Hij zag de wevingen van de vrouwen daar niet, hij voelde alleen hun schilden.
Te zwak. Elk schild was te zwak, en toch was hij ongerust om hun aanvallen. Ze waren heel snel gekomen, minstens drie dozijn Gruwheren, en allemaal probeerden ze hem af te snijden van de Bron. Dit was gevaarlijk. Ze hadden hem verwacht. Daarom hadden ze Lan zo bestookt met hun geleiders. Om Rhand te lokken.
Rhand sloeg de aanvallen af, maar geen enkele ervan was gevaarlijk genoeg om hem werkelijk af te schermen. Eén persoon was niet in staat om iemand die zoveel saidin vasthield van de Bron af te snijden. Ze zouden...
Hij doorzag het pas vlak voordat het gebeurde. De andere aanvallen waren maar een dekmantel geweest, een afleiding. De volgende aanval zou worden gevormd door een cirkel van mannen en vrouwen, met een man aan de leiding.
Daar! Een schild ramde tegen hem aan, maar Rhand had net voldoende tijd gehad om zich voor te bereiden. Hij geleidde Geest de wervelwind in, wevend vanuit zijn intuïtie en Lews Therins herinneringen, en weerde het schild af. Hij duwde het schild weg, maar kon het niet vernietigen.
Licht! Dat moest een volledige cirkel zijn. Rhand gromde terwijl het schild dichterbij glipte. Het maakte een kleurrijk patroon in de lucht en bleef roerloos staan, ondanks de storm. Rhand weerstond het met zijn eigen vlaag van Geest en Lucht en hield het tegen alsof het een mes was dat boven zijn keel hing.
Hij verloor zijn beheersing over de storm.
Om hem heen knetterden bliksems. De andere geleiders weefden om de storm te versterken. Ze probeerden die niet te besturen, want dat hoefde niet. Dat de storm onbeheerst was, diende hen juist, omdat het betekende dat Rhand ieder ogenblik door een bliksemschicht kon worden geraakt.
Hij schreeuwde opnieuw, luider deze keer, met meer vastberadenheid. Ik zal je verslaan, Taim! Ik zal eindelijk doen wat ik maanden geleden al had moeten doen!
Maar hij liet zich door de woede, de razernij, niet tot een conflict dwingen. Dat kon hij zich niet veroorloven. Hij had zijn lesje geleerd.
Dit was niet de plek. Hij kon niet hiér vechten. Als hij dat deed, zou hij verliezen.
Rhand duwde een werveling van kracht naar buiten, smeet Taims schild achteruit en gebruikte die korte tijd om een Poort te weven. Zijn Speervrouwen gingen er onmiddellijk doorheen, en Rhand, met zijn hoofd ingetrokken tegen de wind, volgde met tegenzin.
Hij sprong Lans tent in, waar Moiraine had gedaan wat hij had gevraagd en een ruimte voor hem vrij had gehouden. Hij sloot zijn Poort, en de wind en het lawaai verstomden meteen.
Rhand balde hijgend een vuist, terwijl het zweet langs zijn slapen liep. Hier, terug bij Lans leger, was de storm ver weg, hoewel Rhand het gerommel ervan nog hoorde en een milde bries de tent in beweging zette.
Rhand moest zich uit alle macht inhouden om niet op zijn knieën te zakken. Hij zoog mondenvol lucht naar binnen. Met moeite wist hij zijn bonzende hart te laten bedaren. Hij wilde véchten, niet vluchten! Hij had Taim kunnen verslaan!
En daarbij zou hij zichzelf zodanig hebben verzwakt dat de Duistere hem met gemak zou verslaan. Hij dwong zijn vuist zich te ontspannen en probeerde zijn gevoelens te beheersen.
Hij keek op in Moiraines kalme, wijze gezicht.
‘Was het een valstrik?’ vroeg ze.
‘Niet zozeer een valstrik,’ zei Rhand, ‘maar een slagveld dat goed was voorbereid met schildwachten. Ze weten wat ik in Maradon heb gedaan. Ze moeten teams van Gruwheren klaar hebben staan om te Reizen naar elke plek waar ik opduik om me daar aan te vallen.’
‘Zie je nu de vergissing in deze methode van aanvallen?’ vroeg ze.
‘Vergissing... nee. Onvermijdelijkheid, ja.’
Rhand kon deze oorlog niet persoonlijk uitvechten. Hij wilde het heel graag, maar het kon niet.
Hij zou iets anders moeten verzinnen om zijn volk te beschermen.
12
Een scherf van een ogenblik
Birgitte rende door het bos in het gezelschap van dertig Aiel, allemaal met bogen in de hand. Ze maakten wel geluid – dat viel niet te voorkomen – maar de Aiel konden zich geruislozer voortbewegen dan ieder ander. Ze sprongen op omgevallen bomen en renden daar handig overheen of vonden stenen om op te lopen. Ze draaiden uit de weg van overhangende takken, doken ineen, bukten, bleven in beweging.
‘Hier,’ zei ze op gedempte toon toen ze om de zijkant van een gebroken heuvel renden. Gelukkig was de grot er nog, overwoekerd met klimplanten en met een kreekje erlangs. De Aiel sprongen erin, zodat het water hun geursporen zou wegspoelen.
Twee mannen bleven over het wildspoor lopen, nu met veel meer lawaai, schrapend langs elke tak die ze tegenkwamen. Birgitte sloot zich aan bij de anderen die zich in de grot verborgen. Het was er donker en het rook er naar schimmels en aarde.
Had ze zich in deze grot verborgen toen ze eeuwen geleden als bandiet in dit bos woonde? Ze wist het niet. Elke dag sleten haar herinneringen verder af. Ze herinnerde zich haar vroegere levens niet meer, alleen nog de tussenliggende jaren: haar leven in de Wereld der Dromen voordat ze op onnatuurlijke wijze door Moghedien naar déze wereld was gehaald.
Ze werd misselijk als ze daaraan dacht. Het was goed om herrezen te zijn, fris en nieuw. Maar dat haar herinneringen – haar zelfbewustzijn – haar waren afgenomen? Als ze haar herinneringen aan haar tijd in de Wereld der Dromen verloor, zou ze Gaidal dan helemaal vergeten? Zou ze zichzelf vergeten?
Ze klemde haar kiezen op elkaar. Dit is de Laatste Slag, dwaze vrouw, dacht ze. Wat maakt de rest dan nog uit?
Maar het was wel zo. Ze werd de laatste tijd geplaagd door een vraag. Stel nu dat Birgitte, door te zijn verbannen uit de Wereld der Dromen, was losgetornd van de Hoorn? Ze wist niet of dat mogelijk was. Ze herinnerde zich niet meer genoeg om dat te kunnen bepalen.
Maar als het zo was, dan zou ze Gaidal voor eeuwig kwijtraken.
Buiten knerpten bladeren en braken takken. Het lawaai was zo luid dat ze zou hebben gezworen dat er duizend soldaten langstrokken, hoewel ze wist dat de vuist Trolloks maar uit vijftig leden bestond. Toch waren die vijftig meer dan haar eigen groep. Ze maakte zich geen zorgen. Ze had wel tegen Elayne geklaagd dat ze niet veel van oorlogvoeren afwist, maar dit, schuilen in een bos met een groep goed opgeleide kameraden... dit had ze eerder gedaan. Tientallen keren. Misschien wel honderden keren, hoewel haar herinneringen nu zo vaag waren dat ze het niet met zekerheid kon zeggen.
Toen de Trolloks bijna allemaal waren langsgekomen, schoten zij en haar Aiel uit hun dekking tevoorschijn. Die monsters waren het valse spoor gaan volgen dat de twee Aielmannen eerder hadden uitgezet, en Birgitte viel hen van achteren aan en doorboorde een aantal Trolloks al met pijlen voordat de rest kon reageren.
Trolloks stierven niet gemakkelijk. Ze konden vaak twee of drie pijlen hebben voordat ze vertraagden. Nou, dat gebeurde alleen als je hun ogen of keel miste, en dat overkwam haar niet. Het ene na het andere monster viel voor haar boog. De Trolloks waren heuvel-afwaarts van de grot begonnen, en dat betekende dat elk monster dat zij of de Aiel doodden weer een karkas was waar de andere overheen moesten klimmen.
Binnen enkele tellen waren er van de vijftig nog dertig over. Terwijl die dertig naar boven stormden, trok de helft van de Aiel speren en bestookte ze, terwijl Birgitte en de anderen een paar passen heuvel-afwaarts gingen en de Trolloks in de flanken aanvielen.
Twintig werden er tien, die probeerden te vluchten. Ondanks het beboste landschap waren ze eenvoudig af te schieten, hoewel dat betekende dat ze ze in de rug of nek moesten raken, zodat ze met speren konden worden afgemaakt.
Tien Aiel bekommerden zich om de gevallen Trolloks, staken speren in elk ervan om zeker te weten dat ze dood waren. Anderen verzamelden pijlen. Birgitte wees naar Nichil en Ludin, die met haar meeliepen om de omgeving te verkennen.
Haar passen voelden vertrouwd, deze bossen voelden vertrouwd. Niet alleen vanwege de vroegere levens die ze vergeten was. Tijdens haar eeuwen in de Wereld der Dromen hadden zij en Gaidal vele jaren in deze bossen doorgebracht. Ze herinnerde zich zijn streling op haar wang. Haar hals.