Ze vertraagde, wuifde met haar handen voor haar lichaam heen en weer in een rustig patroon en zwaaide ze toen snel opzij. Ze ademde in en draaide haar armen naar de andere kant, waarna haar hele lichaam meedraaide.
Hield hij van haar?
Die vraag maakte Mart onbehaaglijk. Hij krabbelde nu al weken achter in zijn geest, als een rat die probeerde bij het graan te komen. Het was niet het soort vraag dat Martrim Cauton zou moeten stellen. Martrim Cauton maakte zich alleen maar druk om het meisje op zijn knie en de volgende worp van de dobbelstenen. Vragen over zaken als liefde kon je beter aan Ogier overlaten, die de tijd hadden om te gaan zitten kijken naar hoe bomen groeiden.
Hij was met haar getrouwd. Dat was toch per ongeluk gegaan? Die stomme vossen hadden voorspeld dat hij dat zou doen. Zij was ook met hém getrouwd. Hij wist nog steeds niet waarom. Had het iets te maken met die voortekenen waar ze het vaak over had? Hun hofmakerij was eigenlijk eerder een spelletje geweest. Mart hield van spelletjes en speelde altijd om te winnen. Tuons hand was de prijzenpot geweest. Wat moest hij ermee doen nu hij die had?
Ze ging door met haar oefening en bewoog zich als een rietstengel in de wind. Een draai deze kant op, een soepele beweging de andere kant op. De Aiel noemden vechten dansen. Wat zouden ze hiervan vinden? Tuon bewoog zich even sierlijk als een Aiel. Als vechten dansen was, dan werd het meestal gedaan op de muziek in een lawaaiige kroeg. Dit hier werd gedaan op de mooie liederen van een meesterzanger.
Er bewoog iets achter Tuons schouder. Mart spande zijn spieren en tuurde de duisternis daar in. Ach, het was maar een hovenier. Een heel gewoon uitziende vent met een pet op zijn hoofd en sproeten op zijn wangen. Amper het opmerken waard. Mart zette hem uit zijn hoofd en boog zich naar voren om Tuon beter te kunnen zien. Hij glimlachte. Ze was mooi.
Wat doet een hovenier op dit uur in de tuin, dacht hij. Moet wel een hele vreemde kerel zijn.
Mart keek nog eens naar de man, maar hij kon hem moeilijk zien. De hovenier stapte tussen twee leden van de doodswachtgarde in. Ze leken er niet om te malen. Dan hoefde Mart er ook niet mee te zitten. Ze vertrouwden die man blijkbaar...
Mart reikte in zijn mouw en pakte een mes. Hij hief het zonder dat hij zichzelf toestond te overdenken waarom. Daarbij streek zijn hand heel zachtjes langs een tak.
Tuons ogen schoten open, en ondanks het karige licht keek ze recht naar Mart. Ze zag het mes in zijn hand, klaar om te gooien.
Toen keek ze achterom.
Mart gooide, en het mes weerkaatste het blauwe licht terwijl het wentelend door de lucht vloog. Het ging op minder dan een vinger-dikte langs Tuons kin en raakte de hovenier in zijn schouder net toen hij zelf een mes hief. De man slaakte een kreet en ging struikelend achteruit. Mart had hem liever in zijn keel geraakt, maar hij had zeker willen weten dat hij Tuon niet zou raken.
In plaats van verstandig te zijn en uit de weg te gaan, sprong Tuon op de man af en schoten haar handen naar zijn keel toe. Daar moest Mart om lachen. Helaas had de man net genoeg tijd – en was zij net voldoende uit haar evenwicht gebracht – om zich van haar los te rukken en tussen de onthutste doodswachtgardisten door te komen. Marts tweede dolk raakte de grond achter de hiel van de huurmoordenaar toen hij in de nacht verdween.
Een tel later sprongen drie mannen – elk van hen woog ongeveer evenveel als een klein huis – boven op Mart en drukten zijn gezicht tegen de droge grond. Een van hen ging op zijn pols staan en een andere rukte zijn ashandarei uit zijn handen.
‘Stop!’ blafte Tuon. ‘Laat hem los! Ga achter die andere aan, stelletje dwazen!’
‘Welke andere, Majesteit?’ vroeg een van de gardisten. ‘Er was geen andere.’
‘Van wie is dat bloed dan?’ vroeg Tuon, wijzend naar de donkere vlek die door de huurmoordenaar op de grond was achtergelaten. ‘De Prins van de Raven zag wat jullie niet zagen. Doorzoek de tuinen!’
De doodswachtgardisten gingen langzaam van Mart af. Hij kreunde. Wat gaven ze die mannen te eten? Bakstenen? Hij vond het niet leuk om ‘Hoogheid’ genoemd te worden, maar een beetje eerbied zou hier wel prettig zijn geweest. Als er dan niemand op hem was gaan zitten, althans.
Hij krabbelde overeind en stak zijn hand uit naar een schaapachtig kijkende doodswachtgardist. Het gezicht van die kerel was meer litteken dan huid. Hij overhandigde Mart zijn ashandarei en draafde weg om te helpen bij het doorzoeken van de tuinen.
Tuon sloeg onaangedaan haar armen over elkaar. ‘Je hebt er nogal lang over gedaan om bij me terug te keren, Martrim.’
‘Lang over gedaan, mijn... Ik ben hier om je te waarschuwen, verdomme, niet om “bij je terug te keren”. Ik ben mijn eigen man.’
‘Je mag jezelf voorhouden wat je wilt,’ zei Tuon, die over haar schouder keek terwijl de doodswachtgardisten in de struiken zochten. ‘Maar je moet niet wegblijven. Je bent belangrijk voor het Keizerrijk, en ik kan je gebruiken.’
‘Klinkt geweldig,’ mopperde Mart.
‘Wat was het?’ vroeg Tuon zachtjes. ‘Ik zag die man pas toen jij mijn aandacht trok. Deze gardisten zijn de besten in het Keizerrijk. Ik heb Daruo hier een pijl uit de lucht zien vangen met zijn blote hand, en Barrin heeft een keer een man tegengehouden die alleen maar op me had hoeven ademen. Hij vermoedde dat het een huurmoordenaar was met een mond vol gif, en hij had gelijk.’
‘Dat wezen dat hier net was, noemen ze een grijzel,’ zei Mart huiverend. ‘Ze zijn haast griezelig gewoontjes en zijn lastig op te merken, om je blik op gericht te houden.’
‘Een grijzel,’ herhaalde Tuon onverschillig. ‘Nog meer mythen die tot leven komen. Net als je Trolloks.’
‘Trolloks bestaan echt, Tuon. Verdomde...’
‘Natuurlijk bestaan Trolloks echt,’ kapte ze hem af. ‘Waarom zou ik dat niet geloven?’ Ze keek hem opstandig aan, alsof ze hem uitdaagde haar eraan te herinneren hoe vaak ze die wezens als mythen had afgedaan. ‘Die grijzel lijkt ook echt te zijn. Er is geen andere verklaring voor het feit dat mijn gardisten hem erlangs lieten.’
‘Ik vertrouw die doodswachtgardisten wel,’ zei Mart, wrijvend over zijn schouder waar een van hen met een knie in had gedrukt. ‘Maar ik weet het niet, Tuon. Generaal Galgan probeert je te laten ombrengen. Hij werkt misschien wel samen met de vijand.’
‘Hij wil me niet echt dood hebben,’ zei Tuon achteloos.
‘Ben je helemaal gestoord?’ vroeg Mart.
‘Ben jij helemaal achterlijk? Hij heeft alleen huurmoordenaars ingehuurd uit dit land, geen echte moordenaars.’
‘Die grijzel komt ook uit dit land,’ merkte Mart op.
Dat legde haar even het zwijgen op. ‘Met wie heb je gewed om dat oog?’
Licht! Dacht iedereen dat het zo zat? ‘Ik heb het even zwaar gehad,’ zei hij, ‘maar ik ben levend ontkomen, en dat is het enige wat ertoe doet.’
‘Hmm. En heb je haar gered? De vrouw die je wilde redden?’
‘Hoe wist je dat?’
Ze antwoordde daar niet op. ‘Ik heb besloten niet afgunstig te zijn. Je hebt geluk. Het past wel bij je, dat je een oog mist. Voorheen was je te knap.’
Te knap? Licht. Wat moest dat nou weer betekenen?
‘Fijn om je te zien, trouwens,’ zei Mart. Hij wachtte een poosje. ‘Meestal, als een vent zoiets zegt, is het gebruikelijk om te zeggen dat je ook blij bent om hem te zien.’
‘Ik ben nu Keizerin,’ zei Tuon. ‘Ik wacht niet op anderen en vind het niet “fijn” als iemand terugkeert. Hun terugkeer is verwacht, want ze dienen mij.’
‘Je weet wel hoe je een vent het gevoel moet geven dat hij geliefd is, hè? Nou, ik weet nu hoe je over me denkt.’
‘En dat is?’
‘Je keek over je schouder.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ik was vergeten dat je er verbazingwekkend goed in bent om dingen te zeggen die niets betekenen, Martrim.’