‘Je zit te grimassen,’ zei Elayne.
Rhand keek op van zijn soep. Elaynes eten lag nog voor de helft op haar bord. Hij had haar heel veel laten vertellen. Ze leek geen trek meer te hebben en had een kom warme thee in haar handen.
‘Wat?’ vroeg Rhand.
‘Je zit te grimassen. Toen ik het had over de groepen die voor Andor vechten, grimaste je een beetje.’
Het was niet verrassend dat haar dat was opgevallen. Elayne was degene die hem had geleerd te letten op kleine tekenen in de gezichten van mensen met wie hij sprak.
‘Al die mensen vechten uit mijn naam,’ zei Rhand. ‘Zoveel mensen die ik niet eens ken, zullen voor mij sterven.’
‘Dat is van oudsher de last van een leider in oorlogstijd.’
‘Ik zou ze moeten beschermen,’ zei Rhand.
‘Als je denkt dat je iedereen kunt beschermen, Rhand Altor, ben je een stuk minder wijs dan je voorgeeft.’
Hij keek haar in de ogen. ‘Ik denk niet dat ik het kan, maar hun sterven bedrukt me. Ik heb het gevoel dat ik meer voor ze zou moeten kunnen doen nu ik mijn herinneringen weer heb. Hij probeerde me te breken, en hij faalde.’
‘Is dat wat er gebeurde, die dag op de Drakenberg?’
Daar had hij nog met niemand over gesproken. Hij schoof zijn stoel dichter naar de hare toe. ‘Daarboven besefte ik dat ik te veel over kracht had nagedacht. Ik wilde hard zijn, keihard. Door mezelf zo op te zwepen, liep ik het gevaar dat ik op den duur helemaal nergens meer om zou kunnen geven. Dat was fout. Als ik wil winnen, móét ik om dingen geven. Dat betekent helaas ook dat ik mezelf moet toestaan de pijn van hun dood te voelen.’
‘En je herinnert je Lews Therin nu?’ fluisterde ze. ‘Alles wat hij wist? Dat is niet alleen maar een voorwendsel van je?’
‘Ik ben hem. Dat ben ik altijd geweest. Ik weet het weer.’
Elayne zuchtte en haar ogen werden groot. ‘Wat een vóórdeel.’
Van alle mensen die hij dit had verteld, reageerde alleen zij zo. Wat een prachtvrouw.
‘Ik heb al die kennis, maar dat vertelt me nog niet wat ik moet doen.’ Hij stond op en begon te ijsberen. ‘Ik zou in staat moeten zijn om het op te lossen, Elayne. Niemand zou nog voor me moeten sterven. Dit is mijn strijd. Waarom moeten alle anderen er zo onder lijden?’
‘Wil je ons het recht ontzeggen om te strijden?’ vroeg ze, en ze rechtte haar rug.
‘Nee, natuurlijk niet,’ antwoordde Rhand. ‘Ik zou je niets kunnen ontzeggen. Ik wou alleen dat ik... dat ik dit gewoon allemaal kon laten ophouden. Waarom kan mijn offer niet genoeg zijn?’
Ze stond op en pakte zijn arm vast. Hij keek haar aan.
Toen kuste ze hem.
‘Ik hou van je,’ zei ze. ‘Je bént een koning. Maar als je de goede mensen van Andor het recht zou ontzeggen zichzelf te verdedigen, het recht om te strijden in de Laatste Slag...’ Haar ogen fonkelden en haar wangen kleurden. Licht! Zijn opmerkingen hadden haar echt boos gemaakt.
Hij wist nooit helemaal zeker wat ze zou zeggen of doen, en dat wond hem op. Net als wanneer je naar nachtbloeiers keek. Je wist dat wat er komen ging mooi zou zijn, maar nooit helemaal welke vorm die schoonheid zou aannemen.
‘Ik zei al dat ik je je recht om te vechten niet zou ontzeggen,’ zei Rhand.
‘Het gaat niet alleen maar om mij, Rhand. Het gaat om iedereen. Kun je dat begrijpen?’
‘Ik denk het wel.’
‘Mooi.’ Elayne ging weer zitten, nam een slokje thee en trok een vies gezicht.
‘Is het bedorven?’ vroeg Rhand.
‘Ja, maar dat ben ik wel gewend. Al is het eigenlijk bijna erger dan helemaal niets drinken, zo verrot als alles smaakt.’
Rhand liep naar haar toe en pakte de kom uit haar hand. Hij hield hem even vast, maar geleidde niet. ‘Ik heb iets voor je meegenomen. Dat was ik nog vergeten te zeggen.’
‘Thee?’
‘Nee, dit is maar een bijgedachte.’ Hij gaf haar de kom terug en ze nam een slokje.
Haar ogen werden groot. ‘Het is héérlijk. Hoe doe je dat?’
‘Dat doe ik niet,’ zei Rhand, die weer ging zitten. ‘Het Patroon doet het.’
‘Maar...’
‘Ik ben ta’veren,’ legde Rhand uit. ‘Er gebeuren dingen om me heen, onvoorspelbare dingen. Heel lange tijd was er evenwicht. Als in het ene dorp iemand ineens een grote schat onder de trap vond, ontdekten mensen in het volgende stadje waar ik kwam dat hun munten nep waren, hun toegespeeld door een slimme vervalser.
De een stierf een verschrikkelijke dood, de ander werd gered door een toevallig wonder. Sterfte en wedergeboorte. Huwelijken en scheidingen. Ik zag eens een veer uit de lucht dwarrelen en met de punt in de modder belanden, zodat hij daar bleef staan. Bij de volgende tien die vielen, gebeurde exact hetzelfde. Het was allemaal willekeurig. Twee kanten van een munt.’
‘Deze thee is niet willekeurig.’
‘Jawel,’ zei Rhand. ‘Maar snap je, ik krijg tegenwoordig maar één kant van de munt. Iemand anders doet de slechte kant. De Duistere brengt verschrikkingen in de wereld, veroorzaakt sterfte, misdaden, waanzin. Maar het Patroon... het Patroon is evenwicht. Dus werkt het Patroon via mij om de andere kant aan te leveren. Hoe harder de Duistere werkt, hoe krachtiger het effect om mij heen wordt.’
‘Dat groeiende gras,’ zei Elayne. ‘Die wijkende wolken. Het voedsel weer eetbaar...’
‘Ja.’ Nou, af en toe hielpen andere trucs, maar die noemde hij niet. Hij groef in zijn zak en haalde er een buideltje uit.
‘Als wat jij zegt waar is,’ antwoordde Elayne, ‘dan kan er nooit goedheid in de wereld zijn.’
‘Natuurlijk wel.’
‘Zal het Patroon dat dan niet in evenwicht proberen te brengen?’ Hij aarzelde. Die redenering kwam te dicht bij hoe hij was gaan denken voordat hij naar de Drakenberg ging: dat hij geen opties had, dat zijn leven al voor hem was uitgestippeld. ‘Zolang we om dingen geven,’ zei Rhand, ‘kan er goedheid zijn. Het Patroon draait niet om gevoelens, het draait niet eens om goed en kwaad. De Duistere is een kracht van buitenaf, die het Patroon met geweld beïnvloedt.’
En Rhand zou daar een einde aan maken. Als hij kon.
‘Hier,’ zei Rhand. ‘Het geschenk waar ik het over had.’ Hij schoof het buideltje naar haar toe.
Elayne keek hem nieuwsgierig aan. Ze maakte de touwtjes los en haalde er een klein beeldje van een vrouw uit. De vrouw stond rechtop en droeg een stola om haar schouders, hoewel ze geen Aes Sedai leek te zijn. Ze had een volwassen gezicht, gerimpeld en wijs, en ze glimlachte.
‘Een angreaal?’ vroeg Elayne.
‘Nee, een Zaad.’
‘Een... zaad?’
‘Jij hebt het Talent om ter’angrealen te maken,’ zei Rhand. ‘Voor het maken van angrealen zijn andere bewerkingen nodig. Het begint met zoiets: een voorwerp gemaakt om je Kracht aan te trekken en dat in iets anders te stoppen. Het kost tijd, en het zal je een paar maanden verzwakken, dus probeer het niet uit zolang we nog in oorlog zijn. Maar toen ik dat ding vond, ergens vergeten, dacht ik aan jou. Ik vroeg me al af wat ik je kon geven.’
‘Rhand...’ Ze legde haar hand tegen zijn wang.
Hij legde zijn hand over de hare.
Zo bleven ze tot diep in de nacht zitten.
10
De inzet van draken
Perijn bereed Doorzetter, met achter hem de donderende hoefslagen van de lichte cavalerie uit Elaynes troepen: Witmantels, Mayeners, Geldaners en enkele leden van de Bond van de Rode Hand. Maar een heel klein deel van hun legers. Daar ging het juist om.
Ze stormden in een boog naar de Trolloks toe die buiten Caemlin kampeerden. De stad smeulde nog na. Elaynes strategie met de olie had de meeste schepsels naar buiten gedreven, hoewel een aantal nog de stadsmuren bezetten.