Egwene bekeek ze met opgetrokken wenkbrauwen. Toen glimlachte ze.
Nog nooit had Mart zoveel ketellappers in de buurt van Ebo Dar gezien. Felgekleurde wagens ontsproten als levendige paddenstoelen op een verder grijsbruin veld. Het waren er voldoende om een stad te vormen, verdomme. Een stad van ketellappers? Dat zou net zoiets zijn als... als een stad vol Aiel. Het hóórde gewoon niet.
Mart draafde op Pips over de weg. Natuurlijk was er al een Aielstad. Misschien zou er op een dag ook een ketellappersstad zijn. Ze zouden alle gekleurde verf opkopen en alle andere mensen op de wereld zouden bruin moeten dragen. Er zou niet worden gevochten in die stad, dus zou het er regelrecht saai zijn, maar er zou ook binnen een omtrek van dertig roeden geen pan met een gat in de bodem meer te vinden zijn!
Mart glimlachte en gaf Pips een klopje. Hij had zijn ashandarei zo goed mogelijk ingepakt en op zijn paard gebonden, zodat hij leek op een wandelstok. Zijn hoed zat in de ransel die aan de zadeltassen hing, samen met al zijn mooie jassen. Van de jas die hij droeg had hij het kant afgescheurd. Dat was wel jammer, maar hij wilde niet herkend worden.
Hij droeg een ruw verband om zijn hoofd om te verbergen dat hij een oog miste. Toen hij de Dal Eira-poort naderde, sloot hij achter aan de rij van mensen die wachtten op toestemming om naar binnen te gaan. Hij zou eruit moeten zien als gewoon weer een gewonde huurling die de stad in reed op zoek naar veiligheid of misschien werk.
Mart zorgde ervoor dat hij onderuitgezakt in zijn zadel zat. Hou je hoofd omlaag: goede raad op het slagveld én wanneer je een stad binnenging waar mensen je kenden. Hij kon hier niet Martrim Cauton zijn. Martrim Cauton had de koningin van deze stad vastgebonden achtergelaten, waarna ze was vermoord. Velen zouden hem verdenken van die moord. Licht, hij zou zichzelf óók verdenken. Beslan zou hem nu wel haten, en er viel niet te bepalen hoe Tuon over hem dacht nu ze elkaar al een tijdje niet meer hadden gezien.
Ja, hij kon beter zijn hoofd omlaag houden en niet opvallen. Hij zou eerst eens kijken hoe het hier was. Als hij tenminste ooit opschoot in die verrekte rij. Wie had er ooit van gehoord dat je in de rij moest staan om een stad binnen te komen?
Eindelijk kwam hij bij de poort aan. De verveelde soldaat daar had een gezicht als een oude schep. Het zat onder het vuil en zou beter op zijn plaats zijn in een afgesloten schuur ergens. Hij bekeek Mart van top tot teen.
‘Heb je de geloften afgelegd, reiziger?’ vroeg de wachter met een lome Seanchaanse tongval. Aan de andere kant van de poort wenkte een soldaat de volgende in de rij naar voren.
‘Ja, dat heb ik zeker,’ zei Mart. ‘De geloften aan het grote Seanchaanse Keizerrijk en aan de Keizerin zelf, moge zij eeuwig leven. Ik ben maar een arme, reizende huurling, ooit dienaar van het huis Haak, een nobele familie in Morland. Ik ben mijn oog twee jaar geleden kwijtgeraakt door een stel schurken in het Tweenwoud, toen ik een jong kind beschermde dat ik in het bos aantrof. Ik heb haar grootgebracht als mijn eigen dochter, maar...’
De soldaat wuifde hem door. Hij keek er niet bij alsof hij had geluisterd. Mart overwoog te blijven staan. Waarom dwongen die soldaten mensen eerst zo lang in de rij te staan, waar ze de tijd hadden om een goede dekmantel te verzinnen, om er dan vervolgens niet eens naar te luisteren? Dat kon mensen krenken. Maar niet Martrim Cauton, die altijd opgewekt en niet gauw op zijn tenen getrapt was. Maar andere mensen vast wel.
Mart reed door en toomde zijn ergernis in. Nu hoefde hij alleen nog maar naar de juiste taveerne te gaan. Jammer dat Setalles herberg geen optie meer was. Die had...
Hij verstijfde in het zadel, hoewel Pips rustig doorliep. Mart had heel even naar de andere wachter bij de poort gekeken. Dat was Petra, de sterke man van Valan Luca’s beestenspul!
Mart keek de andere kant op, zakte weer onderuit in zijn zadel en keek toen snel over zijn schouder. Ja, dat was beslist Petra. Die boomstammen van armen en die boomstronk van een nek waren onmiskenbaar. Petra was geen lange man, maar hij was zo breed dat een heel leger in zijn schaduw kon staan. Wat deed hij weer in Ebo Dar? Waarom droeg hij een Seanchaans uniform? Mart wilde bijna naar hem toe gaan om met hem te praten, want ze hadden het altijd goed met elkaar kunnen vinden, maar dat Seanchaanse uniform weerhield hem ervan.
Nou, in ieder geval was zijn geluk met hem. Als hij naar Petra was gestuurd in plaats van de wachter bij wie hij terecht was gekomen, dan zou hij meteen zijn herkend. Mart zuchtte, stapte af en leidde Pips aan de hand mee. Het was druk in de stad en hij wilde niet dat het paard iemand ondersteboven liep. Bovendien was Pips zodanig beladen dat hij wel een pakpaard leek – voor lieden die niets van paarden wisten – en te voet viel Mart misschien minder op.
Misschien had hij zijn zoektocht moeten beginnen in een taveerne in de Rahad. Geruchten waren alomtegenwoordig in de Rahad, net als dobbelspelletjes. Het was ook de beste plek om een mes in je pens te krijgen, en dat zei wel iets in Ebo Dar. In de Rahad pakten mensen net zo snel hun mes om je te vermoorden als dat ze je goedemorgen wensten.
Hij ging niet naar de Rahad. Het zag er nu anders uit. Er kampeerden soldaten buiten. Generaties van bestuurders van Ebo Dar hadden de Rahad onbeperkt laten etteren, maar de Seanchanen waren niet zo achteloos.
Mart wenste ze veel geluk. De Rahad had tot nu toe elke poging tot opschonen weerstaan. Licht. Rhand had zich gewoon daar moeten verstoppen in plaats van mee te vechten in de Laatste Slag. De Trolloks en Duistervrienden die achter hem aan kwamen, zouden in de Rahad bewusteloos in een steeg eindigen, hun zakken binnenstebuiten gekeerd en hun schoenen verkocht voor geld om soep van te kopen.
Mart baande zich een weg over een drukke brug over het kanaal en hield zijn zadeltassen nauwlettend in het oog, maar tot nu toe had nog geen enkele beurzensnijder een poging gewaagd. Met een Seanchaanse wachter op elke andere straathoek snapte hij wel waarom.
Terwijl hij langs een man liep die het nieuws van de dag uitschreeuwde, met zinspelingen dat hij voor een paar munten goede roddels had, merkte Mart dat hij glimlachte. Hij stond ervan te kijken hoe bekend, zelfs vertrouwd, deze stad voelde. Hij had het hier fijn gehad. Hoewel hij zich nog vaag herinnerde dat hij iets had gemopperd over weg willen gaan – waarschijnlijk vlak nadat die muur op hem was gevallen, want Martrim Cauton was geen man die vaak mopperde – besefte hij nu dat zijn tijd in Ebo Dar een van de beste in zijn leven was geweest. Meer dan genoeg vrienden om mee te kaarten en dobbelen in de Rahad.
Tylin. Bloed en as, maar dat was een leuk spel geweest. Ze had hem steeds weer verslagen. Het Licht zende hem veel vrouwen die daartoe in staat waren, maar niet te snel achter elkaar, en alleen wanneer hij de achterdeur wist te vinden. Tuon was er een van. Eigenlijk, nu hij erbij stilstond, zou hij waarschijnlijk nooit meer een andere vrouw nodig hebben. Zij was meer dan lastig genoeg voor één man, voor de rest van zijn leven. Mart glimlachte en gaf Pips een klopje op de hals. Het paard blies langs Marts nek.
Vreemd genoeg voelde het hier meer als thuis dan in Tweewater. Ja, de Ebo Daranen waren prikkelbaar, maar elk volk had zo zijn nukken. Eigenlijk, dacht Mart, had hij nooit een volk ontmoet dat niet over een of ander iets prikkelbaar was. De Grenslanders waren onbegrijpelijk, net als de Aiel, dat sprak voor zich. De Cairhienin met hun vreemde spelletjes, de Tyreners met hun belachelijke hiërarchieën, de Seanchanen met hun... Seanchaansheid.
En zo was het. Iedereen buiten Tweewater, en in mindere mate Andor, was volslagen waanzinnig. Daar moest je als man gewoon op voorbereid zijn.
Hij wandelde verder en zorgde wel dat hij beleefd bleef, want hij had geen zin in een mes in zijn buik. Het rook er naar honderd soorten zoetigheden, en het geroezemoes van alle mensen was een laag gegons in zijn oren. De Ebo Daranen droegen nog steeds hun kleurrijke uitdossingen. Misschien waren de ketellappers daarom wel hierheen gekomen, aangetrokken tot de felle kleuren als soldaten tot de kookpot. De Ebo Daraanse vrouwen droegen gewaden met strak aangesnoerde lijfjes waar hun boezems uit puilden. Niet dat Mart daarnaar keek, natuurlijk. Onder hun rokken droegen ze gekleurde onderrokken, en ze speldden de zijkant of voorkant omhoog om die te laten zien. Dat had hij nooit begrepen. Waarom zou je de kleurrijkste delen onderop dragen? En zo ja, waarom zou je dan zoveel moeite doen om ze te bedekken en vervolgens de buitenkant weer op te spelden?