Выбрать главу

Ik mag dit niet kwijtraken, dacht ze, vechtend tegen haar paniek. Licht, dat mag niet. Alsjeblieft...

Ze wist niet wat er met haar gebeurde. Ze herinnerde zich iets, vaag, een gesprek over... waarover? Ze was het kwijt. Mensen konden toch niet losgetornd raken van de Hoorn? Haviksvleugel wist het misschien. Ze zou het hem moeten vragen. Of had ze dat al gedaan?

Het Licht verzenge me!

Ze bleef verstijfd staan toen ze beweging in het bos zag. Ze hurkte neer bij een rotsblok, met haar boog voor zich uit. Vlakbij kraakte het kreupelhout. Nichil en Ludin waren bij het eerste geluid verdwenen. Licht, wat waren ze goed. Het duurde even voor ze hen weer zag: ze hadden zich verderop verstopt.

Ze hief haar vinger, wees naar zichzelf en toen vooruit. Zij zou verkennen, de andere twee zouden haar rugdekking geven.

Birgitte bewoog zich geruisloos. Ze zou die Aiel eens laten zien dat zij niet de enigen waren die onopgemerkt konden blijven. Bovendien waren dit haar bossen. Ze zou zich niet voor gek laten zetten door een stel woestijnmensen.

Ze sloop verder en ontweek verdorde doornstruiken. Waren er daar de laatste tijd meer van gekomen? Het leek een van de weinige plantensoorten die niet helemaal waren uitgestorven. De grond rook muf, en zo hoorde het niet te ruiken in een bos, hoewel de stank van sterfte en verrotting nog sterker was. Ze liep langs een volgende groep dode Trolloks. Het bloed was droog, dus ze waren al een paar dagen dood.

Elayne had al haar troepen bevolen om hun doden mee terug te nemen. Duizenden en nog eens duizenden Trolloks kropen als kevers door deze bossen. Elayne wilde dat ze alleen hun eigen dode kameraden tegenkwamen, in de hoop dat ze dat angst zou inboezemen.

Birgitte liep naar de geluiden toe. Ze zag grote schaduwen aankomen in het schemerlicht. Trolloks, snuffelend met hun neus in de lucht.

De schepsels bleven door het bos lopen. Ze waren gedwongen de wegen te vermijden, waar een hinderlaag van draken dodelijk kon zijn. Elayne had teams zoals dat van Birgitte het bos in gestuurd om de Trolloks aan te vallen, groepen vijanden het bos in te lokken en zo langzaam hun aantallen te verminderen.

Deze groep was veel te groot voor haar team, helaas. Birgitte trok zich terug en wenkte de Aiel mee, en ze keerden geruisloos terug naar hun kamp.

Die nacht, na zijn mislukte poging om Lans leger te helpen, vluchtte Rhand naar zijn dromen.

Hij zocht zijn vredige vallei op en verscheen in een gaard vol wilde kersenbomen, die in bloei stonden en hun geur in de lucht verspreidden. Zo vol met prachtige witte bloemen met roze kelen leken de bomen haast in brand te staan.

Rhand droeg eenvoudige Tweewaterse kleding. Na maanden in vorstelijk felle kleuren en zachte stoffen voelden de wijde wollen broek en het linnen heel gerieflijk. Hij had stevige laarzen aangetrokken, zoals die hij vroeger altijd droeg. Ze pasten hem beter dan elke nieuwe laars, ongeacht hoe goed gemaakt, ooit kon passen.

Hij mocht niet langer oude laarzen dragen. Als zijn laarzen ook maar één spoortje van slijtage vertoonden, haalde de ene of andere bediende ze meteen weg.

Rhand stond op in de droomheuvels, maakte een wandelstok voor zichzelf en liep de bergen in. Deze vallei was geen echte plek. Niet meer. Hij had hem gemaakt vanuit zijn herinneringen en verlangens, als een mengeling van vertrouwdheid en belevenissen. Het rook er fris, naar omgewoelde bladeren en boomhars. Dieren bewogen zich door de ondergroei. Ergens in de verte krijste een havik.

Lews Therin had geweten hoe hij dit soort droomflarden moest maken. Hoewel hij geen Dromer was geweest, hadden de meeste Aes Sedai uit die tijd wel linksom of rechtsom gebruikgemaakt van Tel’aran’rhiod. Eén ding dat ze hadden geleerd, was hoe ze een droom voor zichzelf konden maken. Een toevluchtsoord in hun eigen geest, dat ze beter konden beheersen dan gewone dromen. Ze leerden hoe ze een fragment als dit binnen konden gaan terwijl ze mediteerden, waardoor het lichaam toch evenveel rust kreeg als wanneer het sliep.

Lews Therin had die dingen geweten, en meer. Hoe hij in iemands geest kon reiken als die zijn droomflard binnenging. Hoe hij kon bepalen of iemand anders zijn dromen was binnengedrongen. Hoe hij zijn dromen kon openstellen voor anderen. Lews Therin had graag dingen gewéten, als een reiziger die allerlei nuttige dingen meedroeg in zijn rugzak.

Lews Therin had die hulpmiddelen maar zelden gebruikt. Hij had ze in een hoekje van zijn geest laten liggen en stof laten verzamelen. Zou het anders zijn gelopen als hij elke nacht de tijd had genomen om door een vredige vallei als deze te dwalen? Rhand wist het niet. En eigenlijk was deze vallei niet langer zo vredig. Hij zag een diepe grot links van hem. Die had hij hier niet geplaatst. Alweer een poging van Moridin om hem te lokken? Rhand liep er zonder ernaar te kijken langs.

Het bos leek niet meer zo levendig als daarnet. Rhand liep door en probeerde het land zijn wil op te leggen. Hij had daar echter niet genoeg mee geoefend, want terwijl hij doorliep werd het bos grijzer en bleker.

De grot verscheen weer. Rhand bleef bij de ingang staan. Koude, vochtige lucht met de geur van schimmel blies over hem heen en verkilde hem. Rhand haalde diep adem, gooide zijn wandelstok neer en beende de grot in. Terwijl hij het donker in liep, weefde hij een bol van blauwwit licht en liet die naast zijn hoofd zweven. De gloed weerkaatste op het vochtige steen en verlichtte afgeronde knobbels en rotsspleten.

Er klonk gehijg diep in de grot, gevolgd door kreten en... gespetter. Rhand liep door, hoewel hij nu een vermoeden had van wat dit was. Hij had zich al afgevraagd of ze het nog eens zou proberen.

Hij kwam aan bij een kleine ruimte van misschien tien passen doorsnee aan het einde van de tunnel, waar het steen omlaag glooide naar een volkomen ronde plas helder water. De blauwe diepte leek zich oneindig ver naar beneden uit te strekken.

Een vrouw in een wit gewaad had moeite om zich in het midden ervan drijvende te houden. De stof van haar gewaad rimpelde in het water en vormde een kring. Haar gezicht en haar waren nat. Terwijl Rhand toekeek, zoog ze een teug adem naar binnen en ging kopje-onder, maaiend met haar armen in het kristalheldere water.

Even later kwam ze hijgend weer boven.

‘Hallo, Mierin,’ zei Rhand zachtjes. Zijn hand balde zich tot een vuist. Hij zou niét in dat water springen om haar te redden. Dit was een droomflard. Dat spul kon echt water zijn, maar waarschijnlijk vertegenwoordigde het iets anders.

Zijn aankomst leek haar drijfvermogen te geven en het wilde maaien met haar armen haalde meer uit. ‘Lews Therin,’ zei ze, terwijl ze met één hand hijgend over haar gezicht wreef.

Licht! Waar was zijn rust gebleven? Hij voelde zich weer een kind, een jongen die dacht dat Baerlon de schitterendste stad was die er bestond. Ja, haar gezicht was anders, maar gezichten waren voor hem niet meer zo belangrijk. Ze was nog steeds dezelfde persoon.

Van alle Verzakers had alleen Lanfir haar nieuwe naam zelf gekozen. Ze had er altijd een gewild.

Hij wist het weer. Hij wist het weer. Dat hij bij schitterende feesten was binnengelopen met haar aan zijn arm. Haar klaterende lach die de muziek overstemde. Hun nachten samen. Hij wilde geen herinneringen aan hoe hij de liefde had bedreven met een andere vrouw, vooral niet met een Verzaker, maar hij had geen zeggenschap over wat er wel en niet in zijn hoofd zat.

Die herinneringen vermengden zich met zijn eigen herinneringen uit de tijd toen ze vrouwe Selene was en hij naar haar had verlangd. Een dwaze, jeugdige lust. Hij voelde die dingen niet langer, maar de herinneringen eraan bleven.

‘Jij kunt me bevrijden, Lews Therin,’ zei Lanfir. ‘Hij heeft me opgeëist. Moet ik smeken? Hij heeft me opgeëist!’

‘Jij hebt je gewijd aan de Schaduw, Mierin,’ antwoordde Rhand. ‘Dit is je beloning. Verwacht je soms medelijden van me?’

Iets duisters kwam omhoog, wikkelde zich om haar benen en rukte haar weer de diepte in. Ondanks zijn woorden merkte Rhand dat hij als vanzelf naar voren stapte alsof hij in de poel wilde springen.