Выбрать главу

Ze hijgde.

De gloed rondom Rhand vervaagde. ‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Ik meende het echt. Ik ben klaar met jou, Mierin. Zoek dekking tijdens de komende storm. Als ik dit gevecht win, zul je niet langer reden hebben om te vrezen voor je ziel. Er zal niemand meer zijn om je te folteren.’

Hij draaide zich weer om, liep de grot uit en liet haar zwijgend achter.

De avond in het Breemwoud ging gepaard met de geur van vuren die smeulden in kuilen en het zachte gekreun van mannen die onrustig in slaap vielen, met hun zwaarden bij de hand. Er hing een onnatuurlijke kilte in de zomerlucht.

Perijn liep door het kamp, tussen de mannen onder zijn bevel door. De gevechten waren zwaar geweest in deze bossen. Hij wist dat zijn mensen de Trolloks schade toebrachten, maar Licht, er leek steeds weer nieuw Schaduwgebroed te komen om de monsters die sneuvelden te vervangen.

Nadat hij ervoor had gezorgd dat zijn mensen fatsoenlijk te eten kregen, dat de wacht was ingesteld en dat de mannen wisten wat ze moesten doen als ze midden in de nacht werden gewekt door een aanval van Schaduwgebroed, ging hij op zoek naar de Aiel. Vooral de Wijzen. Ze hadden zich bijna allemaal verzameld om met Rhand mee te gaan als hij naar Shayol Ghul ging – ze wachtten op zijn bevel – maar een paar waren er bij Perijn gebleven, onder wie Edarra.

Zij en de andere Wijzen stonden niet onder zijn bevel. En toch, net als Gaul, bleven ze bij hem terwijl hun stamgenoten elders naartoe gingen. Perijn had niet gevraagd waarom. Het kon hem niet echt schelen. Ze waren nuttig, en hij was dankbaar dat ze er waren.

De Aiel lieten hem hun deel van het kamp in komen. Hij trof Edarra bij een vuur dat was omringd met stenen om te zorgen dat er geen vonken ontsnapten. Deze bossen waren zo droog, ze zouden sneller in brand vliegen dan een schuur vol hooi van de afgelopen herfst.

Ze keek naar Perijn toen hij bij haar kwam zitten. De Aiel zag er jong uit, maar ze gaf een geur af van geduld, leergierigheid en beheersing. Wijsheid. Ze vroeg niet waarom hij was gekomen, maar wachtte tot hij het woord nam.

‘Ben jij een Droomloper?’ vroeg Perijn.

Ze keek hem onderzoekend aan. Hij kreeg de indruk dat dit een vraag was die een man – of buitenstaander – niet hoorde te stellen.

Hij was dan ook verbaasd toen ze antwoordde.

‘Nee.’

‘Weet je er veel van?’ vroeg Perijn.

‘Wel iets.’

‘Ik moet weten hoe ik fysiek de Wereld der Dromen binnen kan gaan. Niet alleen in mijn dromen, maar in mijn echte lichaam. Heb je wel eens van zoiets gehoord?’

Ze inhaleerde scherp. ‘Daar moet je niet aan denken, Perijn Aybara. Het is kwaadaardig.’

Perijn fronste. In de wolfsdroom – in Tel’aran’rhiod – was kracht een gevoelig iets. Hoe sterker Perijn zichzelf in de droom zette, hoe steviger hij daar was en hoe gemakkelijker het was om daar dingen te veranderen en die wereld te manipuleren.

Maar dat was ook gevaarlijk. Als hij te sterk de droom in ging, liep hij het gevaar zichzelf af te snijden van zijn slapende lichaam in de echte wereld.

Dat scheen Slachter niet dwars te zitten. Slachter was daar sterk, zo ontzettend sterk. De man was fysiek in de droom. Perijn was daar steeds zekerder van.

Onze strijd zal pas eindigen, dacht Perijn, als jij de prooi bent, Slachter. Jager op wolven. Ik zal een einde aan je maken.

‘In veel opzichten,’ mompelde Edarra, kijkend naar hem, ‘ben je nog steeds een kind, ondanks alle eer die je hebt gevonden.’ Perijn was eraan gewend geraakt – hoewel het hem niet erg beviel – dat vrouwen die hooguit een jaar of twee ouder waren dan hij toch zo tegen hem spraken. ‘Geen van de Droomlopers zal je dit leren. Het is kwaadaardig.’

‘Wat is er kwaadaardig aan?’ vroeg Perijn.

‘Als je de Wereld der Dromen in je eigen lichaam binnengaat, kost je dat een deel van wat je mens maakt. Sterker nog, als je daar sterft – en je bent er in je eigen lichaam – dan kan dat ervoor zorgen dat je voor eeuwig sterft. Geen wedergeboorte meer, Perijn Aybara. Je draad in het Patroon zou voor altijd kunnen eindigen, en jij vernietigd. Dit is niet iets wat je moet overwegen.’

‘De dienaren van de Schaduw doen het, Edarra,’ zei Perijn. ‘Zij nemen die gok wel, om te overheersen. Wij moeten datzelfde wagen om ze te kunnen tegenhouden.’

Edarra siste zachtjes en schudde haar hoofd. ‘Hak je voet niet af uit angst dat een slang erin zal bijten, Perijn Aybara. Maak geen verschrikkelijke fout omdat je iets vreest wat nog erger lijkt. Dat is alles wat ik over dat onderwerp wil zeggen.’

Ze stond op en liet hem bij het vuur achter.

13

Wat gebeuren moet

Het leger week uiteen voor Egwene terwijl ze naar de heuvels in zuidwestelijk Kandor reed waar ze over enkele ogenblikken de oprukkende vijand het hoofd zouden bieden. Ze leidde meer dan honderd Aes Sedai, velen van hen uit de Groene Ajah. Brins tactische herzieningen waren snel en werkzaam geweest. Hij had iets beters dan boogschutters om een bestorming op te breken, iets vernietigenders dan zware cavalerie voor het aanrichten van grote schade.

Het werd tijd om dat wapen in te zetten.

Twee kleinere groepen Aes Sedai waren op weg naar de flanken van het leger. Deze heuvels waren ooit weelderig en groen geweest, maar nu waren ze geel en bruin alsof ze door de zon waren verschroeid. Egwene probeerde de voordelen daarvan te zien. Ze zouden in ieder geval een stevige ondergrond hebben, en hoewel er af en toe bliksems door de hemel schoten, zag het er niet naar uit dat het zou gaan regenen.

De naderende Trolloks leken zich in alle richtingen tot het oneindige uit te strekken. Hoewel Egwenes leger ontzettend groot was, voelde het ineens piepklein. Gelukkig had ze één voordeeclass="underline" het Trollok-leger werd gedreven door een behoefte om voorwaarts te blijven bewegen. Trollok-legers vielen uiteen als ze niet doorlopend oprukten. Dan gingen ze onderling ruziën. Dan raakte hun eten op.

Egwenes leger was een blokkade die hun in de weg stond. En aas. Het Schaduwgebroed kon het zich niet veroorloven een leger als het hunne te laten lopen, en dus kon Egwene hen over een door haarzelf bepaalde koers lokken.

Haar Aes Sedai bereikten het front. Brin had zijn leger opgedeeld in grote, zeer beweeglijke aanvalseenheden om de Trollok-horden te bestoken waar en wanneer die een kwetsbare plek vertoonden.

De aanvalsstructuur van Brins legers leek de Trolloks te verwarren. Althans, zo vatte Egwene het geschuifel in hun gelederen op, de kolkende bewegingen, het aanzwellende kabaal. Trolloks hoefden zich maar zelden druk te maken om hun verdediging. Trolloks vielen aan, mensen verdedigden. Mensen maakten zich druk. Mensen waren eten.

Egwene bereikte de top van een lage heuvel en keek uit over de vlakte in Kandor waar de Trolloks zich verzamelden, terwijl haar Aes Sedai zich in een lange rij aan weerskanten van haar opstelden. Achter hen leken de soldaten onzeker. Ze wisten dat Egwene en de anderen Aes Sedai waren, en geen enkele man voelde zich op zijn gemak bij Aes Sedai.

Egwene reikte naar haar zij en haalde iets langs, wits en duns uit het leren kokertje dat aan haar riem hing. Het was een taps toelopende staaf: Vora’s sa’angreaal. Hij voelde vertrouwd in haar hand. Hoewel ze deze sa’angreaal pas één keer had gebruikt, had ze het gevoel dat het voorwerp haar had opgeëist, en andersom. Tijdens het gevecht tegen de Seanchanen was dit haar wapen geweest. Voor het eerst begreep ze waarom een soldaat soms een band voelde met zijn zwaard.

De gloed van de Kracht verscheen rondom de vrouwen aan weerskanten van haar, alsof er een rij lantaarns werd aangestoken. Egwene omhelsde de Bron en voelde de Ene Kracht in haar stromen als een waterval, haar vullen en de ogen openen. De wereld werd mooier, de geuren van wapenolie en platgetreden gras sterker.

In de omhelzing van saidar zag ze de sporen van kleuren waarvan de Schaduw wilde dat ze er blind voor waren. Het gras was niet helemaal dood. Er waren kleine spoortjes groen, kleine stukjes waar het gras nog aan het leven vastklampte. Er zaten woelmuizen onder. Egwene zag nu heel duidelijk de rimpelingen in de aarde. De muizen aten van de stervende wortels en hielden vast aan het leven.