Выбрать главу

‘Ik zag vandaag niet zoveel gevechten op straat als vroeger,’ zei Mart tegen haar toen ze langsliep.

‘Dat komt door een Seanchaanse wet,’ zei Kathana, ‘van de nieuwe Keizerin, moge zij eeuwig leven. Ze heeft het vechten niet helemaal verboden, en dat is maar goed ook. De Ebo Daranen komen niet in opstand over zoiets onbelangrijks als een buitenlandse bezetting, maar als je ze hun gevechten afpakt... maak dan je borst maar nat. Maar goed, tweegevechten moeten nu worden uitgevochten onder het toeziend oog van een regeringsambtenaar. Je mag niet vechten voordat je eerst honderd vragen beantwoordt en een vergoeding betaalt. Het heeft de spanning er wel uitgehaald.’

‘Het heeft levens gered,’ zei Jame. ‘Als je echt wilt, kun je nog steeds sterven op het mes van je vijand. Je moet alleen eerst wat tijd in acht nemen om af te koelen en erover na te denken.’

‘Tweegevechten draaien niet om nadenken,’ zei Kathana. ‘Maar het betekent in ieder geval dat ik niet bang hoef te zijn dat jouw mooie gezichtje op straat aan repen wordt gehakt.’

Jame snoof en legde zijn hand op zijn zwaard. Op het gevest, zag Mart nu pas, stonden reigers, hoewel hij niet kon zien of dat ook voor de kling gold. Voordat Mart nog een vraag kon stellen, beende Kathana weg en begon te schelden op een paar mannen die bier op tafel hadden gemorst. Ze leek hem niet het soort vrouw dat lang stilstond.

‘Wat voor weer is het in het noorden?’ vroeg Jame, die nog steeds recht voor zich uit keek.

‘Treurig,’ antwoordde Mart naar waarheid. ‘Net als overal.’

‘Ze zeggen dat de Laatste Slag is aangebroken,’ zei Jame.

‘Dat klopt.’

Jame gromde. ‘Als dat zo is, dan is dit geen goede tijd om je in politiek te mengen, denk je ook niet?’

‘Dat heb je verrekte goed,’ zei Mart. ‘Mensen moeten ophouden met spelletjes spelen en eens naar de lucht kijken.’

Jame keek hem aan. ‘Dat is waar. Je moet eens naar je eigen raad luisteren.’

Licht, dacht Mart. Hij denkt zeker dat ik een verspieder ben of zo. ‘Het is niet mijn keus,’ zei Mart. ‘Soms luisteren mensen alleen maar naar wat ze willen horen.’ Hij nam nog een hap van zijn vlees, dat zo goed smaakte als te verwachten viel. Elke maaltijd was tegenwoordig alsof je naar een dansfeest ging met alleen maar lelijke meisjes. Maar dit behoorde tot de betere van de slechte maaltijden die hij de laatste tijd helaas had moeten eten.

‘Een wijs man zou misschien de waarheid kunnen ontdekken,’ zei Jame.

‘Dan moet je die waarheid eerst zien te vinden,’ kaatste Mart terug. ‘En dat is lastiger dan de meeste mensen denken.’

Achter hem snoof Kathana terwijl ze langs draafde. ‘De “waarheid” is iets waar mannen in kroegen over redetwisten als ze zo dronken zijn dat ze hun eigen naam niet eens meer weten. Dat is slecht gezelschap voor de waarheid. Ik zou er niet te veel waarde aan hechten, reiziger.’

‘De naam is Mandevwin,’ bromde Mart.

‘Dat geloof ik meteen,’ zei Kathana. Ze bekeek hem eens goed. ‘Heeft iemand je wel eens verteld dat je een hoed zou moeten dragen? Het zou mooi passen bij dat missende oog.’

‘O ja?’ zei Mart droogjes. ‘Geef je nu ook al kledingadviezen, naast dat je mannen eten door de strot duwt?’

Ze sloeg hem met haar poetsdoek tegen zijn achterhoofd. ‘Eet je bord leeg.’

‘Luister, vriend,’ zei Jame, die zich naar hem omdraaide, ‘Ik weet wat je bent en waaróm je hier bent. Dat nepverband over je oog, daar bedot je mij niet mee. Je hebt werpmessen in je mouwen zitten en ik zie er nog zes aan je riem. En ik zal je zeggen, ik heb nog nooit een man met één oog ontmoet die fatsoenlijk kon werpen. Ze is niet zo’n gemakkelijk doelwit als jullie buitenlanders denken. Je komt het paleis nooit in, laat staan langs haar lijfwachten. Ga naar huis en zoek een eerlijke baan.’

Mart gaapte de man aan. Dacht hij dat Mart een huurmoordenaar was? Hij deed het verband om zijn hoofd een stukje omhoog en liet hem zijn lege oogkas zien.

Jame schrok ontzettend.

‘Zitten er huurmoordenaars achter Tuon aan?’ vroeg Mart zachtjes.

‘Zo mag je haar niet noemen,’ zei Kathana, die weer met haar poetsdoek naar hem sloeg.

Mart stak zonder te kijken zijn hand omhoog en greep de punt van de doek. Hij hield James blik vast met zijn ene oog en vertrok geen spier.

‘Zitten er huurmoordenaars achter Tuon aan?’ herhaalde Mart rustig.

Jame knikte. ‘De meesten zijn buitenlanders die niet snappen hoe het hoort. Er zijn er een paar hier in de herberg geweest. Slechts één van hen gaf toe waarvoor hij hier was. Ik heb zijn bloed op de stoffige grond van het veld voor tweegevechten laten vloeien.’

‘Dan beschouw ik je als een vriend,’ zei Mart, die opstond. Hij reikte in zijn ransel, haalde er zijn hoed uit en zette hem op. ‘Wie zit erachter? Wie heeft die lui hierheen gehaald en een prijs op haar hoofd gezet?’

Kathana bekeek zijn hoed en knikte tevreden. Toen aarzelde ze en tuurde naar zijn gezicht.

‘Dit is niet wat je denkt,’ zei Jame. ‘Hij huurt niet de beste moordenaars in. Het zijn buitenlanders, dus het is overduidelijk niet de bedoeling dat het ze lukt.’

‘Het kan me niet schelen hoe goed of slecht ze zijn, verdomme,’ zei Mart. ‘Wie huurt ze in?’

‘Hij is veel te belangrijk om...’

‘Wié?’ drong Mart zachtjes aan.

‘Generaal Lunal Galgan,’ antwoordde Jame. ‘Hoofd van de Seanchaanse legers. Ik kan je niet plaatsen, vriend. Ben je een huurmoordenaar, of ben je op jacht naar huurmoordenaars?’

‘Ik ben geen huurmoordenaar, verdomme,’ zei Mart, die de rand van zijn hoed omlaag trok en zijn ransel pakte, ik dood nooit iemand, behalve als hij er zelf om vraagt met zoveel geschreeuw en kabaal dat ik het onbeleefd zou vinden om niet aan zijn verzoek te voldoen. Als ik je neersteek, vriend, dan zul je weten dat het gaat gebeuren, en ook waarom. Dat beloof ik je.’

‘Jame,’ fluisterde Kathana. ‘Hij is het.’

‘Wat nu weer?’ vroeg Jame terwijl Mart zich langs hem perste en zijn ingepakte ashandarei op zijn schouder hees.

‘Die waar de wachters naar zoeken!’ zei Kathana. Ze keek naar Mart. ‘Licht! Elke soldaat in Ebo Dar heeft de opdracht om uit te kijken naar jouw gezicht. Hoe ben je door de stadspoorten gekomen?’

‘Met geluk,’ zei Mart, en toen stapte hij de steeg in.

‘Waar wacht je op?’ vroeg Moiraine.

Rhand draaide zich naar haar om. Ze stonden in Lans bevelstent in Shienar. Hij rook de brandlucht van de velden, aangestoken door Lan en heer Agelmars troepen terwijl ze zich terugtrokken uit de Kloof.

Ze verbrandden de landen die ze liever zouden verdedigen. Een wanhopige tactiek, maar wel een goede. Het was het soort nietsontziende tactiek die Lews Therin en zijn mensen in de Eeuw der Legenden niet hadden aangedurfd, in ieder geval niet in het begin. Destijds had hun dat veel gekost.

De Grenslanders waren niet zo beschroomd.

‘Waarom zijn we hier?’ drong Moiraine aan, terwijl ze dichter naar hem toe stapte. Zijn Speervrouwen bewaakten de tent van binnenuit, want het was beter als de vijand niet wist dat Rhand hier was. ‘Je zou nu in Shayol Ghul moeten zijn. Dat is je bestemming, Rhand Altor. Niet deze kleinere gevechten.’

‘Mijn vrienden sterven hier.’

‘Ik dacht dat je je over dergelijke zwakheden heen had gezet.’ ‘Mededogen is geen zwakheid.’

‘O nee?’ vroeg ze. ‘Wil je soms je vijand sparen uit mededogen, hem de mogelijkheid bieden je te doden? Wat gebeurt er dan, Rhand Altor?’

Daar had hij geen antwoord op.

‘Je mag jezelf niet aan gevaar blootstellen,’ zei Moiraine. ‘En of je nu wel of niet vindt dat mededogen op zich een zwakte is, domme dingen doen uit mededogen is dat beslist wel.’

Rhand keek haar aan. Hij dacht vaak aan die dag dat hij Moiraine had verloren. Hij had het verschrikkelijk gevonden dat ze was overleden, en hij verwonderde zich nog steeds over haar terugkeer. Hij was echter vergeten hoe... vasthoudend ze kon zijn.