezien...’
Tegen de tijd dat ze bij het kamp aankwamen, lachten de mannen en bezongen ze de gesneuvelden met woorden. Lan maakte zich van hen los en bracht Buien naar de Asha’man.