Daar. Daarboven in de nacht zag hij Tylins balkon. Haar vertrekken hadden er meerdere, natuurlijk, maar hij ging naar die aan haar slaapkamer toe, niet het balkon aan haar zitkamer. Die bevond zich aan de kant van het Mol Hara-plein, en als hij daar tegenop klom zou hij opvallen als een vlieg op een witte pudding.
Mart keek weer naar het met metalen vlechtwerk beklede balkon. Hij had zich altijd afgevraagd of hij daar naartoe kon klimmen. Hij had beslist overwogen ervan af te klimmen.
Nou, hij zou niet zo dom zijn om dit nog eens te proberen, dat stond vast. Alleen deze ene keer, en met tegenzin. Martrim Cauton wist hoe hij op zijn huid moest passen. Hij leefde niet al zo lang doordat hij domme gokken waagde, hoeveel geluk hij ook mocht hebben. Als Tuon in een stad wilde wonen waar het hoofd van haar legers huurmoordenaars op haar af stuurde, dan moest zij dat weten.
Hij knikte in zichzelf. Hij zou naar boven klimmen en haar heel redelijk uitleggen dat ze de stad uit moest en dat die generaal Galgan haar verraadde. Dan kon hij rustig wegwandelen op zoek naar een dobbelspelletje. Daarom was hij immers naar de stad gekomen. Als Rhand in het noorden was, waar alle Trolloks zich verzamelden, dan wilde Mart zo ver mogelijk bij hem uit de buurt zijn. Hij vond het naar voor Rhand, maar iedereen die bij zijn volle verstand was zag in dat Marts keuze de enige logische was.
Rationeel. Hij zou heel rationeel zijn.
Zwetend, vloekend en met pijnlijke handen hees Mart zichzelf op het balkon op de vierde verdieping. Een van de schermen zat hier los, dat was al zo toen hij nog in het paleis woonde. Even peuteren met een klein draadhaakje, en hij was binnen. Hij hees zich het balkon op, haalde de ashandarei van zijn rug en ging liggen, hijgend alsof hij net helemaal van Andor naar Tyr was gerend.
Na een tijdje werkte hij zich overeind en keek vier verdiepingen omlaag door het scherm. Mart was best trots op die klim.
Hij raapte de ashandarei op en liep naar de balkondeuren toe. Tuon was ongetwijfeld hierin getrokken, in Tylins kamers. Het waren de mooiste in het paleis. Mart deed de deuren op een kiertje open. Hij zou alleen even kijken en...
Iets schoot uit de schaduwen tevoorschijn en dreunde vlak boven zijn hoofd tegen de deur.
Mart dook rollend opzij, trok een mes en hield met de andere hand de ashandarei vast. De deur ging verder open door de kruisboogschicht die in het hout was geploft.
Even later keek Selucia naar buiten. De rechterkant van haar hoofd was kaalgeschoren en de andere helft was bedekt met een doek. Ze had een huid met de kleur van room, maar elke man die dacht dat ze zacht was, zou al snel het tegendeel ontdekken. Selucia kon schuurpapier nog het een en ander over ruwheid leren.
Ze richtte een kleine kruisboog op hem, en Mart merkte dat hij glimlachte. ‘Ik wist het!’ riep hij uit. ‘Je bent lijfwacht. Altijd al geweest.’
Selucia keek hem fronsend aan. ‘Wat doe je hier, dwaas?’
‘O, alleen maar een wandelingetje maken,’ zei Mart, die opstond en zijn broek afklopte. ‘Ze zeggen dat nachtlucht goed voor je is. De zeewind. Je weet wel.’
‘Ben je naar boven geklommen?’ vroeg Selucia, kijkend over de rand van het balkon alsof ze op zoek was naar een touw of ladder.
‘Wat? Klim jij doorgaans dan niet omhoog? Goed voor je armspieren, hoor. Geeft een stevige grip.’
Ze wierp hem een ongeduldige blik toe, en Mart grijnsde. Als Selucia op de uitkijk stond voor huurmoordenaars, dan was met Tuon waarschijnlijk alles goed. Hij knikte naar de kruisboog, die nog steeds op hem gericht was. ‘Ga je dat ding nog...’
Ze aarzelde even, maar toen zuchtte ze en liet hem zakken. ‘Hartelijk dank,’ zei Mart. ‘Je zou iemand een oog kunnen uitsteken met dat ding. Voorheen zou me dat niet hebben uitgemaakt, maar tegenwoordig heb ik niet meer zoveel ogen.’
‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Selucia droogjes. ‘Ben je wezen dobbelen met een beer?’
‘Selucia toch!’ zei Mart, die langs haar heen naar binnen liep. ‘Dat was bijna een grapje. Met een beetje inspanning kunnen we misschien toch nog een keer met je lachen. Dan zou ik je bij een beestenspul kunnen onderbrengen en mensen geld laten betalen om je te zien. “Komt dat zien! De beroemde lachende so’jhin. Slechts twee koperstukken, alleen vanavond...’”
‘Je hebt dat oog zeker bij een weddenschap verloren?’
Mart struikelde toen hij de deur openduwde. Hij grinnikte. Licht! Dat kwam merkwaardig dicht bij de waarheid. ‘Heel grappig.’
Het is een weddenschap die ik heb gewonnen, dacht hij, ongeacht hoe het misschien lijkt. Martrim Cauton was de enige man die had gedobbeld met het lot van de hele wereld in de prijzenpot. Natuurlijk zou hij de volgende keer wel een of andere dwaze held opzoeken om zijn plaats in te nemen. Zoals Rhand of Perijn. Die twee liepen zo over van heldhaftigheid dat het bijna van ze af droop.
‘Waar is ze?’ vroeg Mart, om zich heen kijkend in de slaapkamer.
Het bed was beslapen – en hij stelde zich heus geen roze linten voor, vastgebonden aan dat hoofdbord – maar Tuon was nergens te zien. ‘Weg,’ antwoordde Selucia.
‘Wég? Vrouw, het is midden in de nacht!’
‘Ja. Een tijd wanneer alleen huurmoordenaars op bezoek zouden komen. Je hebt geluk dat ik niet goed mikte, Martrim Cauton.’ ‘Laat dat nou maar zitten,’ zei Mart. ‘Jij bent haar lijfwacht.’
‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ zei Selucia, die het kruisboogje onder haar mantel liet verdwijnen. ‘Ik ben so’jhin van de Keizerin, moge zij eeuwig leven. Ik ben haar Stem en haar Waarheidsspreker.’
‘Heerlijk,’ zei Mart, kijkend naar het bed. ‘Je neemt haar plaats in, of niet? In haar bed? Met een kruisboog bij de hand voor het geval er huurmoordenaars naar binnen proberen te sluipen?’
Selucia zei niets.
‘Nou, waar is ze?’ drong Mart aan. ‘Bloed en as, vrouw! Dit is menens. Generaal Galgan heeft mannen ingehuurd om haar te vermoorden!’
‘Hè?’ vroeg Selucia. ‘Ben je daar bezorgd om?’
‘Dat heb je verdomde goed, ja.’
‘Galgan is niks om je zorgen over te maken,’ zei Selucia. ‘Hij is een te goede soldaat om onze huidige stabilisatiepogingen te ondermijnen. Krisa is degene waar je je druk om zou moeten maken. Zij heeft drie huurmoordenaars uit Seanchan laten komen.’ Selucia keek naar de balkondeur. Mart zag nu pas een vlek op de vloer die misschien bloed was. ‘Ik heb er al twee gesnapt. Jammer. Ik had aangenomen dat jij de derde was.’ Ze keek hem aan alsof ze overpeinsde of hij misschien toch niet – hoe onlogisch ook – die derde huurmoordenaar was.
‘Je bent helemaal gestoord,’ zei Mart, die zijn hoed verschoof en zijn ashandarei ophaalde. ‘Ik ga naar Tuon.’
‘Zo heet ze niet meer, moge ze eeuwig leven. Ze heet nu Fortuona. Maar jij moet haar bij geen van die namen aanspreken en “hoogste” of “grootste” zeggen.’
‘Ik noem haar hoe ik wil, en dat is dat,’ zei Mart. ‘Waar is ze?’ Selucia keek hem onderzoekend aan.
‘Ik ben géén huurmoordenaar,’ drong hij aan.
‘Dat geloof ik ook niet. Ik probeer alleen maar te besluiten of ze zou willen dat ik je vertel waar ze is.’
‘Ik ben toch haar echtgenoot?’
‘Stil,’ zei Selucia. ‘Je probeert me er net van te overtuigen dat je geen huurmoordenaar bent, en nu breng je dat ter sprake? Dwaas. Ze is in de paleistuinen.’
‘Het is...’
‘... midden in de nacht,’ zei Selucia. ‘Ja, dat weet ik. Ze wil niet altijd... naar rede luisteren.’ Hij ving een vleugje ergernis in haar toon op. ‘Ze heeft een heel eskader doodswachtgardisten bij zich.’
‘Het kan me niet schelen of ze de Schepper zelf bij zich heeft,’ snauwde Mart, die terugliep naar het balkon. ‘Ik ga haar op een bankje zetten en haar wat dingen uitleggen.’
Selucia liep achter hem aan, leunde tegen de deurpost en trok spottend haar wenkbrauw naar hem op.
‘Nou, misschien zet ik haar niet echt op een bankje,’ zei Mart, die door het open scherm naar de tuinen eronder keek. ‘Maar ik ga haar wel uitleggen – heel redelijk – waarom ze niet zomaar midden in de nacht kan gaan rondwandelen. Althans, dat zal ik zeggen. Bloed en bloedas. Het is hier echt hoog, hè?’