Maar Tam deed het óók.
Rhand vocht door, verdedigend, maar hij richtte zijn aandacht op Tam. Zijn vader moest het vechten met één hand hebben geoefend. Rhand zag het aan zijn bewegingen, aan hoe hij niet instinctief probeerde het gevest te pakken met zijn vastgebonden hand. Eigenlijk had Rhand ook moeten oefenen met één hand. Vele wonden konden een hand beschadigen, en sommige zwaardvormen waren specifiek op de armen gericht. Lan had gezegd dat hij moest oefenen met het wisselen van zijn zwaardhand. Misschien zou vechten met één hand daarna zijn gekomen.
‘Laat het los, zoon,’ zei Tam.
‘Wat moet ik loslaten?’
‘Alles.’ Tam kwam naar voren, wierp schaduwen in het lantaarnlicht, en Rhand zocht de leegte op. Alle gevoelens gingen de vlam in en hij bleef meteen leeg en één met zichzelf achter.
De volgende aanval kraakte bijna zijn schedel. Rhand vloekte en begon met Reiger in het riet, zoals Lan hem had geleerd, met zijn zwaard omhoog om de volgende aanval te blokkeren. Weer probeerde die ontbrekende hand van hem het gevest te pakken. Je kon niet in een uurtje jaren van onderwijs afleren!
Laat het los.
De wind blies over het veld en droeg de geuren van een stervend land met zich mee. Mos, schimmel, verrotting.
Mos leefde. Schimmel leefde ook. Als een boom rotte, ging het leven door.
Een man met één hand was nog steeds een man, en als die ene hand een zwaard vasthield, was hij nog steeds gevaarlijk.
Tam viel terug op Havik ziet de haas, een aanvallende zwaardvorm. Hij kwam zwaaiend met het wapen op Rhand af. Rhand zag de volgende paar ogenblikken al voordat ze gebeurden. Hij zag zichzelf zijn zwaard heffen in de juiste vorm om te blokkeren. Een vorm waarvoor hij zijn zwaard in een slecht evenwicht zou blootgeven nu hij geen tweede hand meer had. Hij zag Tam op het zwaard beuken om het in Rhands greep te verdraaien. Hij zag de volgende aanval komen, op zijn nek gericht.
Tam zou uiteraard zijn aanval niet doorzetten, maar Rhand zou dit oefengevecht verliezen.
Laat het los.
Rhand verplaatste zijn greep op het zwaard. Hij dacht er niet bij na waarom hij het deed, hij deed alleen wat goed voelde. Toen Tam dichterbij kwam, stak Rhand zijn gewonde arm omhoog om zijn
hand te ondersteunen terwijl hij zijn zwaard opzij draaide. Tam maakte contact, zijn wapen gleed langs Rhands kling, maar hij stootte het zwaard niet uit zijn hand.
Tams achterwaartse zwaai kwam zoals verwacht, maar raakte Rhands elleboog, de elleboog van zijn nutteloze arm. Toch niet zo nutteloos, dus. Hij blokkeerde het zwaard, hoewel de klap wel een pijnlijke trilling door zijn arm stuurde.
Tam verstijfde en zijn ogen werden groot, eerst van verbazing omdat hij was geblokkeerd, toen van bezorgdheid omdat hij zo hard op Rhands arm had geslagen en misschien wel het bot had gebroken.
‘Rhand,’ zei Tam, ‘ik...’
Rhand stapte achteruit, legde zijn gewonde arm op zijn rug en hief zijn zwaard. Hij snoof de diepe geuren van een wereld op die ook gewond was, maar niet dood.
Hij viel aan. Alkion landt in de netels. Rhand koos die vorm niet, de vorm koos zichzelf. Misschien kwam het door zijn houding, met het zwaard naar voren en zijn andere arm op zijn rug, waardoor die aanvallende vorm zich aandiende.
Tam blokkeerde behoedzaam en stapte achteruit op het bruine gras. Rhand zwaaide opzij en ging soepel over naar de volgende vorm. Hij probeerde niet langer zijn instincten te onderdrukken, en zijn lichaam nam die uitdaging aan. Veilig binnen de leegte hoefde hij zich niet af te vragen hoe dit kon.
Nu ging de wedstrijd in alle ernst door. Zwaarden kletterden met scherpe slagen, Rhand hield zijn hand op zijn rug en vóélde wat zijn volgende slag moest zijn. Hij vocht niet meer zo goed als vroeger. Dat kon ook niet, want sommige vormen waren onmogelijk voor hem, en hij kon niet meer met zoveel kracht toeslaan als voorheen.
Maar hij evenaarde Tam. Tot op zekere hoogte. Elke zwaardvechter kon zien wie in dit gevecht de betere was. Of althans, ze konden zien wie het voordeel had. Tam had het hier. Rhand was jonger en sterker, maar Tam was een geducht strijder. Hij had geoefend met één hand. Rhand was ervan overtuigd.
Hij gaf er niet om. Deze aandachtigheid... hij had deze aandachtigheid gemist. Met zoveel zorgen aan zijn hoofd, zoveel lasten op zijn schouders, had hij zich niet meer kunnen wijden aan zoiets eenvoudigs als een tweegevecht. Hij gaf het zijn alles.
Een poosje was hij niet de Herrezen Draak. Hij was niet eens een zoon met zijn vader. Hij was een leerling met zijn meester.
Deze oefening doordrong hem ervan dat hoe goed hij ook was geworden, hoeveel hij zich nu ook herinnerde, er nog altijd veel te leren viel.
Ze vervolgden hun oefengevecht. Rhand hield niet bij wie er met welke slagenwisseling won, hij vocht alleen maar en genoot van de rust die het hem gaf. Uiteindelijk raakte hij vermoeid, maar in goede zin, niet in de uitgeputte zin zoals de laatste tijd steeds het geval was. Het was de vermoeidheid van goed verricht werk.
Zwetend hief Rhand zijn oefenzwaard naar Tam om aan te geven dat hij klaar was. Tam stapte achteruit en hief zijn eigen zwaard. De oudere man grijnsde.
Verderop, staand bij de lantaarns, begon een handjevol zwaardhanden te klappen. Geen groot publiek – slechts zes man – maar Rhand had hen niet zien staan. De Speervrouwen hieven waarderend hun speren.
‘Het was nogal een gewicht, hè?’ vroeg Tam.
‘Welk gewicht?’ zei Rhand.
‘Die verloren hand die je met je meedroeg.’
Rhand keek naar zijn stomp. ‘Ja. Ik geloof dat het dat inderdaad was.’
Tylins geheime gang leidde naar de tuinen en kwam uit in een heel smalle put niet ver van de plek waar Mart zijn klim was begonnen. Hij kroop eruit, klopte zand van zijn schouders en knieën, legde zijn hoofd in zijn nek en keek naar het balkon ver boven hem. Hij was naar de top van het gebouw geklommen en toen via de ingewanden ervan weer naar buiten gekropen. Misschien zat daar ergens een metafoor of een les in verstopt. Misschien wel dat Martrim Cauton eerst naar geheime gangen moest zoeken voordat hij besloot tegen een gebouw van vier verdiepingen op te klimmen, verdomme.
Hij liep geruisloos de tuin in. De planten maakten het niet zo goed. Die varens hadden meer bladeren moeten hebben, en de bomen waren zo naakt als een Speervrouwe in een zweettent. Niet zo gek. Het hele land verpieterde sneller dan een jongen zonder danspartners op Beltije. Mart was er vrij zeker van dat het Rhands schuld was. Rhand of de Duistere. Mart kon elk verrekt probleem in zijn leven wel naar een van die twee herleiden.
Het mos leefde nog. Mart had nog nooit gehoord dat mensen mos in hun tuin zetten, maar hij zou durven zweren dat het hier in opzettelijke patronen op de stenen was aangebracht. Misschien gebruikten de hoveniers gewoon alles wat ze konden vinden, nu al het andere doodging.
Het kostte hem wat zoekwerk, wadend door dorre struiken en langs dode bloembedden, om Tuon te vinden. Hij had verwacht dat ze ergens rustig zat na te denken, maar hij had beter moeten weten.
Mart hurkte bij een varen neer, zonder opgemerkt te worden door de stuk of tien doodswachtgardisten die in een kring om Tuon heen stonden terwijl zij een aantal vechthoudingen doorliep. Ze werd verlicht door lantaarns die een vreemde, vaste blauwe gloed verspreidden. Er brandde iets daarbinnen, maar het was geen gewone vlam. Een soort steen?
Het licht scheen op haar zachte, gladde huid, die de kleur had van goede aarde. Ze droeg een lichte a’solma, een gewaad met splitten aan de zijkanten, met een blauwe broek eronder. Tuon had een tenger lichaam. Mart had ooit de fout gemaakt aan te nemen dat ze daarom broos zou zijn. Dat was ze niet.
Ze had haar hoofd weer geschoren zoals het hoorde, nu ze zich niet langer verborg. Dat kale hoofd stond haar goed, vreemd genoeg. Ze bewoog zich door de blauwe gloed en voerde een reeks handbewegingen uit, met haar ogen dicht. Ze leek te vechten tegen haar eigen schaduw.
Mart had liever een goed mes – of beter nog zijn ashandarei – dan dat hij met blote handen vocht. Hoe meer ruimte er was tussen hem en de kerel die hem wilde vermoorden, hoe beter. Tuon scheen aan allebei geen behoefte te hebben. Kijkend naar haar besefte hij hoeveel geluk hij had gehad, die nacht dat hij haar had ontvoerd. Zelfs ongewapend was ze al dodelijk.