‘Aanvaarden jullie allemaal mijn gezag, zoals toegekend door de kroon van Andor?’ vroeg Perijn.
‘Natuurlijk, heer Guldenoog,’ riep Arganda. ik dacht dat dat wel vaststond.’
‘Ik verhef hierbij Tam Altor tot edele,’ riep Perijn. ‘Ik stel hem aan als stedehouder van Tweewater uit naam van zijn zoon, de Herrezen Draak. Hij heeft al mijn gezag, en dus het gezag van de Draak zelf. Als ik deze slag niet overleef, volgt Tam me op.’
Het werd stil in het kamp, maar toen knikten de mannen, en een paar van hen groetten Tam. Tam kreunde zo zachtjes dat Perijn betwijfelde of iemand anders het ook kon horen.
‘Is het te laat om je te overhandigen aan de vrouwenkring voor een goeie preek?’ vroeg Tam. ‘Misschien een stevige tik op je achterste en een week water dragen voor weduwe Altone?’
‘Het spijt me, Tam,’ zei Perijn. ‘Neald, probeer een Poort te maken naar de Zwarte Toren.’
De jonge Asha’man trok een aandachtig gezicht. ‘Het lukt nog steeds niet, heer Guldenoog.’
Perijn schudde zijn hoofd. Hij had de verslagen gehoord van Lans front, dat mannen van de Zwarte Toren vochten voor de Schaduw. Er was daar iets gebeurd, iets vreselijks. ‘Goed, terug naar Merrilor, dan maar,’ besloot Perijn.
Neald knikte en concentreerde zich.
Terwijl hij werkte, wendde Perijn zich tot de mannen, ik wil jullie echt niet verlaten, maar ik voel haken in mijn lijf die me naar het noorden trekken. Ik móét naar Rhand toe, daar valt gewoon niks tegen te doen. Ik zal proberen terug te komen. Als dat niet lukt... dan moeten jullie weten dat ik trots op jullie ben. Op jullie allemaal. Ieder van jullie is welkom in mijn huis als dit voorbij is. We openen een vaatje van meester Alverens beste brandewijn, we gedenken de gesneuvelden, en we vertellen onze kinderen hoe we hier stonden toen de wolken zwart werden en de wereld begon te sterven. We vertellen ze dat we schouder aan schouder stonden, en dat de Schaduw gewoon geen ruimte had om zich ertussendoor te persen.’
Hij hief Mah’alleinir naar hen en onderging hun gejuich. Niet omdat hij het verdiende, maar omdat zíj het verdienden.
Neald opende de Poort. Perijn draaide zich ernaar om, maar aarzelde toen zijn naam werd geroepen. Hij keek fronsend naar Dain Bornhald toen de man kwam aandraven.
Perijn legde behoedzaam zijn hand op zijn hamer. Deze man had zijn leven gered tegen de Trolloks en tegen een mede-Witmantel, maar Perijn wist dat hij geen vriend was. Hij gaf Perijn dan misschien niet de schuld voor de dood van zijn vader, maar dat betekende nog niet dat hij Perijn mocht of zelfs maar kon uitstaan.
‘Een woordje, Aybara,’ zei Bornhald, kijkend naar Gaul die vlakbij stond. ‘Onder vier ogen.’
Perijn gebaarde naar Gaul, en de Aiel trok zich met tegenzin terug. Hij stapte samen met Bornhald weg bij de open Poort. ‘Waar gaat dit over? Als het is omdat je vader...’
‘Licht, hou gewoon even je mond,’ zei Bornhald, die zijn blik afwendde. ‘Ik wil dit niet zeggen. Ik haat het om dit te zeggen, maar je moet het weten. Het Licht mag me branden, je moet het weten.’
‘Wat?’
‘Aybara,’ zei Bornhald, die diep ademhaalde. ‘Je familie is niet vermoord door Trolloks.’
Er trok een schok door Perijns lichaam.
‘Het spijt me,’ zei Bornhald, die weer wegkeek. ‘Het was Ordeith. Je vader had hem beledigd. Hij verscheurde je ouders, maar wij gaven de Trolloks de schuld. Ik heb ze niet zelf gedood, maar ik heb ook niets gezegd. Zoveel bloed...’
‘Wat?’ Perijn greep de Witmantel bij de schouder. ‘Maar ze zeiden... Ik bedoel...’ Licht, hij had hier al mee afgerekend!
De blik in Bornhalds ogen haalde het allemaal weer naar boven. De pijn, het afgrijzen, het verlies, de frustratie. Bornhald veegde Perijns hand van zijn schouder.
‘Dit is een rottijd om hiermee te komen, ik weet het,’ zei Bornhald. ‘Maar ik kon het niet voor me houden. Ik wilde gewoon... Misschien sneuvelen we wel. Licht, alles kan verwoest worden. Ik moest me uitspreken, het je vertellen.’
Hij stapte achteruit en draafde met neergeslagen blik terug naar de andere Witmantels. Perijn bleef alleen achter, terwijl zijn hele wereld op zijn grondvesten beefde.
Toen vermande hij zich. Hij had hiermee afgerekend, hij had al om zijn familie gerouwd. Het was voorbij, afgelopen.
Hij moest en zou nu doorgaan. Licht, die oude pijn keerde terug, maar hij duwde hem weg en richtte zijn blik op de Poort. Op Rhand, en zijn plicht.
Hij had werk te doen. Maar Ordeith... Padan Fajin... Dit voegde alleen maar toe aan de verschrikkelijke misdaden van die man. Perijn zou zorgen dat hij boette, hoe dan ook.
Hij stapte naar de Poort om naar Rhand te Reizen, en Gaul sloot zich bij hem aan.
‘Ik ga naar een plek waar jij niet kunt gaan, mijn vriend,’ zei Perijn zacht. ‘Het spijt me.’
‘Je gaat naar de droom binnen een droom,’ zei Gaul, die geeuwde. ‘En ik ben moe.’
‘Maar...’
‘Ik ga mee, Perijn Aybara. Dood me maar als je wilt dat ik achterblijf.’
Perijn durfde hem niet uit te dagen. Hij knikte.
Perijn keek achterom en hief zijn hamer nog een keer. Terwijl hij dat deed, ving hij een glimp op door de Poort naar Mayene, die Gradi nog openhield. Aan de overkant keken twee gedaanten in witte mantels naar Gaul. Hij hief een speer naar hen. Hoe moest het voelen voor twee strijders om hier niets te kunnen doen, bij de Laatste Slag? Misschien had Rhand moeten proberen de gai’shain een paar weken van hun geloften te laten ontheffen.
Nou, dat zou waarschijnlijk echt alle Aiel tegen hem hebben opgezet. Het Licht behoede de natlander die probeerde zich met ji’e’toh te bemoeien.
Perijn stapte door de Poort naar Merrilor. Eenmaal daar pakten Gaul en hij spullen alsof ze op een lange reis gingen: meer dan genoeg voedsel en water, zoveel als ze durfden mee te nemen.
Het kostte Perijn bijna een half uur om Rhands Asha’man over te halen hem te vertellen waar hun leider naartoe was. Eindelijk opende Naeff met tegenzin een Poort voor Perijn. Hij verliet Merrilor en stapte op een terrein dat leek op de Verwording. Alleen waren de rotsen koud.
Het rook er naar de dood, naar verlatenheid. Rhand stond verderop, aan de rand van de richel, met zijn armen op zijn rug. Een groep raadslieden, bevelvoerders en wachters stond achter hem, onder wie Moiraine, Aviendha en Cadsuane. Op het ogenblik stond Rhand echter alleen aan het eind van de richel.
In de verte verrees de top van Shayol Ghul. Perijn voelde een rilling. Het was vaag, maar de intense vastberadenheid op Rhands gezicht terwijl hij naar die top keek kon Perijn niet ontgaan.
‘Licht,’ zei Perijn. ‘Is het tijd?’
‘Nee,’ antwoordde Rhand zachtjes. ‘Dit is een proef om te kijken of hij me voelt.’
‘Perijn?’ vroeg Nynaeve van de heuvel achter hem. Ze had overlegd met Moiraine en voor één keer was er geen spoortje hatelijkheid in haar geur te bekennen. Er was iets gebeurd tussen die twee vrouwen.
‘Ik heb hem maar heel even nodig,’ zei Perijn, die naar Rhand toe liep. Er waren een paar Aiel hierachter, en Perijn wilde niet dat zij – vooral eventuele Wijzen niet – zouden horen wat hij Rhand wilde vragen.
‘Je krijgt dit ogenblik en nog vele andere, Perijn,’ zei Rhand. ik ben je heel veel verschuldigd. Wat wil je?’
‘Nou...’ Perijn keek over zijn schouder. Zou Moiraine of Nynaeve genoeg weten om te proberen hem tegen te houden? Waarschijnlijk. Vrouwen probeerden een man er altijd van te weerhouden te doen wat hij moest doen, alsof ze bang waren dat hij zijn nek zou breken. Of het nu de Laatste Slag was of niet.
‘Perijn?’ drong Rhand aan.
‘Rhand, ik moet de wolfsdroom in.’
‘Tel’aran’rhiod?’ vroeg Rhand. ‘Perijn, ik weet niet wat je daar doet, want je hebt me er weinig over verteld. Ik dacht dat je wel zou weten hoe...’
‘Ik ken één weg naar binnen,’ fluisterde Perijn, zodat de Wijzen en de anderen achter hen hem niet konden horen. ‘De eenvoudige weg. Ik heb iets anders nodig. Jij weet dingen, jij herinnert je dingen. Is er iets in dat oude brein van je wat zich herinnert hoe je de Wereld der Dromen in levenden lijve binnen kunt gaan?’