‘Kun je geleiden?’ fluisterde Androl. Taims aandacht was op Evins gevecht gericht.
Emarin schudde zijn hoofd. ‘Dat drankje dat ze ons hebben gegeven...’
Androl hield vast aan de Ene Kracht. De schaduwen om hem heen werden langer.
Nee! dacht hij. Nee, niet nu!
Een Poort. Hij had een Poort nodig! Androl zoog de Ene Kracht naar binnen en vormde de weving om te Reizen. En toch, net als voorheen, raakte hij een of andere barrière, een soort muur die voorkwam dat hij de Poort kon openen. Gefrustreerd probeerde hij een Poort naar een plek dichterbij te maken. Misschien was de afstand belangrijk. Kon hij een Poort maken naar Canlers winkel boven hen?
Hij streed tegen die muur, vocht met alles wat hij in zich had. Met een uiterste inspanning kwam hij steeds iets dichterbij, en het lukte hem bijna... Hij had het gevoel dat er iets gebeurde.
‘Alsjeblieft,’ fluisterde hij. ‘Alsjeblieft, ga open. We moeten hier weg...’
Taim doodde Evin met een weving.
‘Wat was dat?’ brulde Taim.
‘Weet ik niet,’ zei Mishraile. ‘Evin viel ons aan! Hij had staan praten met die schildknaap, en...’
Ze draaiden zich allebei met een ruk naar Androl om. Androl staakte zijn pogingen om een Poort te maken, maar smeet wanhopig een weving van Vuur naar Taim toe.
Taim glimlachte. Tegen de tijd dat Androls tong van Vuur hem bereikte, had hij hem al opgevangen met een weving van koude lucht en water en opgebroken.
‘Je bent wel hardnekkig, jij,’ zei Taim, die Androl met een weving van Lucht tegen de muur dreunde.
Androl hijgde van pijn. Emarin krabbelde duizelig overeind, maar een tweede weving van Lucht smeet hem weer omver. Versuft voelde Androl dat hij werd opgetild en door de kamer werd getrokken.
De lelijke vrouw in het zwart stapte uit de kring van Aes Sedai en liep naar Taim toe. ‘Zo, M’Hael,’ zei ze. ‘Je hebt het hier dus lang niet zo goed in de hand als je aangaf.’
‘Ik heb gebrekkige middelen,’ kaatste Taim terug. ‘Ik had eerder vrouwen moeten krijgen!’
‘Je hebt je Asha’man zelf uitgeput,’ antwoordde de vrouw. ‘Je hebt hun krachten verspild. Ik neem de leiding hier over.’
Taim glimlachte. De gloed omgaf hem. Hij was op de verhoging bij Logains slappe gestalte, de vrouwen en de Schimmen gaan staan. Hij leek deze vrouw, mogelijk een Verzaker, een grotere dreiging te vinden dan alle anderen in de kamer.
‘En jij denkt dat dat zal lukken?’ vroeg Taim.
‘Als de Nae’blis hoort hoe je hier aan het klungelen...’
‘De Nae’blis? Ik geef niet om Moridin. Ik heb de Grote Heer zelf al een geschenk gegeven. Pas op, want ik sta bij hem in de gunst. Ik heb de sleutels in mijn handen, Hessalam.’
‘Bedoel je... is het je echt gelukt? Heb je ze gestolen?’
Taims glimlach werd breder. Hij draaide zich weer om naar Androl, die in de lucht hing en zich vruchteloos verzette.
Androl was niet afgeschermd. Hij smeet nog een weving naar Taim toe, maar de man blokkeerde die onverschillig.
In zijn ogen was Androl het afschermen niet eens waard. Taim liet de wevingen van Lucht los, waardoor Androl met een grom op de grond smakte.
‘Hoe lang ben je hier nou opgeleid, Androl?’ vroeg Taim. ‘Je beschaamt me. Is dat het béste wat je kunt doen als je probeert iemand te doden?’
Androl werkte zich op zijn knieën. Hij voelde pijn en ongerustheid van Pevara komen, hoewel haar geest vertroebeld was met dolkwortel. Voor hem zat Logain op zijn troon, vastgebonden en omringd door vijanden. De ogen van de man waren dicht en hij leek amper bij bewustzijn.
‘We zijn hier klaar,’ zei Taim. ‘Mishraile, dood die gevangenen. We nemen de mensen boven mee naar Shayol Ghul. De Grote Heer heeft me meer middelen beloofd voor mijn werk daar.’
Taims lakeien naderden. Androl keek op. De duisternis groeide overal om hem heen, vormen bewogen zich in de schaduwen. Die duisternis... maakte hem doodsbang. Hij moest saidin loslaten, hij móést. En toch kon hij het niet.
Hij moest beginnen met weven.
Taim keek naar hem, glimlachte en weefde lotsvuur.
Schaduwen, overal rondom!
Androl hield vast aan de Ene Kracht.
De doden, ze komen me halen!
Hij weefde vanuit zijn instinct, de beste weving die hij kende. Een Poort. Maar hij raakte die muur weer, die verrekte muur.
Zo moe. Schaduwen... Schaduwen komen me halen.
Een withete lichtstraal ontsproot uit Taims handen en kwam recht op Androl af. Androl schreeuwde, spande zijn spieren, duwde zijn handen naar voren en kreeg zijn weving op zijn plek. Hij raakte die muur en duwde.
Een Poort zo groot als een munt opende zich voor hem. Hij ving de stroom lotsvuur erin op.
Taim fronste en het werd stil in de kamer toen verbaasde Asha’man hun wevingen onderbraken. Op dat ogenblik schoot de deur open.
Canler, gloeiend van de Ene Kracht, kwam brullend naar binnen. De oudere Asha’man werd gevolgd door de ongeveer twintig jongens uit Tweewater die hierheen waren gekomen voor een opleiding in de Zwarte Toren.
Taim brulde en omhelsde de bron. ‘We worden aangevallen!’
De koepel leek midden op het bouwproject te staan dat hij had gezien. Dat was niet best, want met die funderingen en kuilen overal zou Slachter meer dan genoeg plekken hebben om zich te verstoppen of in een hinderlaag te gaan liggen.
Toen ze bij het dorp waren, wees Perijn naar een bijzonder groot gebouw. Twee verdiepingen, gebouwd als een herberg met een stevig houten dak. ‘Ik breng je daar naar boven,’ fluisterde Perijn. ‘Hou je boog gereed. Geef een gil als je iemand ziet die me wil besluipen, goed?’
Gaul knikte. Perijn verplaatste hen naar het dak van het gebouw en Gaul ging bij de schoorsteen staan. Zijn kleren pasten zich aan naar de kleur van de bakstenen en hij bleef ineengedoken zitten met zijn boog in de hand. Hij zou niet het bereik hebben van een voetboog, maar van hieraf zou hij dodelijk zijn.
Perijn sprong naar de grond, maar remde vlak erboven af om geen geluid te maken. Hij hurkte neer en verplaatste zich naar de zijkant van een gebouw verderop. Toen hij zich opnieuw verplaatste, naar het laatste gebouw in de rij voor het bouwproject, keek hij over zijn schouder. Gaul, behoorlijk goed verborgen daarboven, stak zijn hand op. Hij was Perijn niet uit het oog verloren.
Van hieraf kroop Perijn op zijn buik verder, omdat hij zich niet wilde verplaatsen naar een plek die hij niet kon zien. Hij bereikte de rand van het eerste grote funderingsgat en keek omlaag op een aarden vloer. Het waaide nog steeds, en beneden wervelde stof rond dat eventuele achtergelaten sporen uitwiste.
Perijn kwam op zijn hurken overeind en begon om de buitenkant van de grote fundering heen te schuifelen. Waar zou het exacte midden van de koepel zijn? Hij kon het niet zien, de koepel was te groot. Hij hield zijn ogen open.
Zijn aandacht was zo op de gaten van de fundering gericht dat hij bijna boven op de wachters botste. Een zacht gegrinnik van een van hen waarschuwde hem en hij verplaatste zich onmiddellijk, springend naar de andere kant van de fundering, waar hij zich op zijn knieën liet vallen en een voetboog uit Tweewater in zijn handen liet verschijnen. Hij tuurde naar de plek waar hij vandaan was gekomen, nu een behoorlijk eindje terug.
Stommeling, dacht hij toen hij ze eindelijk zag. De twee mannen hingen rond in een hut die naast de funderingen was gebouwd, een soort schaftkeet voor de arbeiders. Perijn keek ongerust om zich heen, maar Slachter dook niet uit het niets op om hem aan te vallen en de twee wachters leken hem niet te hebben gezien.
Hij zag weinig bijzonderheden, dus verplaatste hij zich behoedzaam terug naar bijna de plek waar hij vandaan was gekomen. Hij sprong omlaag in de fundering en maakte aan de zijkant een aarden richel, waar hij op kon staan om over de rand van het gat de hut in te kijken.
Ja, het waren er twee. Mannen in zwarte jassen. Asha’man. Hij dacht ze te herkennen van de nasleep van Dumais Bron, waar ze Rhand hadden gered. Ze waren toch trouw aan hem? Had Rhand soms hulp gestuurd?