‘Gewone mensen nemen de trap.’
‘Elke soldaat in de stad is naar me op zoek,’ zei Mart. ‘Ik geloof dat Galgan me wil laten verdwijnen.’
Selucia tuitte haar lippen.
‘Wist je dat niet?’ vroeg Mart.
Ze aarzelde, maar toen schudde ze haar hoofd. ‘Het is niet onmogelijk dat Galgan naar je uitkijkt. De Prins van de Raven is zijn tegenstrever. Hij is nu generaal van onze legers, maar het is eigenlijk een taak die vaak aan de Prins van de Raven wordt gegeven.’
Prins van de Raven. ‘Herinner me daar niet aan, verdomme,’ zei Mart. ‘Ik dacht dat het alleen mijn rang was terwijl ik getrouwd was met de Dochter van de Negen Manen. Is dat niet veranderd bij haar troonsbestijging?’
‘Nee,’ antwoordde Selucia. ‘Nog niet.’
Mart knikte, en hij zuchtte toen hij naar de klim keek die hij voor de boeg had. Hij tilde één been over de balustrade.
‘Er is nog een andere weg,’ zei Selucia. ‘Kom mee, voordat je je dwaze nek breekt. Ik weet nog niet wat ze met je wil, maar ik denk niet dat doodvallen daarbij hoort.’
Mart sprong dankbaar van de balustrade af en volgde Selucia de kamer in. Ze opende een kast, en vervolgens opende ze de achterwand, naar een donkere gang door het hout en steen van het paleis.
‘Bloed en bloedas,’ zei Mart, die zijn hoofd naar binnen stak. ‘Was dit hier al die tijd al?’
‘Misschien is hij zo binnengekomen,’ mompelde Mart. ‘Je moet dat ding dichttimmeren, Selucia.’
‘Ik heb al wat beters gedaan. Als de Keizerin – moge ze eeuwig leven – slaapt, slaapt ze op zolder. Ze slaapt nooit in deze kamer. We zijn niet vergeten hoe eenvoudig Tylin werd ontvoerd.’
‘Dat is mooi,’ zei Mart. Hij huiverde. ‘Ik heb het wezen gevonden dat erachter zat. Hij zal niemand de strot meer uitrukken. Tylin en Nalesean kunnen daar samen een dansje om maken. Tot ziens, Selucia. En bedankt.’
‘Voor de gang?’ vroeg ze. ‘Of omdat ik je niet heb vermoord met mijn kruisboog?’
‘Omdat je me geen verrekte Hoogheid noemt, zoals Musenge en de rest,’ mompelde Mart, die de gang in stapte. Er hing een lantaarn aan de muur, die hij aanstak met zijn vuursteen en staal.
Achter hem lachte Selucia. ‘Als dat je dwarszit, Cauton, dan heb je een leven vol ergernis voor de boeg. Er is maar één oplossing om geen Prins van de Raven meer te zijn, en dat is door je nek in een strop te steken.’ Ze sloot de kastdeur achter hem.
Wat is ze toch een aardig mens, dacht Mart. Hij had bijna liever dat ze helemaal niet tegen hem sprak. Hoofdschuddend liep hij de gang door, en toen besefte hij dat ze helemaal niet had verteld waar die eigenlijk naartoe leidde.
Rhand beende door Elaynes kamp aan de oostkant van het Breemwoud, vergezeld door een tweetal Speervrouwen. Het kamp was donker nu het nacht was, maar slechts een enkeling sliep. Ze troffen voorbereidingen om het kamp op te breken en het leger de volgende morgen oostwaarts naar Cairhien te verplaatsen.
Slechts twee wachters bij Rhand vanavond. Hij voelde zich bijna naakt met maar twee wachters, hoewel hij ooit één wachter al overdreven had gevonden. Maar het onvermijdelijke draaien van het Rad had zijn kijk op de zaak veranderd.
Hij liep over een met lantaarns verlicht pad dat overduidelijk ooit een wildspoor was geweest. Dit kamp stond hier nog niet lang genoeg om paden te hebben. Zachte geluiden weerklonken in de nacht: voorraden die op wagens werden geladen, zwaardklingen die werden geslepen op wetstenen, maaltijden die werden uitgedeeld aan hongerige soldaten.
De mannen riepen niet naar elkaar. Ze wilden hun slapende kameraden niet storen, en bovendien waren de troepen van de Schaduw niet ver weg. Trollolcs hadden goede oren. Ze konden zich beter aan wennen om zachtjes te praten en niet van de ene kant van het kamp naar de andere te schreeuwen. De lantaarns waren voorzien van schildjes zodat ze weinig licht verspreidden, en het aantal kookvuren werd tot een minimum beperkt.
Rhand ging met zijn lange bundel het pad af en liep door ruisend hoog gras naar Tams verlichte tent. Dit zou een kort tochtje worden. Hij knikte naar de soldaten die hem groetten toen hij langsliep. Ze waren geschokt om hem te zien, maar niet verbaasd dat hij door het kamp liep. Elayne had haar legers op de hoogte gebracht van zijn eerdere bezoek.
Ik leid deze legers, had ze gezegd toen ze de vorige keer afscheid van elkaar namen, maar jij bent hun hart. Jij hebt ze verzameld, Rhand. Ze vechten voor jou. Laat je alsjeblieft zien als je hier komt.
En dus deed hij dat. Hij wenste dat hij hen beter kon beschermen, maar hij zou die last gewoon moeten dragen. Het geheim, zo bleek, was niet dat hij zichzelf moest harden tot het breekpunt. Het was niet dat hij verdoofd moest raken. Het geheim was dat hij de pijn moest dragen, net zoals de pijn van de wonden in zijn zij, en die als een deel van zichzelf moest beschouwen.
Twee mannen uit Emondsveld bewaakten Tams tent. Rhand knikte naar hen toen ze hun rug rechtten en hem groetten. Ban Alseen en Dav Altone. Vroeger zou hij nooit hebben verwacht hen nog eens te zien salueren. En ze deden het goed, ook nog.
‘Jullie hebben een belangrijke taak, mannen,’ zei Rhand tegen hen. ‘Even belangrijk als die van ieder ander op dit slagveld.’
‘Andor verdedigen, heer?’ vroeg Dav verward.
‘Nee,’ zei Rhand. ‘Over mijn vader waken. Zorg dat jullie dat goed doen.’ Hij liet de Speervrouwen buiten achter en liep de tent in.
Tam stond bij een reistafel naar kaarten te kijken. Rhand glimlachte. Tam had diezelfde uitdrukking op zijn gezicht gehad toen hij ging kijken bij een schaap dat in een doornstruik verstrikt was geraakt.
‘Je schijnt te denken dat ik bewaakt moet worden,’ zei Tam.
Reageren op die opmerking, besloot Rhand, zou net zoiets zijn als naar een rij boogschutters toe lopen en de mannen uitdagen om hem te raken. Hij legde zijn bundel op tafel.
Tam keek naar de lange bundel en trok de stof open. Er zat een prachtig zwaard in, met een zwartgelakte schede beschilderd met verstrengelde draken in rood en goud.
Tam keek met vragende ogen op.
‘Je had me je zwaard gegeven,’ zei Rhand. ‘Ik heb het je niet kunnen terugbrengen. Dit dient ter vervanging.’
Tam schoof het zwaard uit de schede en zijn ogen werden groot. ‘Dit is een te mooi geschenk, mijn zoon.’
‘Niets is te mooi voor jou,’ fluisterde Rhand. ‘Niets.’
Tam schudde zijn hoofd en schoof de kling terug in de schede. ‘Het zal alleen maar vergeten in een kist eindigen, net als het vorige. Ik had dat ding nooit mee naar huis moeten nemen. Je hecht te veel waarde aan dat wapen.’ Hij wilde het zwaard teruggeven.
Rhand legde zijn hand over die van Tam. ‘Alsjeblieft. Een zwaardmeester verdient een passend wapen. Neem het aan. Het zal mijn geweten helpen sussen. Het Licht mag weten dat elke last die ik nu kan verminderen me in de komende dagen zal helpen.’
Tam trok een grimas. ‘Dat is een smerig trucje, Rhand.’
‘Weet ik. Ik ben de laatste tijd met allerlei onguur volk omgegaan. Koningen, klerken, edelen, adellijke vrouwen...’
Tam trok met tegenzin het zwaard weer naar zich toe.
‘Zie het maar als een bedankje,’ zei Rhand, ‘van de hele wereld aan jou. Als jij me al die jaren geleden niet had geleerd over de vlam en de leegte... Licht, Tam. Dan zou ik hier nu niet zijn. Ik zou dood zijn, daar ben ik van overtuigd.’ Rhand keek naar het zwaard. ‘En dan te bedenken... Als jij niet had gewild dat ik een goede boogschutter werd, zou ik nooit datgene hebben geleerd wat me tijdens zware tijden bij mijn volle verstand heeft gehouden.’
Tam snoof. ‘De vlam en de leegte draaien niet om boogschieten.’ ‘Ja, dat weet ik. Het is een zwaardvechterstechniek.’
‘Ze draaien ook niet om zwaarden,’ zei Tam, die zijn nieuwe zwaard omgespte.