‘Heer Mandragoran!’ Een gestalte in een zwarte jas zwaaide naar hen. Narishma kwam aanrennen, met zijn Aes Sedai aan zijn zijde. Lan hield altijd één geleider aan het front, maar hij had ze het bevel gegeven om niet te vechten. Ze moesten beschikbaar blijven voor noodgevallen.
Zoals dit.
‘Geleiders?’ vroeg Lan, terwijl hij Mandarb inhield.
‘Gruwheren, Dai Shan,’ zei Narishma hijgend. ‘Misschien wel twee dozijn.’
‘Zeker twintig geleiders,’ zei Agelmar. ‘Ze zullen door ons heen snijden als een zwaard door een lamsbout.’
Lan keek uit over het bittere landschap, ooit zijn thuisland. Een thuisland dat hij nooit had gekend.
Hij zou Malkier moeten verlaten. Dat besef voelde alsof er een mes in zijn lijf werd gestoken, maar hij zou het doen. ‘U krijgt uw aftocht, heer Agelmar,’ zei Lan. ‘Narishma, kunnen je geleiders iets doen?’
‘We kunnen proberen hun wevingen uit de lucht te meppen als we dichtbij genoeg gaan,’ zei Narishma. ‘Maar het zal niet meevallen, misschien wel onmogelijk zijn, zolang ze alleen maar linten van Vuur en Aarde gebruiken. Bovendien hebben ze er zoveel... misschien worden wij dan wel doelwitten. Ik vrees dat het ons het leven zou kosten...’
De aarde beefde van een volgende ontploffing, en Mandarb steigerde en gooide Lan bijna uit het zadel. Lan probeerde het paard in bedwang te houden, haast verblind door de lichtflits.
‘Dai Shan!’ Narishma’s stem.
Lan knipperde tranen uit zijn ogen weg.
‘Ga naar koningin Elayne!’ brulde Lan. ‘Haal geleiders op om onze aftocht te dekken. Zonder hen worden we aan repen gehakt. Schiet op, man!’
Agelmar brulde de aftocht en haalde boogschutters naar voren, om de geleiders te beschieten en te dwingen dekking te zoeken. Lan trok zijn zwaard en galoppeerde naar voren om de ruiters terug te halen.
Het Licht behoede ons, dacht Lan, terwijl hij zichzelf schor schreeuwde en redde wat er te redden viel van zijn cavalerie. De Kloof was verloren.
Elayne wachtte zenuwachtig net binnen de rand van het Breemwoud.
Het was een oud bos, het soort bos dat een heel eigen ziel leek te hebben. De oude bomen waren de kromme vingers ervan, opgestoken uit de aarde om de wind te strelen.
Je voelde je snel nietig in een woud als dit. Hoewel de bomen kaal waren, had Elayne het gevoel dat er duizend paar ogen naar haar keken vanuit de diepten van het bos. Ze merkte dat ze terugdacht aan de verhalen die ze als kind had gehoord. Er was haar verteld dat dit bos vol was met struikrovers, sommige goedaardig, andere met een hart zo verwrongen als dat van de Duistervrienden.
Trouwens... dacht Elayne, denkend aan een van die verhalen. Ze wendde zich tot Birgitte. ‘Heb jij niet een keer een troep dieven dit bos uit geleid?’
Birgitte trok een grimas. ‘Ik hoopte dat je dat verhaal niet had gehoord.’
‘Jij hebt de koningin van Aldeshar beroofd!’ riep Elayne.
‘Ik heb het heel beleefd aangepakt,’ zei Birgitte. ‘Ze was géén goede koningin. Veel mensen beweerden dat ze niet de rechtmatige koningin was.’
‘Het gaat om het beginsel!’
‘Dat is nou juist waarom ik het deed.’ Birgitte fronste. ‘Althans... dat geloof ik...’
Elayne drong niet verder aan. Birgitte werd altijd ongerust als ze erbij stilstond dat haar herinneringen aan vorige levens vervaagden.
Elayne leidde de achterhoede, die – in theorie – de grootste schade zou aanbrengen aan de vijand.
Droge bladeren knerpten toen een hijgende boodschapper aankwam vanaf het Reisterrein. ‘Ik kom uit Caemlin, Majesteit,’ zei de vrouw met een korte buiging vanaf haar paard. ‘Heer Aybara heeft de Trolloks eindelijk meegekregen. Ze zijn onderweg.’
‘Licht, ze hebben in het aas gehapt,’ zei Elayne. ‘Nu moeten we ons voorbereiden. Ga even rusten, want je hebt straks al je kracht nodig.’
De boodschapper knikte en galoppeerde weg. Elayne gaf het laatste nieuws door aan Talmanes, de Aiel en Tam Altor.
Toen Elayne geritsel in het bos hoorde, stak ze haar hand op en onderbrak het verslag van een Gardevrouw. Maanschaduw danste onrustig naar voren langs de mannen die ineengedoken in het kreupelhout rondom Elayne zaten. Niemand sprak. De soldaten leken hun adem in te houden.
Elayne omhelsde de Bron. De Kracht stroomde door haar heen, en daarmee de zoetheid van een helderdere wereld. Het stervende bos leek kleurrijker in de omhelzing van saidar. Ja. Er klom iets over de heuvels, niet ver weg. Haar soldaten. Duizenden mannen, die hun paarden aanspoorden tot het randje van de uitputting en er voorbij, naderden snel het Woud. Elayne hief haar kijkglas en zag de deinende massa Trolloks, die achter hen aan renden als zwarte golven over een toch al beschaduwd land.
‘Eindelijk!’ riep Elayne uit. ‘Boogschutters, naar voren!’
De mannen uit Tweewater klauterden voor haar de struiken uit en stelden zich nog net binnen de boomgrens op. Zij waren een van de kleinste onderdelen van haar leger, maar als de verslagen over hun kunde niet overdreven waren, zouden ze evenveel kunnen uitrichten als een drie keer zo grote groep gewone boogschutters.
Een paar jongere mannen begonnen pijlen op hun bogen te zetten.
‘Wachten!’ riep Elayne. ‘Ónze mensen lopen voorop!’
Tam en zijn kapiteins herhaalden het bevel. De mannen lieten zenuwachtig hun bogen zakken.
‘Majesteit,’ zei Tam, die naar haar paard toe liep. ‘De jongens kunnen ze op deze afstand al raken.’
‘Onze soldaten lopen er nog voor,’ zei Elayne. ‘We moeten wachten tot ze naar de zijkanten uitwaaieren.’
‘Vrouwe,’ drong Tam aan, ‘geen enkele man uit Tweewater zou een schot zoals dit missen. Die ruiters zijn veilig, en de Trolloks hebben ook bogen.’
Wat dat laatste betrof had hij gelijk. Enkele Trolloks onderbraken hun achtervolging lang genoeg om hun reusachtige zwarthouten bogen aan te spannen. Perijns mannen reden met de rug naar ze toe, en bij een flink aantal staken al pijlen met donkere veren uit hun rug of het lijf van hun paard.
‘Vuur,’ zei Elayne. ‘Boogschutters, vuur!’ Birgitte gaf het bevel door terwijl ze langs de rij reed. Tam blafte bevelen naar de mannen om hem heen.
Elayne liet het kijkglas zakken toen er een briesje door het bos trok, waardoor dorre bladeren knisperden en skeletachtige takken ratelden. De mannen uit Tweewater spanden hun bogen. Licht! Konden ze écht van zo’n afstand hun doel treffen? De Trolloks waren nog honderden passen bij hen vandaan.
Pijlen vlogen de lucht in als haviken die zich afzetten van hun nesten. Ze had Rhand wel eens horen opscheppen over zijn boog, en ze had ook wel eens een lange Tweewaterse boog aan het werk gezien. Maar dit... duizenden pijlen vlogen met een ongelooflijke nauwkeurigheid de lucht in...
De pijlen maakten een boog en gingen weer omlaag, en niet één schot kwam te kort. Ze regenden op de gelederen van de Trolloks, vooral op hun boogschutters. Een paar afgedwaalde Trollok-pijlen keerden terug, maar de mannen uit Tweewater hadden hun gelederen al handig opgebroken.
‘Dat is een mooi staaltje boogschietkunst,’ zei Birgitte, die weer aan kwam rijden. ‘Heel fraai...’
De mannen uit Tweewater lieten nog twee salvo’s gaan toen Perijns ruiters het bos in reden.
‘Kruisboogschutters!’ beval Elayne, die haar zwaard trok en het hoog in de lucht stak. ‘Voorwaarts, Legioen van de Draak!’
De mannen uit Tweewater stapten achteruit tussen de bomen en de kruisboogschutters kwamen naar voren. Ze had twee volledige banieren gekregen uit het Legioen van de Draak, en Bashere had ze goed opgeleid. Ze vormden drie rijen, waarvan er één tegelijk ging staan om te schieten terwijl de andere bijlaadden. Het salvo dat ze op de Trolloks af stuurden, trof doel als een beukende golf, er voer een huivering door het oprukkende leger en duizenden monsters vielen dood neer.
Elayne wees met haar zwaard naar de Trolloks. De mannen uit Tweewater waren in de eerste rij bomen geklommen en schoten van daaruit hun pijlen af. Ze waren bij lange na niet zo nauwkeurig vanaf die wankele plekken, maar dat hoefde ook niet. De Trolloks werden nu van voren en van boven bestookt en begonnen over hun dode kameraden te struikelen.