Выбрать главу

De mannen droegen lange vesten met al evenveel kleuren, misschien om de bloedvlekken minder zichtbaar te maken als ze werden neergestoken. Het was zonde om een goed vest weg te gooien alleen maar omdat de vorige eigenaar was vermoord nadat hij iemand had gevraagd hoe laat het was. Maar... terwijl Mart doorliep, zag hij minder gevechten dan hij had verwacht. Er was in dit deel van de stad nooit zoveel geknokt als in de Rahad, maar er waren dagen geweest waarop hij amper twee stappen had kunnen verzetten zonder langs een stel mannen te komen die elkaar met messen te lijf gingen. Vandaag zag hij daar helemaal niets van.

Enkele Ebo Daranen – je herkende ze vaak aan hun olijfkleurige huid – liepen rond in Seanchaanse kleding. Iedereen was heel beleefd. Zo beleefd als een zesjarig jochie dat net had gehoord dat je een versgebakken appeltaart in de keuken had staan.

De stad was nog hetzelfde, maar toch anders. Het gevoel was een heel klein tikje veranderd. En het kwam niet alleen doordat er geen schepen van het Zeevolk meer in de haven lagen. Het kwam door de Seanchanen, natuurlijk. Ze hadden regels opgelegd sinds hij was vertrokken. Wat voor regels?

Mart bracht Pips naar een stal die er vrij betrouwbaar uitzag. Een snelle blik naar binnen vertelde hem dat ze goed voor hun dieren zorgden, en er stonden veel heel mooie paarden. Je kon het beste vertrouwen op een stal met fraaie paarden, hoewel die je wat meer zou kosten.

Hij liet Pips achter, nam zijn ransel mee en gebruikte de nog ingepakte ashandarei als wandelstok. De juiste taveerne uitzoeken was even lastig als het kiezen van een goede wijn. Je moest er een hebben die oud was, maar niet vervallen. Schoon, maar niet té schoon, want een smetteloze taveerne was er een die niet veel werd gebruikt. Mart had de pest aan taveernes waar mensen alleen maar rustig thee zaten te drinken, waar ze alleen maar kwamen om zich te laten zien.

Nee, een goede taveerne moest er versleten en gebruikt uitzien, als goede laarzen. Hij moest ook betrouwbaar zijn, wederom net als goede laarzen. Zolang het bier er niet smaakte als goede laarzen, had je een geschikte te pakken. De beste plekken om informatie te vergaren waren in de Rahad, maar zijn kleren waren te mooi om daarheen te gaan en hij wilde niet verstrikt raken in wat de Seanchanen daar dan ook uitvoerden.

Hij stak zijn hoofd naar binnen bij een herberg met de naam De Winterbloesem, maar meteen draaide hij zich weer om en beende weg. Doodswachtgardisten in uniform. Hij moest er niet aan denken dat hij Furyk Karede zou tegenkomen. De volgende herberg was te goed verlicht, en die daarna te donker. Na ongeveer een uur van zoeken – waarbij hij geen enkele knokpartij had gezien – begon hij te vrezen dat hij er nooit een zou vinden. Toen hoorde hij dobbelstenen ratelen in een beker.

Eerst schrok hij, denkend dat het die verrekte dobbelstenen in zijn hoofd waren. Gelukkig waren het maar gewone dobbelstenen. Gezegende, heerlijke dobbelstenen. Het geluid was meteen weer verdwenen, op de wind meegevoerd in de drukte van alle mensen op straat. Met zijn hand op zijn geldbuidel en zijn ransel over zijn schouder baande hij zich een weg door de menigte en mompelde wat verontschuldigingen. In een steeg verderop zag hij een bord aan de muur hangen.

Hij stapte ernaartoe en las de koperen letters: ‘Het Borrelhuis’. Er stond een tekening bij van klappende mensen, en de geluiden van dobbelstenen vermengden zich met de geuren van wijn en bier. Mart stapte naar binnen. Een Seanchaan met een rond gezicht stond vlak over de drempel, achteloos tegen een muur geleund met een zwaard aan zijn riem. Hij staarde Mart wantrouwig aan. Nou, Mart had nog nooit een uitsmijter gezien die niet zo naar elke man die binnenkwam keek. Mart wilde begroetend tegen zijn hoed tikken en stak zijn hand al omhoog, maar natuurlijk droeg hij zijn hoed niet. Bloed en as. Hij voelde zich soms naakt zonder dat ding.

‘Jame!’ riep een vrouw bij de toog. ‘Je staat toch niet weer kwaad naar de klanten te kijken, hè?’

‘Alleen naar klanten die het verdienen, Kathana,’ riep de man met een lome Seanchaanse tongval terug. ‘En deze verdient het, dat weet ik zeker.’

‘Ik ben maar een nederige reiziger,’ zei Mart, ‘op zoek naar een dobbelspelletje en een beker wijn. Verder niks. En al helemaal geen problemen.’

‘En daarom heb je een paalwapen bij je?’ vroeg Jame. ‘Zo ingepakt en al?’

‘O, hou op,’ zei de vrouw, Kathana. Ze kwam door de gelagkamer aanlopen, pakte Mart bij de mouw van zijn jas en sleepte hem mee naar de toog. Ze was een klein ding, met donker haar en een lichte huid. Ze was niet zoveel ouder dan hij, maar ze had een onmiskenbaar moederlijke uitstraling. ‘Let maar niet op hem. Doe gewoon niet lastig, dan is hij niet gedwongen om je neer te steken, te vermoorden, of iets ertussenin.’

Ze plantte Mart op een barkruk en ging zelf aan het werk achter de toog. Het was schemerig in de gelagkamer, maar deze tent oogde vriendelijk. Aan de ene kant zaten mensen te dobbelen. Het goede soort dobbelen. Het soort dobbelen waarbij mensen lachten en hun vrienden goedmoedig op de rug sloegen als ze verloren. Hier zag je geen angstige ogen van mannen die hun laatste geld vergokten.

‘Je moet eten,’ verklaarde Kathana. ‘Je ziet eruit alsof je al een week niks fatsoenlijks meer hebt gegeten. Hoe ben je dat oog kwijtgeraakt?’

‘Ik was de wachter van een edele in Morland,’ antwoordde Mart. ‘Ben het kwijtgeraakt bij een hinderlaag.’

‘Dat is een geweldige leugen,’ zei Kathana, die een bord vol repen varkensvlees en saus voor hem neerkwakte. ‘Beter dan de meeste. En je zei het ook met zo’n uitgestreken gezicht. Ik geloofde je bijna. Jame, wil je eten?’

‘Ik moet de deur bewaken!’ riep hij terug.

‘Licht, man. Verwacht je soms dat iemand hem steelt? Kom hier.’

Jame mopperde wat, maar hij kwam naar de toog toe en ging op een kruk naast Mart zitten. Kathana zette een beker bier neer en hij bracht hem naar zijn lippen, met zijn blik recht vooruit, ‘Ik hou je in de gaten,’ mompelde hij tegen Mart.

Mart wist niet zeker of dit de juiste herberg voor hem was, maar hij wist ook niet zeker of hij wel in één stuk weg zou kunnen komen als hij het eten van die vrouw niet opat, zoals hem was opgedragen. Hij nam een hapje en merkte dat het behoorlijk goed smaakte.

De vrouw was weggelopen en stond nu zwaaiend met haar vinger te preken tegen een man aan een van de tafels. Ze leek Mart het soort vrouw dat een boom nog de les zou lezen omdat hij op de verkeerde plek groeide.

Die vrouw, dacht Mart, mag nooit in één kamer komen met Nynaeve. Althans niet als ik binnen schreeuwafstand ben.

Kathana kwam weer terugdraven. Ze droeg een huwelijksmes om haar hals, hoewel Mart daar niet langer dan een paar tellen naar staarde, want hij was immers een getrouwd man. Ze had haar rokken aan de zijkant opgebonden, net zoals veel burgervrouwen in Ebo Dar.

Toen ze terugkwam naar de toog en een bord vol schepte voor Jame, zag Mart dat de man met genegenheid naar haar keek en nam hij een gok. ‘Zijn jullie al lang getrouwd?’ vroeg hij.

Jame keek hem aan. ‘Nee,’ antwoordde hij uiteindelijk, ik ben nog niet lang aan deze kant van de oceaan.’

‘Dat zal ook wel niet,’ zei Mart, die een slok bier nam uit de beker die voor hem was neergezet. Het was niet slecht, als je naging hoe verschrikkelijk de meeste dingen tegenwoordig smaakten. Dit was maar een beetje verschrikkelijk.

Kathana liep naar de dobbelende mannen toe en drong erop aan dat ze nog wat meer aten omdat ze zo bleek zagen. Het was een wonder dat die Jame niet zo zwaar was als twee paarden. Ze praatten echter wel een beetje, dus misschien kon Mart de inlichtingen die hij nodig had van hen krijgen.