Выбрать главу

Perijn zuchtte, stopte de droomprikker weg en verplaatste zich terug naar het dak. Zodra hij verscheen, draaide Gaul zich met een ruk om en spande zijn boog. ‘Ben jij het, Perijn Aybara?’

‘Ik ben het.’

‘Ik vraag me af of ik om bewijs moet vragen,’ zei Gaul, met zijn boog nog aangespannen. ‘Ik heb de indruk dat iemand op deze plek eenvoudig zijn uiterlijk kan wijzigen.’

Perijn glimlachte. ‘Uiterlijk is niet alles. Ik weet dat je twee gai’shain hebt, een die je wilt en een die je niet wilt. Ze lijken er geen van beiden tevreden mee zich te gedragen als echte gai’shain. Als we dit overleven, trouwt een van hen misschien wel met je.’

‘Misschien wel,’ beaamde Gaul, en hij liet zijn boog zakken. ‘Het lijkt erop dat ik ze allebei zal moeten nemen, of geen van beiden. Misschien is het mijn straf omdat ik ze hun speren heb laten neerleggen, hoewel dat niet mijn keus was, maar hun eigen keus.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘De koepel is weg.’

Perijn stak de droomprikker omhoog. ‘Dat klopt.’

‘Wat is onze volgende taak?’

‘Wachten,’ zei Perijn, die op het dak ging zitten, ‘en kijken of het verwijderen van de koepel Slachters aandacht heeft getrokken.’

‘En zo niet?’

‘Dan gaan we naar de volgende plek waar we hem waarschijnlijk kunnen vinden,’ zei Perijn, wrijvend over zijn kin. ‘En dat is overal waar hij wolven kan doden.’

‘We hebben je gehoord!’ riep Canler tegen Androl te midden van het vuurgevecht. ‘Ik mag branden als het niet waar is! We waren hierboven in mijn winkel en hoorden je praten, smeken! We besloten dat we moesten aanvallen. Nu of nooit.’

Wevingen schoten door de kamer. Aarde barstte omhoog en vuur schoot van Taims mensen op de verhoging naar de mannen uit Tweewater. Schimmen slopen dooi de kamer in mantels die niet bewogen en haalden zwaarden tevoorschijn.

Androl krabbelde met ingetrokken hoofd naar Pevara, Jonnet en Emarin aan de zijkant toe. Canler had hem gehoord? De Poort die hij had gevormd vlak voordat Taim hem in de lucht had getild. Die moest geopend zijn, maar zo klein dat hij hem niet had kunnen zien.

Hij had dus de beschikking over Poorten. Maar alleen hele kleintjes. Wat had hij daaraan? Genoeg om Taims lotsvuur tegen te houden, dacht hij, toen hij bij Pevara en de anderen aankwam. Geen van de drie kon vechten. Hij weefde een Poort, raakte de muur, duwde...

Er veranderde iets.

De muur verdween.

Androl bleef even verdwaasd zitten. Knallen en ontploffingen in de kamer bestookten zijn oren. Canler en de anderen deden hun best, maar de jongens uit Tweewater stonden tegenover volleerde Aes Sedai en misschien een Verzaker. Ze vielen een voor een.

De muur was weg.

Androl stond langzaam op en liep terug naar het midden van de kamer. Taim en zijn mensen stonden nog op de verhoging. De wevingen die van Canler en zijn jongens kwamen, begonnen te verzwakken.

Androl keek naar Taim en voelde een overstelpende vlaag van woede opborrelen. De Zwarte Toren was van de Asha’man, niet van deze kerel.

Het werd tijd dat de Asha’man hun Toren weer opeisten.

Androl brulde, hief zijn handen en weefde een zo groot mogelijke Poort. De Kracht stroomde door hem heen. Zoals altijd klikten zijn Poorten sneller op hun plek dan die van ieder ander en werden ze groter dan een man zo zwak als hij ze eigenlijk zou moeten kunnen maken.

Hij maakte deze zo groot als een flinke wagen en zette hem tegenover Taims geleiders, net toen zij hun volgende salvo dodelijke wevingen uitstuurden.

De Poort overbrugde slechts een paar passen, en de andere kant ervan bevond zich achter de Duistervrienden.

Wevingen gemaakt door Taims vrouwen en mannen raakten de open Poort – die als een waas in de lucht voor Androl hing – en ontploften toen pal achter hen.

De wevingen doodden hun eigen meesters, brandden Aes Sedai weg, doodden Asha’man en de nog overgebleven paar Myrddraal.

Terwijl hij zich tot het uiterste inspande, brulde Androl luider en opende kleine Poorten op Logains boeien, waardoor ze braken. Hij maakte nog een Poort in de vloer recht onder Logains stoel, waardoor die uit de kamer verdween en weer opdook op een plek ver bij de Zwarte Toren vandaan, een plek die hopelijk veilig was.

De vrouw genaamd Hessalam vluchtte. Terwijl ze door een eigen Poort schoot, volgde Taim met nog enkele anderen. De rest was minder verstandig. Even later opende Androl een Poort zo groot als de vloer. De andere vrouwen en Asha’man vielen erdoor, een diepte van honderden voet in.

15

Je nek in een strop

Het Tarasinpaleis in Ebo Dar was verre van de lastigste plek waar Mart had ingebroken. Dat hield hij zichzelf steeds opnieuw voor terwijl hij drie verdiepingen boven de tuinen aan een balkon bungelde.

Hij hield zich met zijn ene hand aan een marmeren rand vast, terwijl hij met de andere zijn hoed op zijn hoofd klemde. Zijn ashandarei hing aan een riem op zijn rug, en hij had zijn ransel beneden in de tuin verstopt. De nachtlucht voelde koel op het zweet dat van zijn slapen droop.

Boven hem liepen een paar doodswachtgardisten kletterend het balkon op. Bloed en bloedas. Trokken die lui dan nooit hun pantsers uit? Ze leken wel kevers. Het balkon was omgeven met een scherm van ijzeren vlechtwerk, waar mensen van benedenaf niet doorheen konden kijken, maar Mart was er zo dichtbij dat hij de wachters zag rondlopen.

Licht, wat waren ze daar lang bezig. Marts arm begon pijn te doen. De twee mannen mompelden tegen elkaar. Misschien gingen ze zo meteen wel zitten om een kopje thee te drinken. Een boekje erbij, en dan lezen tot diep in de nacht. Tuon moest die twee echt ontslaan. Waarom stonden ze rustig te kletsen op het balkon? Er konden wel huurmoordenaars rondlopen!

Uiteindelijk liepen de twee gelukkig weg. Mart probeerde tot tien te tellen voordat hij zich omhoogzwaaide, maar hij hield het maar tot zeven uit. Hij duwde een van de onvergrendelde schermen open

en klom over de balustrade.

Mart zuchtte zachtjes, met pijnlijke armen. Dit paleis – ongeacht die twee gardisten – was bij lange na niet zo onneembaar als de Steen, en daar was hij ook binnengekomen. Hij had hier nog een ander voordeel, natuurlijk: hij had in dit paleis gewoond, had hier een tijdlang vrij kunnen komen en gaan. Grotendeels. Hij krabde aan zijn nek en de halsdoek die hij droeg. Heel even voelde die aan als een ketting om zijn nek.

Marts vader had een gezegde gehad: ‘Zorg dat je altijd weet welke kant je op wilt rijden.’ Er was nooit een eerlijker man geweest dan Abel Cauton, en dat wist iedereen, maar sommige mensen – zoals die in Tarenveer – kon je gewoon niet vertrouwen. Bij de handel in paarden, had Abel altijd gezegd, moest je klaar zijn om uit te rijden, en je moest altijd weten welke kant je op zou gaan.

Nou, in de maanden dat hij hier in het paleis had gewoond, had Mart alle uitgangen verkend, elke barst en gang, elk loszittend raam. Welke balkonschermen eenvoudig te openen waren, welke meestal stevig op slot zaten. Als je eruit kon glippen, kon je ook naar binnen glippen.

Hij rustte even uit op het balkon, maar ging nog niet de kamer binnen waar het op uitkwam. Hij bevond zich op de derde verdieping, waar de gastenverblijven waren. Hij had misschien via die weg ook naar binnen kunnen glippen, maar de binnenkant van een gebouw werd altijd beter bewaakt dan de buitenkant. Hij kon beter via de buitenkant verder omhooggaan.

Daarbij was het vooral zaak om niét naar beneden te kijken. Gelukkig was de zijkant van het gebouw niet zo moeilijk te beklimmen. Stenen en hout, met meer dan voldoende houvast. Hij herinnerde zich nog vaag dat hij Tylin daar eens een preek over had gegeven.

Zweetdruppels kropen als mieren over Marts voorhoofd omlaag toen hij op het scherm ging staan, zichzelf optrok en naar de vierde verdieping begon te klimmen. Nu en dan sloeg de ashandarei tegen zijn benen aan. Hij rook de zee in de wind. Alles rook altijd lekkerder op een hoogte. Misschien kwam dat doordat hoofden lekkerder roken dan voeten.

Stomme gedachte, zei Mart tegen zichzelf. Alles om niet aan de diepte achter hem te denken. Hij trok zich op naar een stuk steen, zijn ene voet glipte onder hem weg en hij maakte een zwieper. Hij hijgde een paar keer en ging door.