‘Boogschutters,’ brulde Arganda, ‘vuur!’ Zijn stem zou voor de meesten niet hoorbaar zijn bij het lawaai van rammelende pantsers, gesnuif van paarden en gebons van hoeven. Maar voldoende soldaten zouden het horen om het door te geven, en de rest wist toch wel wat ze moesten doen.
Perijn boog zich diep naar voren en hoopte dat hij zijn hamer deze keer niet nodig zou hebben. Ze stormden langs de Trolloks, trokken in een boog voor hen langs en schoten pijlen af, en toen wendden ze zich weer af van de stad.
Perijn keek onder het rijden over zijn schouder en werd beloond met de aanblik van Trolloks die voor de pijlenregen vielen. De Bond kwam na Perijns cavalerie, dichtbij genoeg om ook pijlen af te schieten.
Trollok-pijlen volgden hen. Zwarte pijlen, bijna zo dik als speren, afgeschoten met reusachtige bogen. Enkele van Perijns ruiters sneuvelden, maar hun aanval was snel geweest.
De Trolloks gaven hun plek buiten de stadsmuren niet op. De ruiters vertraagden en Arganda kwam naast Perijn rijden, kijkend over zijn schouder.
‘Ze vallen nog steeds niet aan.’
‘Dan bestoken we ze nog een keer,’ zei Perijn. ‘Elke paar uur, net zolang tot ze breken.’
‘Onze aanvallen gaan door, Majesteit,’ zei de boodschapper, die door een Poort gemaakt door twee Kinsvrouwen naar Elaynes kamp in het Woud was gekomen. ‘Heer Guldenoog meldt dat ze de hele dag zullen doorgaan als het moet.’
Ze knikte, en de boodschapper draaide zich om en reed terug. Het Breemwoud sluimerde. De bomen waren kaal, alsof ze wachtten op de winter. ‘Het kost te veel moeite om heen en weer te rijden met verslagen voor mij,’ zei Elayne ontevreden. ‘Als ik de gevechten met eigen ogen zou kunnen zien...’
Birgitte zei niets. De goudblonde zwaardhand hield haar blik naar voren gericht en gaf geen enkel teken dat ze die opmerking had gehoord.
‘Ik kan mezelf immers verdedigen,’ vervolgde Elayne, ‘zoals ik al een aantal keren heb bewezen.’
Geen antwoord. De twee paarden liepen geruisloos naast elkaar, met hun hoeven op zachte aarde. Het kamp om hen heen kon snel worden afgebroken en verplaatst. De ‘soldatententen’ waren canvas afdaken over touwen die strak tussen bomen waren gespannen. De enige reismeubelen waren die in haar eigen tent en het bevelspaviljoen. De Kinsvrouwen hadden voortdurend een groep klaarstaan met Poorten om Elayne en haar bevelvoerders verder het bos in te verplaatsen.
De meeste soldaten wachtten gespannen af. Elayne zou echter niét de strijd met de Trolloks aangaan op hun voorwaarden. Een paar vuisten Trolloks stonden nog op de stadsmuren, dus een rechtstreekse aanval zou op een ramp uitlopen omdat die monsters hen dan van bovenaf konden bestoken.
Ze zou ze meelokken. Als daar geduld voor nodig was, dan zij het zo. ‘Ik heb besloten,’ vervolgde Elayne tegen Birgitte. ‘Ik spring gewoon even door een Poort om zelf een blik te werpen op dat Trollok-leger. Van veilige afstand. Ik kan...’
Birgitte reikte onder haar hemd en haalde er het medaillon met de vossenkop onder vandaan, een van de drie onvolmaakte kopieën die Elayne had gemaakt. Mart had het origineel en een kopie. Mellar was ontkomen met de andere kopie.
‘Als je zoiets probeert,’ zei Birgitte, met haar blik nog vooruit, ‘dan smijt ik je over mijn schouder zoals een dronken kerel na een ruige avond een barmeid grijpt, en dan draag ik je terug naar het kamp. Het Licht sta me bij, ik dóé het, Elayne.’
Elayne fronste. ‘Waarom had ik je ook alweer zo’n medaillon gegeven?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet,’ zei Birgitte. ‘Je gaf er blijk mee van een opmerkelijk vooruitziende blik en daadwerkelijk een gevoel van zelfbehoud. Helemaal niks voor jou.’
‘Dat is niet eerlijk, Birgitte.’
‘Weet ik! Het is ontzettend oneerlijk dat ik me met jou bezig moet houden. Ik wist niet zeker of je het had gemerkt. Zijn alle jonge Aes Sedai zo roekeloos als jij, of ben ik gewoon met mijn neus in de boter gevallen?’
‘Hou op met dat geklaag,’ mompelde Elayne, terwijl ze glimlachte en knikte naar de mannen die haar in het voorbijgaan groetten. ‘Ik begin te wensen dat ik een zwaardhand had die in de Toren was opgeleid. Dan zou ik tenminste niet zoveel tegenspraak krijgen.’
Birgitte lachte. ‘Ik geloof dat je maar half zoveel van zwaardhanden begrijpt als je denkt, Elayne.’
Elayne liet de zaak rusten toen ze langs het Reisterrein reden, waar Sumeko en de andere Kinsvrouwen boodschappers heen en weer lieten Reizen van en naar de slagvelden. Voorlopig hield Elaynes afspraak met hen stand.
In de zak van haar gewaad droeg Elayne het formele antwoord van Egwene – de Amyrlin Zetel – met betrekking tot de Kinne en wat Elayne had gedaan. Ze voelde de hitte bijna van de brief afstralen, maar die ging verborgen onder officiële bewoordingen en de opmerking dat dit niet de tijd was om zich over dergelijke dingen druk te maken.
Elayne zou daar nog wat werk aan hebben. Uiteindelijk zou Egwene wel inzien dat het logisch was om de Kinsvrouwen in Andor te laten werken, onder toezicht van Elayne. Vlak achter het Reisterrein zag ze een vermoeid ogende Shienaraan die een waterbuidel aanpakte van een van de mannen uit Tweewater. De man met de knot had een ooglapje voor, en zijn gezicht kwam haar bekend voor.
‘Uno?’ vroeg Elayne verbaasd, en ze hield Maanschaduw staande.
Hij schrok en verslikte zich bijna in het water. ‘Elayne?’ vroeg hij, terwijl hij met zijn mouw over zijn voorhoofd veegde. ‘Ik had al gehoord dat jij nu de verrekte... de koningin bent. Maar dat moest ook eigenlijk wel, aangezien jij de verrekte Erfdochter was. Ik bedoel, de Erfdochter. Helemaal niet verrekt.’ De Shienaraanse man grimaste.
‘Je mag vloeken zoveel je wilt, Uno,’ zei Elayne droogjes. ‘Nynaeve is er niet. Wat doe je hier?’
‘De Amyrlin,’ zei hij. ‘Ze wilde een boodschapper hebben, en natuurlijk werd ik verdomme weer gekozen. Ik heb Egwenes verrekte verslag al aan je bevelvoerders gegeven, hoewel het natuurlijk geen reet zal uithalen. We hebben onze strijdposities al opgezet en zijn begonnen met het verkennen van Kandor, en het is er een verschrikkelijke puinzooi. Wil je bijzonderheden?’
Elayne glimlachte. ‘Ik hoor het verslag wel van mijn bevelvoerders, Uno,’ zei ze. ‘Rust even uit en ga dan op zoek naar een badkuip, jij steenpuist op de kont van een herder.’
Uno proestte een mondvol water uit. Elayne glimlachte. Die laatste beschimping had ze toevallig de vorige dag van een soldaat gehoord, en ze wist nog steeds niet waarom hij zo vreselijk was, maar hij had het gewenste effect.
‘Ik moet... Nee, ik hoef geen bad,’ zei Uno. ‘Eh, Majesteit. Ik heb mijn vijf minuten rust gehad. De Trolloks kunnen snel genoeg aanvallen in dat rottige Kandor, en ik wil niet dat de anderen vechten zonder mij.’ Hij groette haar met zijn hand over zijn borst en maakte een buiging voordat hij zich naar het Reisterrein haastte.
‘Jammer,’ zei Birgitte, ‘hij was gezellig om mee te drinken. Ik had het wel leuk gevonden als hij een tijdje was gebleven.’ Via de binding voelde Egwene een andere reactie van haar terwijl ze naar Uno’s achterwerk keek.
Elayne bloosde. ‘Daar is nu geen tijd voor. Voor géén van die dingen.’
‘Ik kijk alleen maar,’ zei Birgitte onschuldig. ‘En nu moeten we zeker de verslagen van de andere slagvelden gaan aanhoren.’
‘Ja, inderdaad,’ zei Elayne ferm.
Birgitte sprak haar ergernis niet uit, maar Elayne voelde het. Birgitte had een hekel aan strategie, iets wat Elayne vreemd vond bij een vrouw die in duizenden veldslagen had gestreden, een heldin die talloze levens had gered tijdens enkele van de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis.
Ze kwamen bij het bevelspaviljoen aan, een van de weinige volledige tenten die het leger bij zich had. Binnen trof ze Bashere aan, die overlegde met enkele bevelvoerders. Abel Cauton, Gallenne en Trom, onderbevelhebber van de Witmantels. Galad zelf, net als Perijn, was bij de aanvalstroepen bij Caemlin. Elayne vond Trom verrassend inschikkelijk. Veel meer dan Galad zelf.