‘Maar toch,’ zei Perijn streng, ‘als we op Slachter stuiten – een kerel met een vierkante kop en nogal doodse ogen, altijd in donker leer gekleed – dan wil ik dat je bij hem wegblijft. Laat hem aan mij over.’
‘Maar...’
‘Je zei dat je zou gehoorzamen, Gaul,’ zei Perijn. ‘Dit is belangrijk. Hij heeft Springer gedood, en ik wil niet dat hij jou ook doodt. Jij vecht mét tegen Slachter.’
‘Goed dan,’ antwoordde Gaul. ‘Ik zweer het. Ik zal niet de speren dansen met die man behalve als jij het beveelt.’
Perijn zuchtte. Hij kon zich al indenken hoe Gaul erbij zou staan, met zijn speren weggestopt, terwijl Slachter hem vermoordde, alleen vanwege zijn eed. Licht, maar Aiel konden zo prikkelbaar zijn. ‘Je mag natuurlijk wel tegen hem vechten als hij je aanvalt,’ zei Perijn, ‘maar alleen om te kunnen ontsnappen. Jaag niet op hem, en als ik met hem in gevecht ben, blijf dan uit de weg. Is dat begrepen?’
Gaul knikte. Perijn legde zijn hand op de schouder van de Aiel en verplaatste hen in de richting van de Zwarte Toren. Perijn was er nooit eerder geweest, dus moest hij gokken en proberen. De eerste verplaatsing klopte niet en bracht hen naar een deel van Andor waar met gras begroeide heuvels leken te dansen in de wervelwind. Perijn was liever gewoon van heuvel naar heuvel gesprongen, maar hij dacht niet dat Gaul daar klaar voor was. In plaats daarvan verplaatste hij hen steeds een klein stukje.
Na vier of vijf pogingen kwamen ze aan op een plek waar ze een doorschijnende, ietwat paarsige koepel in de verte zagen.
‘Wat is dat?’ vroeg Gaul.
‘Onze bestemming,’ antwoordde Perijn. ‘Dat is het ding dat Gradi en Neald ervan weerhoudt Poorten naar de Zwarte Toren te maken.’
‘Net zoals wij werden belemmerd in Geldan.’
‘Ja.’ Het zien van die koepel bracht herinneringen terug, levendige herinneringen, aan stervende wolven. Perijn onderdrukte ze. Dergelijke herinneringen konden hier tot terloopse gedachten leiden. Hij liet wel de brandende woede in zijn binnenste zitten, als de warmte van zijn hamer, maar meer niet.
‘Kom mee,’ zei Perijn, die hen naar de koepel verplaatste. Het ding leek wel van glas. ‘Trek me eruit als ik val,’ zei hij tegen Gaul, en toen stapte hij in de barrière.
Het voelde alsof hij iets ontzettend kouds had geraakt. Het zoog zijn kracht uit hem weg. Hij struikelde, maar hield zijn gedachten op zijn doel gericht. Slachter. Doder van wolven. Springers moordenaar.
Perijn rechtte zijn rug toen zijn kracht terugkeerde. Het was gemakkelijker gegaan dan de vorige keer. Het maakte hem inderdaad sterker dat hij nu in levenden lijve in de wolfsdroom was. Hij hoefde zich geen zorgen te maken dat hij zich te sterk in de droom trok of dat zijn lichaam zou sterven in de echte wereld.
Hij ging langzaam door de barrière, alsof hij door water waadde, en stapte aan de andere kant naar buiten. Achter hem stak Gaul met een nieuwsgierig gezicht zijn hand uit en tikte met zijn wijsvinger op de koepelwand.
Gaul zakte meteen op de grond, zo slap als een pop. Zijn speren en pijlen vielen uit de kokers en hij bleef doodstil liggen, met een roerloze borstkas. Perijn stak – langzaam – zijn arm door de barrière, greep Gauls been en trok hem erdoor.
Eenmaal aan de andere kant zoog Gaul een diepe ademteug naar binnen en rolde zich kreunend op zijn zij. Hij ging zitten en sloeg zijn handen tegen zijn hoofd. Perijn raapte zwijgend zijn pijlen en speren voor hem op.
‘Dit wordt een goede ervaring om ji op te bouwen,’ stelde Gaul vast. Hij stond op en wreef over zijn arm, waar hij bovenop was gevallen. ‘De Wijzen noemen het kwaadaardig om naar deze plek te gaan zoals wij nu doen? Nou, volgens mij zouden ze het wel leuk vinden om mannen hierheen te brengen voor een lesje.’
Perijn keek Gaul aan. Hij had niet beseft dat de man hem met Edarra over de wolfsdroom had horen praten. ‘Waar heb ik je trouw toch aan verdiend, Gaul?’ vroeg Perijn, voornamelijk in zichzelf.
Gaul lachte. ‘Niet aan iets wat je hebt gedaan.’
‘Hoe bedoel je? Ik heb je uit die kooi gehaald. Daarom volg je me.’
‘Dat was aanvankelijk de reden,’ zei Gaul. ‘Het is niet waarom ik ben gebleven. Kom, zijn we niet op jacht naar een gevaarlijk iemand?’
Perijn knikte, en Gaul deed zijn sluier voor. Ze gingen op weg naar het bouwwerk onder de koepel. Het was een behoorlijk eind lopen van de rand van de koepel naar het midden, maar bij elke sprong konden ze op een verrassing stuiten, dus gingen ze te voet. Het landschap bestond uit open graslanden met hier en daar wat boomgroepjes.
Ze liepen ongeveer een uur voordat ze de muren zagen, hoog en indrukwekkend als die rondom een grote stad. Perijn en Gaul liepen er recht naartoe, en Gaul keek heel zorgvuldig om zich heen, alsof hij ieder ogenblik verwachtte beschoten te worden. Maar in de wolfsdroom zouden deze muren niet bewaakt worden. Als Slachter hier binnen was, zou hij wachten in het hart van de koepel, in het midden. En daar had hij dan waarschijnlijk een valstrik opgezet.
Perijn legde zijn hand op Gauls schouder en bracht hen binnen een oogwenk boven op de muur. Gaul sloop ineengedoken naar de ene kant en tuurde bij een van de overdekte wachtposten naar binnen.
Perijn stapte naar de binnenbocht van de muur en keek naar beneden. De Zwarte Toren was niet zo indrukwekkend als je van buitenaf zou denken: een dorpje van hutten en huisjes en daarachter een groot bouwproject.
‘Ze zijn hoogmoedig, vind je ook niet?’ vroeg een vrouwenstem.
Perijn schrok, draaide zich met een ruk om, riep zijn hamer naar zijn handen en zette een bakstenen muur om zich heen ter bescherming.
Een kleine jonge vrouw met zilvergrijs haar stond op de muur naast hem, met een rechte rug om langer te lijken dan ze was. Ze droeg witte kleding en om haar middel een zilverkleurige riem. Hij herkende haar gezicht niet, maar wel haar geur.
‘Maanjager,’ zei Perijn bijna grommend. ‘Lanfir.’
‘Ik mag die naam niet meer gebruiken,’ zei ze, terwijl ze met haar vinger tegen de muur tikte. ‘Hij is zo streng met namen.’
Perijn ging achteruit en keek om zich heen. Werkte ze samen met Slachter? Gaul kwam uit de wachtpost tevoorschijn en verstijfde toen hij de vrouw zag. Perijn stak een hand op om hem tegen te houden.
Kon hij naar Gaul springen en hier weg zijn voordat ze aanviel?
‘Maanjager?’ vroeg Lanfir. ‘Is dat hoe de wolven me noemen? Dat klopt niet, helemaal niet. Ik jaag niet op de maan. De maan is al van mij.’ Ze boog zich naar voren en legde haar armen op de borsthoge kantelen.
‘Wat wil je?’ vroeg Perijn streng.
‘Wraak,’ fluisterde ze. Toen keek ze hem aan. ‘Hetzelfde als jij, Perijn.’
‘Moet ik geloven dat jij Slachter ook dood wilt hebben?’
‘Slachter? Dat weggelopen weesjochie van Moridin? Ik geef niets om hem. Mijn wraak is tegen iemand anders gericht.’
‘Wie dan?’
‘Degene die mijn gevangenschap heeft veroorzaakt,’ zei ze zachtjes, hartstochtelijk. Ineens keek ze naar de lucht. Haar ogen werden groot van schrik en ze verdween.
Perijn verplaatste zijn hamer van de ene hand naar de andere terwijl Gaul naar hem toe kwam sluipen en overal tegelijk probeerde te kijken. ‘Wat was dat?’ fluisterde hij. ‘Een Aes Sedai?’
‘Erger nog,’ zei Perijn met een grimas. ‘Hebben de Aiel een naam voor Lanfir?’
Gaul haalde scherp adem.
‘Ik weet niet wat ze wil,’ vervolgde Perijn. ‘Ik heb haar nooit begrepen. Hopelijk hebben we alleen maar eikaars pad gekruist en gaat ze gewoon door met haar eigen dingen.’
Hij geloofde dat alleen niet, niet na wat de wolven hem hadden verteld. Maanjager wilde hém. Licht, alsof ik al niet genoeg problemen heb.
Hij verplaatste hen naar de voet van de muur en ze vervolgden hun weg.
Toveine knielde naast Logain neer. Androl was gedwongen toe te kijken terwijl ze Logains wang streelde. Zijn vermoeide ogen bleven open terwijl hij vol afgrijzen naar haar keek.