Выбрать главу

‘Maar...’

‘De vlam en de leegte draaien om je eigen middelpunt,’ zei Tam. ‘En om vrede. Ik zou het iedereen in dit land leren als ik kon, soldaat of niet.’ Zijn gezicht verzachtte. ‘Maar, Licht, waar ben ik mee bezig? Jou de les lezen? Zeg eens, hoe kom je aan dat wapen?’

‘Ik heb het gevonden.’

‘Het is een van de mooiste zwaarden die ik ooit heb gezien.’ Tam trok de kling weer en bekeek het gevouwen metaal. ‘Het is stokoud. En gebruikt. Veel gebruikt. Verzorgd, dat zeker, maar dit heeft niet alleen maar in de trofeeënkast van een strijdheer gelegen. Dit zwaard is gehanteerd. Er is mee gedood.’

‘Het was van... een verwante ziel.’

Tam keek hem onderzoekend in de ogen. ‘Nou, dan moest ik het maar eens gaan uitproberen. Kom mee.’

”s Nachts?’

‘Het is nog vroeg in de avond,’ zei Tam. ‘Dit is een geschikte tijd. Het zal nu niet zo druk zijn op het oefenterrein.’

Rhand trok zijn wenkbrauw op, maar hij stapte opzij toen Tam om de tafel heen kwam en de tent verliet. Rhand volgde, met de Speervrouwen op zijn hielen, en liep achter zijn vader aan naar het oefenterrein verderop, waar een paar zwaardhanden aan het oefenen waren bij het licht van gloeiende lantaarns aan palen.

Bij het rek met houten oefenwapens haalde Tam het nieuwe zwaard tevoorschijn en maakte een paar zwaardvormen. Hoewel zijn haar wit was en er rimpeltjes om zijn ogen zaten, bewoog Tam Altor zich als een zijden lint in de wind. Rhand had zijn vader nog nooit zien vechten, niet eens om te oefenen. Eigenlijk had een deel van hem er moeite mee zich voor te stellen dat de goedmoedige Tam Altor iets kon doden, behalve misschien een korhoen voor de kookpot.

Nu zag hij het. In het flikkerende lantaarnlicht trok Tam Altor de verschillende zwaardvormen aan als een oud paar goed passende laarzen. Vreemd genoeg merkte Rhand dat hij afgunstig was. Niet specifiek op zijn vader, maar op iedereen die de rust kende van het oefenen met een zwaard. Rhand stak zijn hand op, en toen de stomp van de andere. Voor veel van die vormen waren twee handen nodig. Vechten zoals Tam het deed was niet hetzelfde als vechten met een kort zwaard en schild, zoals veel voetsoldaten deden. Dit was iets anders. Rhand kon misschien nog wel vechten, maar dit zou hij nooit meer kunnen. Net zomin als een man die een voet miste zou kunnen dansen.

Tam voltooide Haas vindt zijn hol en schoof in één soepele beweging het wapen terug in de schede. Oranje lantaarnlicht weerkaatste op de kling toen die in de schede schoof. ‘Prachtig,’ zei Tam. ‘Het gewicht, hoe het gemaakt is... Is het met de Kracht gesmeed?’

‘Dat weet ik niet,’ zei Rhand.

Hij had nooit een mogelijkheid gehad om ermee te vechten.

Tam pakte een beker water aan van een jonge bediende. Een paar nieuwe rekruten oefenden verderop met piekformaties, nog laat aan het werk. Elk ogenblik dat ze konden oefenen was kostbaar, vooral voor diegenen die niet vaak aan het front kwamen.

Nieuwe rekruten, dacht Rhand, terwijl hij naar hen keek. Ook deze zijn mijn last. Elke man die strijdt.

Hij zou er alles aan doen om de Duistere te verslaan. Als hem dat niet lukte, streden deze mannen vergeefs.

‘Je bent bezorgd, jongen,’ zei Tam, die de beker aan de bediende teruggaf.

Rhand kalmeerde zichzelf, vond rust en draaide zich om naar Tam. Vanuit zijn oude herinneringen kwam iets naar boven over een boek. De sleutel tot goed leiderschap ligt in de rimpelende golven. Je kon geen stilte vinden op een wateroppervlak als het eronder onrustig was. En zo kon je ook geen rust en richting aan een groep bieden als je als leider zelf vanbinnen geen rust had.

Tam keek hem aan, maar hij sprak Rhand niet aan over het plotselinge masker van beheersing dat op zijn gezicht was verschenen. In plaats daarvan reikte Tam opzij en pakte een van de houten oefenzwaarden van het rek. Hij gooide het naar Rhand toe, die het opving, met zijn andere arm nog op zijn rug.

‘Vader,’ zei Rhand waarschuwend toen zijn vader ook een oefenzwaard pakte. ‘Dit is niet slim.’

‘Ik heb gehoord dat je een behoorlijk goede zwaardvechter bent geworden,’ zei Tam, die een paar keer met het oefenzwaard zwiepte om het gewicht ervan te beproeven. ‘Ik wil wel eens zien wat je kunt. Maak je vader trots.’

Rhand zuchtte en stak zijn andere arm omhoog om de stomp te laten zien. Het leek wel alsof de blik van mensen er niet op bleef hangen, alsof zijn stomp een grijzel was. Ze vonden het geen prettige gedachte dat hun Herrezen Draak gebrekkig was.

Hij liet ze nooit weten hoe moe hij zich voelde, vanbinnen. Zijn lichaam was afgemat als een molensteen die al generaties lang werkte. Hij was nog altijd taai genoeg om zijn werk te doen, en dat zóu hij ook doen, maar Licht, hij was soms zo moe. De hoop van miljoenen mensen was zwaarder dan een berg.

Tam lette niet op de stomp. Hij pakte een zakdoek, bond die om zijn ene hand en trok met zijn tanden de knoop aan. ‘Ik zal niks kunnen pakken met mijn uitgeschakelde hand,’ zei hij, en hij zwaaide weer met het zwaard. ‘Het wordt een gelijke strijd. Kom op, jongen.’ Tams stem droeg gezag, het gezag van een vader. Het was dezelfde toon die hij vroeger gebruikte om Rhand uit bed te krijgen als hij de melkschuur moest uitmesten.

Rhand kon niet anders dan gehoorzamen aan die toon van Tam. Het zat er gewoon bij hem ingebakken. Hij zuchtte en stapte naar voren. ‘Ik heb geen zwaard meer nodig om te vechten. Ik heb de Ene Kracht.’

‘Dat zou ertoe doen,’ zei Tam, ‘als deze oefening iets met vechten te maken had.’

Rhand fronste zijn voorhoofd. Wat...

Tam kwam op hem af.

Rhand pareerde met een halfhartige zwaai. Tam ging over in Veren in de wind, draaide zijn zwaard en haalde nogmaals uit. Rhand stapte naar achteren en pareerde opnieuw. Er roerde zich iets binnen in hem, een soort gretigheid. Toen Tam nogmaals aanviel, hief Rhand het zwaard en – vanuit instinct – bracht zijn handen naar elkaar toe.

Alleen had hij geen tweede hand om de onderkant van het zwaard te pakken. Daardoor was zijn greep zwak, en toen Tam weer toesloeg, verloor hij bijna zijn zwaard.

Rhand klemde zijn kaken op elkaar en stapte weer achteruit. Wat zou Lan zeggen als hij dit geklungel van een van zijn leerlingen zag? Wat zou hij zeggen? Hij zou zeggen: ‘Rhand, begin niet aan een zwaardgevecht. Je kunt niet winnen. Niet meer. ’

Tams volgende aanval leek naar rechts te gaan, maar draaide toen ineens bij en raakte Rhand met een stevige klap op zijn bovenbeen. Rhand danste gepijnigd achteruit. Tam had hem echt gemépt, en hard ook. De man hield zich bepaald niet in.

Hoe lang was het geleden dat Rhand had geoefend met iemand die werkelijk bereid was hem pijn te doen? Te veel mannen behandelden hem alsof hij van glas was. Lan had dat nooit gedaan.

Rhand wierp zichzelf in de strijd en probeerde Ever stormt de berg af. Hij viel Tam een tijdje aan, maar toen werd door een klap van Tams wapen bijna het zwaard weer uit Rhands hand gewrongen. De lange zwaarden, ontworpen voor zwaardmeesters, waren lastig in evenwicht te houden met maar één hand.

Rhand gromde, probeerde nog een tweehands houding, en faalde opnieuw. Hij had inmiddels geleerd om te gaan met wat hij had verloren, althans in het gewone leven. Hij had niet veel geoefend sinds het verlies van zijn hand, hoewel hij zich dat aanvankelijk wel had voorgenomen.

Hij voelde zich net een stoel waar een poot aan ontbrak. Hij kon zich in evenwicht houden, met wat moeite, maar het lukte niet erg goed. Hij vocht, probeerde de ene na de andere zwaardvorm, maar hij hield amper stand onder Tams aanvallen.

Hij kon dit niet. Niet goed genoeg, dus waarom deed hij nog moeite? Bij deze activiteit was hij gebrekkig. Oefenen had geen zin. Hij draaide zich om, terwijl het zweet van zijn voorhoofd gutste, en smeet zijn jas opzij. Hij probeerde het nog eens, behoedzaam cirkelend over het vertrapte gras, maar weer had Tam de overhand en maaide bijna zijn benen onder hem vandaan.

Dit is zinloos! Waarom zou ik met één hand vechten? Waarom kan hel niet anders? ‘Waarom...