‘Ik trek ten strijde tegen de Duistere als de tijd daar is,’ zei Rhand, ‘maar niet eerder. Hij moet denken dat ik bij de legers ben, dat ik meer terrein wil winnen voordat ik hem aanval. We moeten zijn bevelvoerders zover krijgen dat ze hun legers in het zuiden inzetten, anders worden we onder de voet gelopen bij Shayol Ghul zodra ik daarheen ga.’
‘Het zal niet uitmaken,’ zei Moiraine. ‘Je zult hem tegemoet treden, en dat wordt de bepalende tijd. Alles draait om dat ogenblik, Herrezen Draak. Alle draden in het Patroon zijn geweven rondom jullie ontmoeting en het draaien van het Rad trekt je ernaartoe. Ontken maar niet dat je dat voelt.’ ik voel het.’
‘Ga dan.’
‘Nog niet.’
Ze haalde diep adem. ‘Koppig als altijd.’
‘En maar goed ook,’ zei Rhand. ‘Koppigheid is wat me zo ver heeft gebracht.’ Rhand aarzelde, en toen graaide hij in zijn zak. Hij haalde iets glanzends en zilverachtigs tevoorschijn: een Tarvalonse mark. ‘Hier,’ zei hij, en hij stak hem naar haar uit. ‘Deze had ik bewaard.’ Ze tuitte haar lippen, is dat...’
‘Dezelfde? Nee. Die is allang kwijt, vrees ik. Ik heb deze met me meegedragen als een soort aandenken, bijna zonder te beseffen wat ik deed.’
Ze pakte de munt aan en draaide hem om en om. Ze keek er nog steeds naar toen de Speervrouwen zich ineens naar de tentflap omdraaiden. Een tel later tilde Lan de flap omhoog en beende naar binnen, in het gezelschap van twee Malkierse mannen. De drie hadden wel broers kunnen zijn met die grimmige, harde gezichten.
Rhand stapte naar voren en legde zijn hand op Lans schouder. De man oogde niet moe – een rots kon er niet moe uitzien – maar wel óp. Rhand begreep dat gevoel.
Lan knikte naar hem en keek toen naar Moiraine. ‘Hebben jullie geruzied?’
Moiraine stopte de mark weg en trok haar gezicht in de plooi. Rhand wist niet wat hij moest maken van hoe die twee sinds Moiraines terugkeer op elkaar reageerden. Ze deden beschaafd tegen elkaar, maar er was een afstandelijkheid tussen hen die Rhand niet had verwacht.
‘Je zou naar Moiraine moeten luisteren,’ zei Lan, die Rhand weer aankeek. ‘Ze bereidt zich al langer op deze tijd voor dan jij hebt geleefd. Neem haar begeleiding aan.’
‘Ze wil dat ik dit slagveld verlaat en meteen naar Shayol Ghul ga,’ zei Rhand. ‘Maar ik wil eerst proberen het tegen die geleiders op te nemen, zodat je de Kloof weer in handen kunt krijgen.’
Lan aarzelde. ‘Misschien moet je toch doen wat zij...’
‘Nee,’ zei Rhand. ‘Je toestand hier is wankel, oude vriend. Ik kan iets doen, en dus zal ik dat doen. Als we die Gruwheren niet kunnen tegenhouden, moeten jullie je straks helemaal terugtrekken tot aan Tar Valon.’
‘Ik heb gehoord wat je in Maradon hebt gedaan,’ zei Lan. ik zou een wonder hier niet afslaan.’
‘Maradon was een vergissing,’ zei Moiraine gespannen. ‘Je kunt het je niet veroorloven jezelf te ontmaskeren, Rhand.’
‘Ik kan het me ook niet veroorloven het niet te doen. Ik kan niet werkeloos toekijken terwijl er mensen doodgaan! Niet als ik ze kan beschermen.’
‘De Grenslanders zijn geen hulpeloze kleuters,’ zei Lan.
‘Nee,’ antwoordde Rhand, ‘maar ik heb er nog nooit een gekend die in nood de hulp van een extra zwaard zou afslaan als het hem werd aangeboden.’
Lan keek hem in de ogen. ‘Goed. Doe wat je kunt.’
Rhand haalde diep adem en knikte naar de twee Speervrouwen, die terugknikten.
‘Schaapherder,’ zei Lan.
Rhand trok zijn wenkbrauw naar hem op.
Lan groette hem met één arm over zijn borst en boog zijn hoofd.
Rhand knikte terug. ‘Er ligt daar iets voor je op de vloer, Dai Shan.’
Lan fronste en liep naar een stapel dekens toe. Er stonden geen tafels in deze tent. Lan knielde neer en pakte een glanzende zilveren koningskroon op. Hij was rank, maar sterk. ‘De kroon van Malkier,’ fluisterde hij. ‘Die was kwijt!’
‘Mijn smeden hebben hun best gedaan op basis van oude tekeningen,’ zei Rhand. ‘De andere is voor Nynaeve. Ik denk dat hij goed bij haar past. Je bent altijd een koning geweest, mijn vriend. Elayne heeft me leren leiden, maar jij... jij hebt me geleerd op eigen benen te staan. Dank je.’ Hij wendde zich tot Moiraine. ‘Hou ruimte vrij voor mijn terugkeer.’
Rhand greep de Ene Kracht en opende een Poort. Hij liet Lan op zijn knieën achter met de kroon en volgde zijn Speervrouwen naar een zwart veld. Verbrande stengels kraakten onder zijn laarzen en kringels rook hingen in de lucht.
De Speervrouwen zochten meteen dekking in een ondiepe laagte in het veld, ineengedoken op de zwartgeblakerde aarde en bereid de storm het hoofd te bieden.
Want er broeide er beslist een. Een grote massa Trolloks liep hier rond, porrend in de aarde en zoekend tussen de overblijfselen van boerderijen. De rivier de Mora stroomde langs. Dit was het eerste boerenland ten zuiden van Tarwins Kloof. Lans troepen hadden het in brand gestoken voordat ze zich stroomafwaarts voor de Trolloks hadden teruggetrokken.
Er liepen tienduizenden van die beesten. Misschien wel meer. Rhand hief zijn arm, balde zijn vuist en haalde diep adem. In de buidel aan zijn riem droeg hij een bekend voorwerp. De kleine, dikke man met het zwaard, de angreaal die hij uit de modder had gepeuterd bij Dumais Bron. Niemand wist dat hij hem had. Dat was belangrijk.
Maar wat hij hier zou doen, was meer dan een trucje. Trolloks schreeuwden toen de wind rondom Rhand opstak. Dit deed hij niet met de Ene Kracht, nog niet.
Het kwam door Rhand. Doordat hij hier was. Tegenover hém.
Zeeën werden woelig als verschillende stromingen op elkaar botsten. Winden wakkerden aan wanneer warme en koude lucht zich vermengden. En waar Licht en Schaduw elkaar troffen... kreeg je stormen. Rhand schreeuwde en liet de storm verder opzwepen. De Duistere wilde het land verstikken. Het Patroon had evenwicht nodig.
Het had de Draak nodig.
De wind werd nog sterker, bliksems schoten door de hemel, zwart stof en verbrande stengels vlogen omhoog en draaiden mee in de maalstroom. Rhand begon eindelijk te geleiden toen Myrddraal de Trolloks dwongen hem aan te vallen. De beesten kwamen tegen de wind in, en Rhand stuurde de bliksems op ze af.
Het was zoveel gemakkelijker om te sturen dan te bésturen. Nu er al een storm was, hoefde hij de bliksems niet eens op te roepen, alleen maar over te halen te doen wat hij wilde.
Honderd blikseminslagen achter elkaar vernietigden de voorste groepen Trolloks. De doordringende stank van verbrand vlees wervelde mee in de storm en sloot zich aan bij de verkoolde graanstengels. Rhand brulde terwijl de Trolloks bleven komen. Doodspoorten sprongen rondom hem op, Poorten die zich snel als waterlopers over de grond verplaatsten en Trolloks de dood in sleurden. Reizen was dodelijk voor Schaduwgebroed.
De stormwind rees rondom Rhand op terwijl hij de Trolloks doodde die probeerden bij hem te komen. De Duistere dacht dat hij hier kon regeren? Hij zou merken dat dit land al een koning had! Rhand zou ervoor zorgen dat het gevecht niet...
Een schild probeerde Rhand af te schermen van de Bron. Hij lachte, draaide om zijn as en probeerde te bepalen waar het schild vandaan kwam. ‘Taim!’ riep hij, hoewel de storm zijn stem meevoerde en overstemde. ‘Ik had al gehoopt dat je zou komen!’
Dit was het gevecht dat Lews Therin al zo lang van hem eiste, een gevecht dat Rhand niet had durven beginnen. Niet voor dit ogenblik, niet voor hij deze beheersing had. Hij riep zijn kracht op, maar toen werd er nog een schild op hem af gegooid, en nog een.
Rhand putte meer van de Ene Kracht, haalde bijna alles wat hij kon bevatten naar binnen via de angreaal van de dikke man. Schilden bleven als vliegen op hem afkomen. Ze waren geen van alle sterk genoeg om hem los te snijden van de Bron, maar het waren er tientallen.
Rhand probeerde rustig te blijven. Hij zocht vrede, de vrede van de vernietiging. Hij was leven, maar hij was ook de dood. Hij was de belichaming van het land zelf.
Hij viel aan en vernietigde een Gruwheer die zich verstopte tussen het puin van een verbrand gebouw verderop. Het kostte maar een tel om vuur op te roepen en hem tot as te verbranden.