Выбрать главу

Rhand werd ernstig. ‘Je vraagt iets heel gevaarlijks.’

‘Even gevaarlijk als wat jij op het punt staat te doen?’

‘Misschien.’ Rhand trok een wenkbrauw op. ‘Als ik dit had geweten toen ik nog... Nou, laten we het erop houden dat sommigen je verzoek heel, heel kwaadaardig zouden noemen.’

‘Het is niet kwaadaardig, Rhand,’ drong Perijn aan. ‘Ik herken het kwaad als ik het ruik. Dit is niet kwaadaardig, alleen maar ongelooflijk stom.’

Rhand glimlachte. ‘En toch vraag je het?’

‘Alle goede opties zijn op, Rhand. Je kunt beter iets wanhopigs doen dan helemaal niets.’

Rhand antwoordde niet.

‘Luister,’ zei Perijn. ‘We hebben het over de Zwarte Toren gehad. Ik weet dat je je daar zorgen om maakt.’

‘Ik zal erheen moeten,’ zei Rhand, en zijn gezicht betrok. ‘Terwijl het overduidelijk een valstrik is.’

‘Ik denk dat ik een deel van de oorzaak daarvan ken,’ zei Perijn. ‘Er is iemand die ik moet verslaan, maar dat kan niet als ik hem niet op gelijke voorwaarden tegemoet treed. Daar, in de droom.’

Rhand knikte langzaam. ‘Het Rad weeft wat het Rad wil. We zullen de Verwording uit moeten gaan. Je kunt de droom niet binnengaan vanuit...’

Hij liet zijn stem wegsterven en deed iets: hij vormde een weving. Een Poort opende zich naast hem. Iets eraan was anders dan bij gewone Poorten.

‘Ik zie het,’ zei Rhand. ‘De werelden kruipen naar elkaar toe, worden samengeperst. Wat ooit gescheiden was, is dat niet meer. Deze Poort zal je naar de droom brengen. Pas op, Perijn. Als je daar sterft in je eigen lichaam, kan dat... gevolgen hebben. Wat je dan ondergaat kan erger zijn dan de dood, vooral nu. In deze tijd.’

‘Weet ik,’ antwoordde Perijn. ‘Ik zal een uitweg nodig hebben. Kun je een van je Asha’man eenmaal per dag bij zonsopgang zo’n Poort laten maken? Op het Reisterrein van Merrilor, bijvoorbeeld?’ ‘Het is gevaarlijk,’ fluisterde Rhand. ‘Maar ik zal het doen.’ Perijn knikte dankbaar.

‘Hopelijk zien we elkaar terug,’ zei Rhand. Hij stak zijn hand naar Perijn uit. ‘Hou een oogje op Mart. Ik weet niet wat hij wil gaan doen, maar ik heb het gevoel dat het heel gevaarlijk zal zijn voor alle betrokkenen.’

‘Die waaghals,’ zei Perijn terwijl hij Rhands onderarm omklemde. ‘Jij en ik zijn er véél beter in om op de veilige paden te blijven.’ Rhand glimlachte. ‘Moge het Licht je behoeden, Perijn Aybara.’

‘En jou, Rhand Altor.’ Perijn aarzelde en besefte wat dit was. Het was een afscheid. Hij omhelsde Rhand.

‘Pas goed op hem, jullie twee,’ zei Perijn tegen Nynaeve en Moiraine terwijl hij achteruitstapte. ‘Horen jullie me?’

‘O, nú wil je dat ik op Rhand pas?’ zei Nynaeve, met haar handen in haar zij. ‘Ik geloof niet dat ik daar ooit mee ben opgehouden, Perijn Aybara. Denk maar niet dat ik jullie niet heb horen fluisteren. Je gaat iets doms doen, hè?’

‘Altijd,’ antwoordde Perijn, terwijl hij ten afscheid zijn hand naar Thom hief. ‘Gaul, weet je zeker dat je dit wilt doen?’

‘Ja,’ zei de Aielman, die zijn speren losser in de schede legde en door Rhands Poort keek.

Zonder nog een woord te zeggen, hesen de twee hun zware ransels over hun schouder en stapten de Wereld der Dromen in.

14

Dolkwortel

‘Licht...’ fluisterde Perijn tegen Gaul, uitkijkend over het landschap. ‘Het is stervende.’

De kolkende, wervelende, stuwende zwarte hemel van de wolfsdroom was niets nieuws, maar de storm die al maandenlang aan de hemel broeide was eindelijk losgebarsten. Er stonden felle windvlagen, eerst de ene kant op, dan weer de andere, in onnatuurlijke patronen. Perijn sloeg zijn mantel dicht en versterkte die toen met een gedachte, door zich voor te stellen dat de banden eromheen stevig vastgesnoerd zaten.

Een kleine bel van kalmte strekte zich rondom hem uit en hield de ergste wind weg. Het was gemakkelijker dan hij had verwacht, alsof hij bij het oprapen van een zwaar stuk eiken had ontdekt dat het zo licht was als dennenhout.

Het landschap leek minder echt dan gewoonlijk. De gierende wind schuurde de heuvels zichtbaar vlakker: erosie op hoge snelheid. Op andere plekken zwol het land op en vormde rimpelingen van rotsen en nieuwe heuvels. Brokken aarde schoten de lucht in en verpulverden. Het land viel uiteen.

Perijn greep Gauls schouder en verplaatste hen weg van deze plek. Ze waren nog te dicht bij Rhand, vermoedde Perijn. En inderdaad, toen ze op de bekende vlakte in het zuiden verschenen – de plek waar hij met Springer had gejaagd – bleek de storm daar minder krachtig.

Ze verstopten hun zware ransels vol voedsel en water in een paar struiken. Perijn wist niet of ze konden overleven op voedsel en water dat ze in de droom vonden, maar hij nam het zekere voor het onzekere. Ze zouden hier genoeg moeten hebben voor ongeveer een week, en zolang er een Poort zou wachten die hun een uitweg bood, had hij vrij veel vertrouwen in de gok die hij hier nam. Hij had weinig keus.

Het landschap hier, verder naar het zuiden, viel niet zo uiteen als vlak bij Shayol Ghul. Maar als hij lang genoeg naar een bepaald gedeelte keek, zag hij wel stukjes van... nou, stukjes van alles, die werden meegetrokken in de wind. Stengels dood graan, stukken van boomstammen, klodders modder en flintertjes steen, allemaal werden ze langzaam naar die veelvraten van zwarte wolken getrokken. Maar als hij omkeek waren dingen die uiteengeslagen waren soms ineens weer heel, zoals wel vaker gebeurde in de wolfsdroom. Hij begreep het. Deze plek werd langzaam verteerd, net als de wakende wereld. Hier was het alleen duidelijker zichtbaar.

De wind gierde om hen heen, maar niet zo sterk dat Perijn er iets tegen hoefde te doen. Het voelde als de wind aan het begin van een storm, vlak voordat het ging regenen en bliksemen. Voorbodes van de naderende vernietiging.

Gaul had zijn sjoefa over zijn gezicht getrokken en keek argwanend om zich heen. Zijn kleding had dezelfde kleur aangenomen als het gras.

‘Je moet hier heel goed oppassen, Gaul,’ waarschuwde Perijn. ‘Je terloopse gedachten kunnen werkelijkheid worden.’

Gaul knikte, en toen liet hij schoorvoetend zijn sluier zakken. ‘Ik zal luisteren en doen wat je me opdraagt.’

Het was bemoedigend te zien dat Gauls kleding niet al te veel veranderde terwijl ze door het veld liepen. ‘Probeer gewoon je hoofd leeg te houden,’ zei Perijn. ‘Zonder gedachten. Handel vanuit je instinct en doe wat ik doe.’

‘Ik zal jagen als de gara,’ zei Gaul knikkend. ‘Mijn speer is jouw speer, Perijn Aybara.’

Perijn liep door het veld, bang dat Gaul zichzelf per ongeluk ergens heen zou sturen door eraan te denken. De man leek echter nauwelijks last te hebben van de wolfsdroom. Zijn kleren veranderden een beetje als hij schrok en zijn sluier sprong voor zijn gezicht zonder dat hij er een vinger naar uitstak, maar dat leek het wel zo’n beetje te zijn.

‘Goed,’ zei Perijn. ‘We gaan naar de Zwarte Toren. We jagen op een gevaarlijke prooi, een man genaamd Slachter. Herinner je je heer Luc nog?’

‘Die kwiekspringer?’ vroeg Gaul.

Perijn keek hem vragend aan.

‘Dat is een soort vogel,’ zei Gaul, ‘uit het Drievoudige Land. Ik heb die man niet vaak gezien, maar hij leek me iemand met grote woorden en het hart van een lafaard.’

‘Dat was een dekmantel,’ zei Perijn. ‘En hoe dan ook, hij is een heel andere persoon in de droom. Hier is hij een jager genaamd Slachter, die jaagt op wolven en mensen. Hij is machtig. Als hij besluit je te doden, kan hij in een oogwenk achter je opduiken, je met zijn geest in lianen wikkelen en zorgen dat je je niet meer kunt bewegen. Je zult geen kant op kunnen terwijl hij je de keel afsnijdt.’

Gaul lachte.

‘Vind je dat grappig?’ vroeg Perijn.

‘Je doet alsof dat iets nieuws is,’ legde Gaul uit. ‘Maar in de eerste droom, die waar we net vandaan komen, ben ik omringd door mannen en vrouwen die me met lucht kunnen vastbinden, alleen door het te denken, en die me kunnen doden wanneer ze willen. Ik ben het gewend om machteloos te zijn tegenover sommige lieden, Perijn Aybara. Zo werkt het in de wereld.’