‘En?’ vroeg ze.
‘Majesteit,’ zei Trom met een buiging. Hij vond het niet prettig dat ze een Aes Sedai was, maar hij verborg het goed. De anderen in de tent groetten haar ook, hoewel Bashere alleen maar vriendelijk zwaaide en meteen naar hun slagveldkaarten wees.
‘We hebben verslagen binnen van alle fronten,’ meldde Bashere. ‘Vluchtelingen uit Kandor stromen naar de Amyrlin en haar soldaten, en daarbij is ook een flink aantal mannen dat kan vechten. De meesten zijn huissoldaten of wachters van kooplieden geweest. Ituraldes troepen wachten nog op de Draak voordat ze naar Shayol Ghul gaan.’ Bashere wreef over zijn snor. ‘Zodra ze die vallei in gaan, zal er geen aftocht meer mogelijk zijn.’
‘En het Grenslanderleger?’ vroeg Elayne.
‘Dat houdt stand,’ antwoordde Bashere, wijzend op een kaart van Shienar. Elayne vroeg zich terloops af of Uno wenste dat hij met de rest van zijn volk bij de Kloof kon strijden. ‘De laatste boodschapper zei dat ze bang waren onder de voet te worden gelopen en dat ze een beheerste aftocht overwegen.’
Elayne fronste. ‘Staat het er daar zo slecht voor? Ze moesten standhouden tot ik de Trolloks in Andor kon afslachten en naar hem toe kon gaan. Dat was de bedoeling.’
‘Dat klopt,’ beaamde Bashere.
‘En nu gaat u me vertellen dat elk voornemen in een oorlog alleen maar standhoudt totdat het eerste zwaard is getrokken,’ zei Elayne. ‘Of misschien totdat de eerste pijl is afgeschoten?’
‘Tot de eerste lans is geheven,’ mompelde Bashere.
‘Dat besef ik,’ zei Elayne, die met haar vinger op de kaart drukte. ‘Maar ik weet ook dat heer Agelmar als generaal goed genoeg is om een bende Trolloks tegen te houden, vooral met de steun van de Grenslanderlegers.’
‘Ze houden voorlopig ook nog steeds stand,’ beaamde Bashere. ‘Maar ze staan toch ontzettend onder druk.’ Hij stak een hand op om haar tegenwerpingen voor te zijn. ‘Ik weet dat u zich zorgen maakt om een aftocht, maar ik raad u aan niet te proberen Agelmar buiten spel te zetten. Hij heeft zijn naam als grote kapitein verdiend, en hij zit daar, terwijl wij ver weg zijn. Hij weet wel wat hij moet doen.’
Ze haalde diep adem. ‘Ja. U hebt gelijk. Kijk wel of Egwene hem soldaten kan sturen. Intussen moeten wij onze strijd hier snel winnen.’ Een strijd op vier fronten zou de middelen snel uitputten.
Elayne had niet alleen bekend terrein om op te strijden, maar ook het meeste voordeel. Als de andere legers konden standhouden terwijl zij de Trolloks in Andor uitroeide, kon ze zich daarna bij Lan en Agelmar aansluiten en de patstelling bij de Kloof in een overwinning laten omslaan. Van daaruit kon ze dan versterking bieden aan Egwene en Kandor weer opeisen.
Elaynes leger was de hoeksteen van de hele operatie. Als zij niet won in Andor, zouden de andere legers geen versterking krijgen. Lan en Ituralde zouden hun uitputtingsslag verliezen. Egwene had misschien een mogelijkheid om te slagen, afhankelijk van wat de Schaduw haar toewierp. Elayne wilde daar liever niet achterkomen.
‘Die Trolloks moeten ons aanvallen,’ zei ze. ‘Nu.’
Bashere knikte.
‘Voer de bestoking op,’ zei Elayne. ‘Blijf ze onophoudelijk met salvo’s pijlen beschieten. Maak duidelijk dat als ze niet aanvallen, we ze net zolang blijven bestoken tot er niets van ze over is.’
‘En als ze zich gewoon terugtrekken in de stad?’ vroeg Trom. ‘Er worden steeds meer branden geblust.’
‘Dan, of we het leuk vinden of niet, halen we die draken erbij en beginnen Caemlin te beschieten. We hebben geen tijd meer om te wachten.’
Androl had moeite om wakker te blijven. Het drankje dat ze hem gegeven hadden... het maakte hem suf. Wat was daar de bedoeling van?
Het heeft iets met geleiden te maken, dacht Androl verdoofd. De Ene Bron was buiten zijn bereik, hoewel hij niet afgeschermd was. Wat voor drankje kon dat met je doen?
Die arme Emarin lag te huilen in zijn boeien. Ze hadden hem nog niet weten te Bekeren, maar naarmate de uren verstreken leek hij steeds dichter op het randje van breken. Androl rekte zich uit en draaide zijn hoofd om. Heel vaag zag hij de dertien mannen die Taim voor het proces had ingezet. Ze zaten onderuitgezakt om een tafel in de schemerige ruimte, zo te zien uitgeput.
Androl herinnerde zich... Taim die de dag ervoor had lopen schreeuwen. Hij voer uit tegen de mannen, zei dat hun werk te langzaam ging. Ze hadden veel kracht verbruikt bij de eerste mannen en vrouwen die ze hadden Bekeerd, en nu hadden ze het kennelijk moeilijken
Pevara sliep. Door die thee waarschijnlijk. Ze hadden hem eerst aan haar gegeven en toen pas aan Androl, bijna als bijgedachte. Ze leken hem meestal te vergeten. Taim was zelfs kwaad geworden toen hij ontdekte dat zijn trawanten de thee aan Pevara hadden gegeven. Het leek erop dat hij haar als volgende had willen Bekeren, en voor dat proces was het nodig dat het slachtoffer kon geleiden.
‘Laat me los!’
Androl keek om bij het horen van de nieuwe stem. Abors en Mishraile sleepten iemand naar binnen, een kleine vrouw met een koperkleurige huid. Het was Toveine, een Aes Sedai die Logain had gebonden.
Verderop begon Logain – met zijn ogen dicht, als een man die door een bende kwade kerels in elkaar was geslagen – zich te verroeren.
‘Wat doen jullie!’ gilde Toveine. ‘Licht! Ik...’ Ze brak haar zin af toen Abors een doek voor haar mond bond. De man met de dikke wenkbrauwen was een van de eersten die bereidwillig naar Taim waren gegaan, in de dagen voordat het Bekeren was begonnen.
Hoewel zijn gedachten nog troebel waren, probeerde Androl zijn handen los te trekken uit de touwen. Ze waren steviger vastgebonden. O ja. Evin had gezien wat hij had geprobeerd en ze opnieuw vastgemaakt.
Hij voelde zich zo machteloos. Nutteloos. Hij haatte dat gevoel. Als er één ding was waar Androl zijn hele leven aan had gewijd, was het om nooit nutteloos te zijn. Om altijd iets te weten over de gebeurtenissen om hem heen.
‘Zij is de volgende,’ verklaarde Taim.
Androl draaide en strekte zijn nek. Taim zat aan tafel. Hij wilde er altijd graag bij zijn als mensen werden Bekeerd, maar hij keek niet naar Toveine. Hij speelde met iets in zijn handen. Een schijfvormig ding...
Ineens stond hij op en stopte de schijf in een buidel aan zijn middel. ‘De anderen klagen over uitputting door het vele Bekeren. Nou, als ze deze Bekeren, mag ze zich bij hen aansluiten en hun haar kracht lenen. Mishraile, kom met mij mee. Het is tijd.’
Mishraile en enkele anderen gingen met Taim mee. Ze hadden ergens gestaan waar Androl hen niet kon zien.
Taim beende naar de deur. ‘Ik wil dat die vrouw Bekeerd is als ik terugkom,’ beval hij.
Lan galoppeerde over de rotsachtige grond, op weg naar de Kloof voor wat wel de honderdste keer leek, hoewel hij hier nog geen week aan het vechten was.
Prins Kaisel en koning Easar galoppeerden naast hem mee. ‘Wat is er, Dai Shan?’ riep Kaisel. ‘Nóg een aanval? Ik heb geen noodsignaal gezien!’
Lan boog zich grimmig over het zadel. Hij voerde enkele honderden Malkieri mee in de schemering, tussen brandstapels van karkassen en hout door. Karkassen verbranden was moeilijk, maar ze hadden niet alleen het licht nodig, ze wilden de Trolloks ook een paar maaltijden onthouden.
Lan hoorde iets verderop, iets wat hem doodsbang maakte. Iets wat hij had gevreesd.
Ontploffingen.
Het gebons in de verte klonk alsof er rotsblokken tegen elkaar aan botsten. Bij elke knal beefde de lucht.
‘Licht!’ Koningin Ethenielle van Kandor sloot zich bij hen aan, galopperend op haar witte ruin. Ze riep hem toe: ‘Is dat wat ik denk dat het is?’
Lan knikte. Vijandelijke geleiders.
Ethenielle riep achterom naar haar gevolg, maar hij kon niet verstaan wat ze zei. Ze was een mollige vrouw, een beetje moederlijk voor een Grenslander. Bij dat gevolg van haar waren ook heer Baldhere – haar zwaarddrager – en de getaande Kalyan Ramsin, haar nieuwe echtgenoot.
Ze naderden de Kloof, waar strijders vochten om de Trolloks opgesloten te houden. Een groep Kandoraanse ruiters bij de kampvuren vooraan werd plotseling de lucht in geslingerd.