Выбрать главу

Narishma hield een Poort open voor een bevoorradingswagen. Hij knikte naar Lan. ‘Heer Mandragoran?’

‘Ik moet hem op een koude plek leggen,’ zei Lan, die afsteeg. ‘Als dit achter de rug is en Malkier weer is opgeëist, hebben we een goede rustplaats nodig voor de moedige gesneuvelden. Tot die tijd wil ik niet dat hij verbrand wordt of ergens wegrot. Hij was de eerste Malkieri die terugkeerde naar de koning van Malkier.’

Narishma knikte, waardoor de Arafelse klokjes in zijn vlechten tinkelden. Hij stuurde een wagen door de Poort, maar toen stak hij zijn hand op om de anderen te laten wachten. Hij sloot zijn Poort en opende een nieuwe naar de top van een berg.

Een ijzige wind kwam naar buiten. Lan haalde Buien van zijn paard. Narishma wilde helpen, maar Lan wuifde hem weg en hees grommend het lijk op zijn schouder. Hij stapte de sneeuw in. De snerpende wind beet in zijn wangen alsof iemand er met een mes in prikte.

Hij legde Bulen op de grond, knielde neer en haalde voorzichtig de hadori van Bulens hoofd. Lan zou die de strijd in dragen – zodat Bulen kon doorgaan met vechten – en hem terugbrengen bij het lichaam als de strijd voorbij was. Het was een oud Malkiers gebruik. ‘Je hebt het goed gedaan, Bulen,’ zei Lan zacht. ‘Dank je wel dat je me niet hebt opgegeven.’

Hij stond op, liep knerpend over de sneeuw terug en beende de Poort door, met de hadori in de hand. Narishma liet de Poort dichtgaan. Lan vroeg hem waar de berg was – voor het geval Narishma sneuvelde in de strijd – zodat hij Bulen later zou kunnen terugvinden.

Ze zouden niet alle lichamen van gesneuvelde Malkieri op die wijze kunnen behouden, maar één was beter dan geen. Lan wikkelde de leren hadori om het gevest van zijn zwaard, vlak onder de handbeschermer, en bond hem vast. Hij gaf Mandarb aan een verzorger, stak zijn vinger op naar het paard en keek het dier in de peilloos donkere ogen. ‘Geen verzorgers meer bijten,’ gromde hij tegen de hengst.

Daarna ging Lan op zoek naar heer Agelmar. Hij vond de bevelhebber in gesprek met Tenobia in het Saldeaanse gedeelte van het kamp. Vlakbij stonden mannen met bogen in rijen van tweehonderd, opkijkend naar de hemel. Ze waren al een paar keer door Draghkar aangevallen. Toen Lan aankwam, begon de grond te beven en rommelen.

De soldaten schreeuwden niet. Ze begonnen hier al aan te wennen. Het land kreunde.

De kale rotsgrond vlak bij Lan spleet. Hij sprong geschrokken achteruit toen het beven doorging en zag scheurtjes in de rotsen verschijnen. Er was iets heel onheilspellends aan die haarscheurtjes. Ze waren te donker, te diep. Hoewel het terrein nog beefde, stapte hij naar voren, keek naar de barstjes en probeerde ze ondanks het trillen van de grond goed te bekijken.

Het leken wel spleten naar het niets. Ze trokken het licht naar binnen, zogen het weg. Alsof hij naar breuken in de werkelijkheid zelf keek.

Het beven nam af. De duisternis in de scheurtjes bleef nog een paar tellen hangen voordat het vervaagde en de haarscheurtjes gewone barstjes in het steen werden. Behoedzaam knielde Lan neer en bekeek ze van dichtbij. Had hij echt gezien wat hij dacht te hebben gezien? Wat betekende dit?

Verkild stond hij weer op en liep door. Niet alleen de mensen worden moe, dacht hij. De moeder verzwakt.

Hij haastte zich door het Saldeaanse kamp. Van alle strijders bij de Kloof was dit het best onderhouden kamp, geleid door strenge of-ficiersvrouwen. Lan had de meeste niet-strijdende Malkieri in Fal Dara achtergelaten, en de overige troepen hadden weinig andere mensen behalve de strijders zelf meegebracht.

Maar zo deden de Saldeanen dit soort dingen niet. Hoewel de vrouwen zich gewoonlijk niet in de Verwording waagden, gingen ze verder overal met hun mannen mee naartoe. Ze konden allemaal vechten met messen en zouden hun kamp met hun leven verdedigen als het nodig was. Ze waren hier bijzonder nuttig geweest bij het verzamelen en verdelen van proviand en het verzorgen van de gewonden.

Tenobia ruziede weer over tactieken met Agelmar. Lan liep naar hen toe en luisterde mee terwijl de Shienaraanse grote kapitein knikte bij haar eisen. Ze had er best kijk op, maar ze was te stoutmoedig. Ze wilde dat ze de Verwording in gingen en het gevecht leverden in het ontstaansgebied van de Trolloks.

Uiteindelijk merkte ze Lan op. ‘Heer Mandragoran,’ zei ze, en ze nam hem schattend op. Ze was een behoorlijk knappe vrouw, met vuur in haar ogen en lang zwart haar. ‘Was uw laatste uitval een overwinning?’

‘Er zijn weer meer Trolloks dood,’ antwoordde Lan.

‘We leveren een roemrijke strijd,’ zei ze trots.

‘Ik heb een goede vriend verloren.’

Tenobia zweeg even en keek hem in de ogen, misschien op zoek naar enig gevoel. Lan gaf het haar niet. Bulen was goed gestorven. ‘De mannen die vechten verdienen roem,’ zei Lan tegen haar, ‘maar de strijd zelf is niet roemrijk. Hij is gewoon. Heer Agelmar, als ik u even mag spreken.’

Tenobia stapte opzij en Lan trok Agelmar mee. De oude generaal keek Lan dankbaar aan. Tenobia keek nog even naar hen, en toen beende ze weg terwijl twee wachters haastig achter haar aan liepen.

Ze zal zich zelf nog in de strijd werpen als we geen oogje op haar houden, dacht Lan. Haar hoofd zit vol met liederen en verhalen.

Had hij zijn mannen niet zojuist aangemoedigd om diezelfde verhalen te vertellen? Nee. Er was een verschil. Hij vóélde een verschil. De mannen leren te aanvaarden dat ze mogelijk zouden sterven en dat ze de gesneuvelden moesten eren... dat was iets anders dan liederen zingen over hoe heerlijk het was om aan het front te vechten.

Helaas moest er echt gevochten worden voordat dat verschil duidelijk werd. Hopelijk zou Tenobia geen al te overhaaste dingen doen. Lan had vele jongemannen met diezelfde blik in hun ogen gezien. Zijn oplossing was om ze dan een paar weken zo hard te laten werken dat ze uitgeput raakten, ze zodanig onder druk te zetten dat ze alleen nog maar aan hun bed dachten en niet meer aan de ‘roem’ die ze op een dag zouden vinden. Hij betwijfelde echter of dat een gepaste maatregel was bij de koningin zelf.

‘Ze is onbesuisder geworden sinds Kalyans huwelijk,’ zei heer Agelmar zachtjes, meelopend met Lan langs de achterste rijen en knikkend naar soldaten. ‘Ik denk dat hij nog in staat was om haar een klein beetje in te tomen, maar nu, zonder hem én zonder dat Bashere haar in de gaten houdt...’ Hij zuchtte. ‘Nou, hoe dan ook. Wat wilde u van me, Dai Shan?’

‘We vechten hier goed,’ zei Lan. ‘Maar ik maak me zorgen. De mannen zijn moe. Hoe lang zullen we de Trolloks nog kunnen tegenhouden?’

‘U hebt gelijk. Uiteindelijk zal de vijand zich een weg naar binnen banen,’ zei Agelmar.

‘Wat moeten we dan doen?’

‘Hier blijven vechten. En als we niet kunnen standhouden, trekken we ons terug om tijd te rekken.’

Lan verstarde. ‘Terugtrekken?’

Agelmar knikte. ‘We zijn hier om de Trolloks op te houden. Dat kunnen we doen door een tijdje hier stand te houden en dan langzaam door Shienar achteruit te gaan.’

‘Ik ben niet naar Tarwins Kloof gekomen om me terug te trekken, Agelmar.’

‘Dai Shan, ik had gehoord dat u hier was gekomen om te sterven.’

Dat was niets anders dan de waarheid. ‘Ik sta Malkier niet nog een keer af aan de Schaduw, Agelmar. Ik ben naar de Kloof gekomen – en de Malkieri zijn me hierheen gevolgd – om de Duistere te laten zien dat we niet verslagen waren. De gedachte om te vertrekken, terwijl het ons net was gelukt om wat houvast te krijgen...’

‘Dai Shan,’ zei heer Agelmar op nog gedemptere toon terwijl ze doorliepen, ‘ik eerbiedig uw besluit om te strijden. Dat doen we allemaal. Alleen al uw tocht hierheen heeft duizenden mannen bezield. Dat was misschien niet uw doel, maar het is het doel dat het Rad voor u heeft geweven. De vastberadenheid van een man gedreven door zijn rechtvaardigheidsgevoel laat zich niet gemakkelijk negeren. Maar er komt ook een tijd dat je jezelf opzij moet zetten en het grotere belang moet overzien.’