‘Ze stelt voor dat we een plek inrichten waar de gewonden heen kunnen worden gestuurd voor Heling.’
‘We hadden toch besloten dat we de Gelen van slagveld naar slagveld zouden laten gaan?’ vroeg Egwene.
‘Elayne Sedai is bang dat de Gelen dan aan te veel gevaar blootstaan,’ antwoordde Silviana. ‘Ze wil een vaste ziekenzaal.’
‘Dat zou inderdaad efficiënter zijn, Moeder,’ viel Gawein haar bij, wrijvend over zijn kin. ‘Gewonden opzoeken na een veldslag is een onmenselijke klus. Ik weet niet wat ik ervan zou vinden om zusters tussen de doden te laten zoeken. Deze oorlog kan nog weken duren, misschien zelfs maanden, als de grote kapiteins gelijk hebben. Uiteindelijk zal de Schaduw beginnen Aes Sedai op het slagveld uit te schakelen.’
‘Elayne Sedai was behoorlijk... vasthoudend,’ zei Silviana. Haar gezicht was een masker, haar stem gelijkmatig, maar ze kreeg het ook voor elkaar om groot ongenoegen uit te stralen. Silviana was daar goed in.
Ik heb geholpen om Elayne de leiding te geven, bracht Egwene zichzelf in herinnering. Wat voor voorbeeld zou ik stellen als ik dit verzoek van haar nu weiger? Haar gehoorzamen zou ook niet meevallen. Hopelijk konden ze desondanks vriendinnen blijven.
‘Elayne Sedai is wijs,’ zei Egwene. ‘Zeg maar tegen Romanda dat het zo moet gebeuren. Laat de hele Gele Ajah zich verzamelen voor het Helen, maar niet in de Witte Toren.’
‘Moeder?’ vroeg Silviana.
‘De Seanchanen,’ legde Egwene uit. Ze moest het serpent onderdrukken dat diep vanbinnen begon te kronkelen telkens als ze aan hen dacht. ‘Ik wil niet dat de Gelen worden aangevallen als ze alleen en uitgeput zijn van het Helen. De Witte Toren is onbeschermd en een richtpunt voor de vijand. Als het de Seanchanen niet zijn, dan zal de Schaduw daar wel iets proberen.’
‘Goed punt.’ Silviana klonk schoorvoetend. ‘Maar waar dan? Caemlin is gevallen, en de Grenslanden zijn te open. Tyr?’
‘Nee,’ besloot Egwene. Dat was Rhands territorium, en het lag te veel voor de hand. ‘Stuur Elayne een voorstel. Misschien is de Eerste van Mayene bereid een geschikt gebouw ter beschikking te stellen. Een heel groot gebouw.’ Egwene trommelde met haar vingers op haar zadelknop. ‘Stuur de Aanvaarden en de Novices met de Gelen mee. Ik wil die vrouwen niet op het slagveld hebben, maar hun kracht kan wel gebruikt worden bij het Helen.’
Gekoppeld aan een Gele kon zelfs de zwakste Novice een klein beetje van haar kracht afstaan en levens redden. Velen van hen zouden teleurgesteld zijn, want ze hadden zich voorgesteld dat ze Trolloks zouden doden. Nou, zo konden ze meehelpen bij de strijd zonder in de weg te lopen, aangezien ze geen enkele slagveldervaring hadden.
Egwene keek over haar schouder. De bewegingen door de Poorten zouden nog wel even doorgaan. ‘Silviana, geef mijn woorden door aan Elayne Sedai. Gawein, ik wil iets doen.’
Ze troffen Chubain, die toezicht hield bij het opzetten van een bevelskamp in de vallei ten westen van de grensrivier tussen Kandor en Arafel. Op dit heuvelachtige terrein zouden ze de naderende Trolloks opvangen. In de naastgelegen valleien zouden aanvalstroepen worden opgesteld met boogschutters en verdedigingseenheden op de heuvels. Het was de bedoeling om de Trolloks hard te raken als ze probeerden de heuvels in te nemen, en zo flink wat schade aan te richten. De aanvalstroepen konden de vijandelijke flanken bestoken, terwijl de verdedigers de heuvels zo lang mogelijk in handen hielden.
Er was een goede mogelijkheid dat ze uiteindelijk uit die heuvels over de grens naar Arafel zouden worden gedreven, maar op de grote vlakten van Arafel konden ze hun cavalerie beter inzetten. Egwenes leger, net als dat van Lan, was bedoeld om deze Trolloks te vertragen totdat Elayne die in het zuiden kon verslaan. Het zou het mooiste zijn als ze konden standhouden tot er versterking kwam.
Chubain groette hen en leidde hen naar een tent. Egwene steeg af en wilde naar binnen gaan, maar Gawein legde zijn hand op haar arm. Ze zuchtte, knikte, en liet hem voorgaan.
Binnen, in kleermakerszit op de vloer, zat de Seanchaanse vrouw die Nynaeve Egeanin had genoemd, hoewel de vrouw zelf volhield dat ze Leilwin heette. Drie leden van de Torenwacht hielden haar en haar Illiaanse echtgenoot in de gaten.
Leilwin keek op toen Egwene binnenkwam, verhief zich onmiddellijk op haar knieën en maakte een sierlijke buiging met haar voorhoofd op de grond. Haar man deed hetzelfde, hoewel hij wat schoorvoetend leek. Misschien was hij alleen maar een slechtere toneelspeler dan zij.
‘Eruit,’ droeg Egwene de drie wachters op.
Ze boden geen tegenwerpingen, hoewel ze zich traag terugtrokken. Alsof zij en haar zwaardhand het niet zouden kunnen opnemen tegen twee mensen die niet konden geleiden. Mannen.
Gawein ging op wacht staan bij de zijwand van de tent en liet de twee gevangenen aan haar over.
‘Nynaeve vertelt me dat je enigszins betrouwbaar bent,’ zei Egwene tegen Leilwin. ‘O, ga zitten. Niemand buigt zo diep in de Witte Toren, zelfs niet de laagste bediende.’
Leilwin ging zitten, maar ze hield haar blik neergeslagen. ‘Ik heb gefaald in de taak die me was gesteld, en daarmee heb ik het Patroon zelf in gevaar gebracht.’
‘Ja,’ zei Egwene. ‘De armbanden. Ik weet ervan. Wil je die schuld inlossen?’
De vrouw boog opnieuw en drukte haar voorhoofd weer tegen de grond. Egwene zuchtte, maar voordat ze de vrouw kon bevelen overeind te komen, sprak Leilwin. ‘Bij het Licht en mijn hoop op redding en wedergeboorte,’ zei ze, ‘ik zweer u te dienen en beschermen, Amyrlin, leidster van de Witte Toren. Bij de Kristallen Troon en het bloed van de Keizerin, ik bind mezelf aan u, ik zal u gehoorzamen in alle dingen en uw leven boven dat van mij stellen. Moge het zo zijn, onder het Licht.’ Ze kuste de vloer.
Egwene keek stomverbaasd naar haar. Alleen een Duistervriend zou zo’n eed kunnen breken. Al was natuurlijk elke Seanchaan nagenoeg een Duistervriend.
‘Denk je dat ik niet goed beschermd word?’ vroeg Egwene. ‘Denk je dat ik nóg een bediende nodig heb?’
‘Ik denk alleen aan het inlossen van mijn schuld,’ zei Leilwin.
In haar toon hoorde Egwene iets strams, iets van verbittering. Ze klonk oprecht. Deze vrouw vond het niet prettig om zichzelf zo te verlagen.
Egwene sloeg ongerust haar armen over elkaar. ‘Wat kun je me vertellen over het Seanchaanse leger, hun wapens en sterke punten, en over de voornemens van de keizerin?’
‘Ik weet een paar dingen, Amyrlin,’ antwoordde Leilwin. ‘Maar ik was scheepskapitein. Mijn kennis is beperkt tot de Seanchaanse marine, en daar zult u weinig aan hebben.’
Natuurlijk, dacht Egwene. Ze keek naar Gawein, die zijn schouders ophaalde.
‘Alstublieft,’ zei Leilwin zacht. ‘Laat me mezelf aan u bewijzen, hoe dan ook. Ik heb nog maar weinig over. Zelfs mijn naam is niet meer van mij.’
‘Eerst,’ zei Egwene, ‘ga je praten over de Seanchanen. Het kan me niet schelen of jij denkt dat ik er niets aan zal hebben. Alles wat je me vertelt zou van nut kunnen zijn.’ Of het zou Leilwin kunnen ontmaskeren als leugenaar, en dat zou net zo nuttig zijn. ‘Gawein, haal een stoel voor me. Ik ga luisteren naar wat ze te zeggen heeft. Daarna zullen we wel zien...’
Alleen in de tent bladerde Rhand door de stapel kaarten, aantekeningen en verslagen. Er brandde slechts één lamp op de schrijftafel waar hij met zijn arm op zijn rug bij stond. De vlam achter het glas danste terwijl er tochtvlagen door de tent streken.
Leefde die vlam? Hij at, hij bewoog vanzelf. Je zou hem kunnen smoren, dus ergens ademde hij ook. Wat betekende het om te leven?
Kon een gedachte leven?
Een wereld zonder de Duistere. Een wereld zonder kwaad.
Rhand keek weer naar de kaarten. Hij was onder de indruk van wat hij zag. Elayne bereidde zich goed voor. Hij had de vergaderingen ter voorbereiding van alle veldslagen zelf niet bijgewoond. Zijn aandacht was op het noorden gericht. Op Shayol Ghul. Zijn bestemming. Zijn graf.