Hij hield zichzelf tegen. Eindelijk voelde hij zich weer een heel mens, na een lang gevecht. Dat gaf hem kracht, maar in dat vredige gevoel lag ook een zwakte, de zwakte die hij altijd had gevreesd. De zwakte die Moiraine terecht in hem had gezien. De zwakte van het mededogen.
Hij had het nodig. Zoals een helm een gat nodig had om doorheen te kijken. Beide kon je gebruiken. Hij gaf bij zichzelf toe dat het waar was.
Lanfir kwam sputterend en hulpeloos weer boven. ‘Moet ik smeken?’ vroeg ze opnieuw.
‘Ik denk niet dat je daar toe in staat bent.’
Ze sloeg haar blik neer. ‘Alsjeblieft?’ fluisterde ze.
Rhands maag verkrampte. Hij had zichzelf door de duisternis heen gevochten op zoek naar het Licht. Hij had zichzelf een tweede kans gegeven. Moest hij een ander die dan ook niet gunnen?
Licht! Hij aarzelde, herinnerde zich hoe het had gevoeld op dat ogenblik dat hij de Ware Kracht had gegrepen. Die smart en die spanning, die macht en dat afgrijzen. Lanfir had zichzelf aan de Duistere gegeven. Maar eigenlijk had Rhand dat ook gedaan.
Hij keek in haar ogen, onderzoekend, met herkenning. Uiteindelijk schudde Rhand zijn hoofd. ‘Je bent beter geworden in dit soort misleiding, Mierin, maar niet goed genoeg.’
Haar gezicht betrok. Binnen een tel was de poel weg, vervangen door een stenen vloer. Lanfir zat er met gekruiste benen in haar zilverwitte gewaad. Met haar nieuwe gezicht, maar nog steeds dezelfde.
‘Dus je bent écht terug,’ zei ze, niet onverdeeld blij. ‘Nou, dan ben ik niet langer gedwongen om te gaan met een eenvoudige boerenjongen. Dat is al een kleine zegen.’
Rhand snoof en stapte de ruimte in. Ze was nog steeds gevangen. Hij bespeurde iets duisters om haar heen, als een koepel van schaduw, en hij bleef erbuiten. De waterpoel, echter – het verdrinken – was maar toneelspel geweest. Ze was trots, maar ze had er geen moeite mee om zich zwak voor te doen als het haar uitkwam. Als Rhand eerder in staat was geweest om Lews Therins herinneringen te omhelzen, zou hij zich nooit zo gemakkelijk door haar hebben laten bedotten in de Woestenij.
‘Dan zal ik je niet aanspreken als een deerne in nood die een held nodig heeft,’ zei Lanfir, kijkend naar hem terwijl hij om haar gevangenis heen liep, ‘maar als een gelijke, op zoek naar asiel.’
‘Gelijke?’ vroeg Rhand lachend. ‘Wanneer heb jij óóit iemand als je gelijke beschouwd, Mierin?’
‘Geef je niets om mijn gevangenschap?’
‘Het is pijnlijk voor me,’ zei Rhand, ‘maar niet meer dan toen je trouw zwoer aan de Schaduw. Wist je dat ik erbij was toen je dat deed? Je zag me niet, want ik wilde niet gezien worden, maar ik keek toe. Licht, Mierin, je zwoer dat je me zou dóden.’
‘Meende ik dat?’ vroeg ze, meedraaiend om hem te blijven aankijken.
Of ze? ... Nee, ze had het niet gemeend. Toen niet. Lanfir vermoordde geen mensen van wie ze dacht dat ze nog nuttig konden zijn, en ze had hem altijd nuttig gevonden.
‘We deelden ooit iets bijzonders,’ zei ze. ‘Jij was mijn...’
‘Ik was een versiersel voor je!’ snauwde Rhand. Hij haalde diep adem en probeerde rustig te blijven. Licht, maar dat viel niet mee bij haar. ‘Het verleden ligt achter ons. Ik geef er niets om, en ik zou je graag de gelegenheid bieden om in het Licht te lopen. Helaas ken ik je. Je doet het gewoon weer helemaal opnieuw. Je bespeelt iedereen, ook de Duistere zelf. Jij geeft niets om het Licht. Jij geeft alleen maar om macht, Mierin. Denk je nou echt dat ik geloof dat je bent veranderd?’
‘Je kent me niet zo goed als je denkt,’ zei ze. Ze draaide haar hoofd en bleef hem met haar ogen volgen terwijl hij om haar gevangenis heen liep. ‘Je hebt me nooit gekend.’
‘Bewijs het dan maar,’ zei Rhand, die bleef staan. ‘Laat me je geest zien, Mierin. Stel je helemaal voor me open. Geef me beheersing over je, hier, op deze plek van beheerste dromen. Als je bedoelingen zuiver zijn, zal ik je bevrijden.’
‘Wat jij vraagt is verboden.’
Rhand lachte. ‘Wanneer heeft dat je ooit tegengehouden?’
Ze leek erover na te denken. Ze moest zich echt zorgen maken om haar gevangenschap. Ooit zou ze hebben gelachen om zo’n voorstel. Aangezien dit naar het scheen een plek was waar hij alle macht had, kon hij haar helemaal blootleggen en diep in haar geest graven als ze hem toestemming gaf.
‘Ik...’ Lanfir aarzelde.
Hij stapte naar voren, helemaal tot aan de rand van haar gevangenis. Die trilling in haar stem... die klonk oprecht. Het eerste spoortje echt gevoel van haar.
Licht, dacht hij, terwijl hij haar onderzoekend aankeek. Zal ze het echt doen?
‘Ik kan het niet,’ zei ze, en ze wendde haar blik af. ‘Ik kan het niet.’ De tweede keer klonk het zachter.
Rhand blies zijn adem uit. Hij merkte dat zijn hand trilde. Zo dichtbij. Zo dicht bij het Licht, als een wilde kat in de nacht, ijsberend voor een verlichte schuur! Hij voelde boosheid, meer boosheid dan voorheen. Dit deed ze nu altijd! Flirten met het goede, maar dan koos ze altijd weer haar eigen weg.
‘Ik ben klaar met jou, Mierin,’ zei Rhand, die zich omdraaide en de kamer uit liep. ‘Voor altijd.’
‘Je vergist je in me!’ riep ze hem na. ‘Je hebt je altijd in mij vergist! Zou jij je zo aan iemand blootgeven? Ik kan het niet. Ik ben te vaak geslagen door mensen die ik dacht te kunnen vertrouwen. Verraden door mensen die van me hadden moeten houden.’
‘Wil je mij hier de schuld van geven?’ vroeg Rhand, die zich op zijn hak omdraaide.
Ze sloeg haar blik niet neer. Ze bleef keizerlijk zitten, alsof haar gevangenis een troon was.
‘Je herinnert het je echt zo, of niet?’ zei Rhand. ‘Je denkt dat ik jou heb verraden voor haar?’
‘Je zei dat je van me hield.’
‘Dat heb ik nooit gezegd. Nóóit. Ik kon het niet. Ik wist niet wat liefde was. Eeuwen van leven, en ik had het nog nooit ervaren totdat ik haar ontmoette.’ Hij aarzelde en ging toen door, zo zacht dat zijn stem niet eens door de kleine grot weerkaatste. ‘Je hebt het nooit echt gevoeld, hè? Maar natuurlijk. Van wie zou jij nu kunnen houden? Je hart is al opgeëist door de macht waar je zo vreselijk naar verlangt. Er is geen ruimte meer over.’
Rhand liet los.
Hij liet los zoals Lews Therin dat nooit had gekund. Zelfs toen hij Ilyena had gevonden, zelfs toen hij besefte hoe Lanfir hem had gebruikt, had hij vastgehouden aan zijn haat en verachting. ‘Verwacht je soms dat ik medelijden met je heb?’ had Rhand haar gevraagd.
Nu voelde hij dat inderdaad. Medelijden met een vrouw die nooit liefde had gekend, een vrouw die zichzelf niet eens toestond dat te beseffen. Medelijden met een vrouw die geen andere partij kon kiezen behalve zichzelf.
‘Ik...’ begon ze zacht.
Rhand hief zijn handen en stelde zich voor haar open. Zijn bedoelingen, zijn geest, zijn wézen verscheen als een werveling van kleuren, gevoelens en kracht om hem heen.
Haar ogen werden groot toen de wervelingen zich voor haar afspeelden als beelden op een muur. Hij kon niets achterhouden. Ze zag zijn beweegredenen, zijn verlangens, zijn wensen voor de mensheid. Ze zag zijn bedoelingen. Om naar Shayol Ghul te gaan en de Duistere te doden. Om een betere wereld achter te laten dan de vorige keer.
Het maakte hem niet bang om die dingen te onthullen. Hij had de Ware Kracht aangeraakt, en dus kende de Duistere zijn hart. Er waren hier geen verrassingen, althans niets wat een verrassing had móéten zijn.
Toch was Lanfir verbaasd. Haar mond viel open toen ze de waarheid zag: dat de kern van Rhands wezen niet bestond uit Lews Therin. De kern van zijn wezen was de schaapherder, grootgebracht door Tam. Zijn levens speelden zich binnen enkele ogenblikken af, zijn herinneringen en gevoelens ontbloot.
Als laatste toonde hij haar zijn liefde voor Ilyena. Die was als een gloeiend kristal, op een schap gezet en bewonderd. Toen zijn liefde voor Min, Aviendha, Elayne. Die was als een brandend vreugdevuur: warm, geruststellend, hartstochtelijk.
Er was geen liefde voor Lanfir in wat hij liet zien. Geen spoortje. Hij had Lews Therins walging van haar ook onderdrukt. En dus was ze voor hem werkelijk niets.