‘Toen je mij zag,’ legde Mart uit, ‘met een dolk in mijn hand – alsof ik die naar jou zou gooien – riep je niet om je wachters. Je was niet bang dat ik je wilde vermoorden. Je keek over je schouder om te zien waar ik op mikte. Dat is het meest liefdevolle gebaar, denk ik, dat een man van een vrouw kan krijgen. Behalve als je een tijdje op mijn knie wilt komen zitten...’
Ze antwoordde niet. Licht, wat kwam ze kil over. Zou het allemaal anders zijn nu ze Keizerin was? Hij had haar toch niet nu alweer verloren?
Furyk Karede, de kapitein van de doodswachtgarde, kwam kort daarna aan, met Musenge in zijn kielzog. Karede keek alsof hij zojuist had gehoord dat zijn huis in brand stond. De andere doodswachtgardisten groetten hem stram en leken ineen te krimpen voor zijn blikken.
‘Keizerin, ik sla mijn ogen neer,’ zei Karede, die zich op zijn buik voor haar liet zakken. ‘Ik zal me aansluiten bij de anderen die u hebben teleurgesteld. We zullen ons leven voor u geven zodra er een nieuw eskader komt om uw beveiliging over te nemen.’
‘Jullie levens zijn van mij,’ zei Tuon, ‘en jullie maken er pas een einde aan als ik daar toestemming voor geef. Die huurmoordenaar was niet van natuurlijke geboorte, maar een schepping van de Schaduw. Uw ogen zijn niet neergeslagen. De Prins van de Raven zal jullie leren hoe je dergelijke schepsels kunt herkennen, zodat jullie niet opnieuw worden verrast.’
Mart was er vrij zeker van dat grijzels wél van natuurlijke geboorte waren, maar aan de andere kant gold dat ook voor Trolloks en Schimmen. Het leek hem niet gepast om Tuon daarop te wijzen. Bovendien trok iets anders in haar bevelen zijn aandacht.
‘Wat ga ik doen?’ vroeg Mart.
‘Ze onderwijzen,’ zei Tuon zacht. ‘Jij bent Prins van de Raven. Dit zal deel uitmaken van je taken.’
‘Daar moeten we over praten,’ zei Mart. ‘Ik wil niet hebben dat iedereen me Hoogheid noemt, Tuon. Echt niet.’
Ze antwoordde niet. Ze wachtte terwijl de zoektocht door de tuinen doorging en maakte geen aanstalten om terug te keren naar het paleis.
Eindelijk kwam Karede terug. ‘Hoogste, er is geen spoor van dat wezen in de tuinen, maar een van mijn mannen heeft bloed op de muur gevonden. Ik vermoed dat de huurmoordenaar de stad in is gevlucht.’
‘Het is onwaarschijnlijk dat hij het vannacht nog een keer probeert,’ zei Tuon. ‘En nu zijn we gewaarschuwd. Verspreid dit nieuws niet naar de gewone soldaten of wachters. Laat mijn Stem weten dat onze list niet langer nut heeft en dat we een nieuwe zullen moeten bedenken.’
‘Ja, Keizerin,’ antwoordde Karede, die weer een diepe buiging maakte.
‘Voorlopig,’ zei Tuon, ‘mogen jullie inrukken en dit gedeelte van de tuin verlaten. Ik wil wat tijd doorbrengen met mijn gemaal, die me verzocht heeft hem het gevoel te geven dat ik van hem hou.’
‘Dat is niet wat...’ begon Mart terwijl de leden van de doodswachtgarde in de duisternis verdwenen.
Tuon keek Mart even aan, en toen begon ze zich uit te kleden.
‘Licht!’ riep Mart. ‘Méénde je het?’
‘Ik kom niet op je knie zitten,’ zei Tuon, die één arm uit haar gewaad trok en haar borsten onthulde, ‘maar misschien laat ik je wel op de mijne zitten. Vanavond heb je mijn leven gered. Daarvoor word je beloond met een bijzonder voorrecht. Het...’
Ze brak haar zin af toen Mart haar vastpakte en kuste. Ze bleef verstijfd van verbazing staan. In de tuin, verdomme, dacht hij. Met soldaten rondom, binnen gehoorsafstand. Nou, als ze verwacht had dat Martrim Cauton verlegen zou zijn, zou ze nog opkijken.
Hij maakte zijn lippen van de hare los, met haar lichaam tegen het zijne gedrukt, en was blij te merken dat ze buiten adem was.
‘Ik ben niet je speeltje,’ zei Mart streng. ‘Daar doe ik niet meer aan mee, Tuon. Als je dat voor ogen hebt, ga ik weg. Let op mijn woorden. Soms speel ik inderdaad de dwaas. Bij Tylin deed ik dat zeker. Bij jou wil ik dat niet.’
Ze legde verrassend teder haar hand tegen zijn wang. ‘Ik zou die woorden niet hebben gezegd als ik alleen maar een speeltje in je zag. Een man die een oog mist is trouwens toch geen speeltje. Je hebt strijd gekend, en iedereen die je nu ziet, zal dat weten. Ze zullen je niet aanzien voor een dwaas, en ik heb geen behoefte aan een speeltje. Ik wil een prins.’
‘En hou je van me?’ vroeg hij, hoewel hij het bijna niet over zijn lippen kon krijgen.
‘Een Keizerin houdt van niemand,’ antwoordde ze. ‘Het spijt me. Ik ben met jou samen omdat de voortekenen het aangaven, en dus zal ik met jou samen de Seanchanen een troonopvolger bezorgen.’
De moed zonk Mart een beetje in de schoenen.
‘Maar,’ zei Tuon, ‘misschien kan ik wel toegeven dat het... fijn is om je te zien.’
Nou, dacht Mart, daar kan ik wel mee leven. Voorlopig.
Hij kuste haar opnieuw.
16
Een stilte als geschreeuw
Loial, zoon van Arent zoon van Halen, had stiekem altijd een gehaaste persoon willen zijn.
Mensen fascineerden hem, daarvan maakte hij geen geheim. Hij dacht dat de meesten van zijn vrienden dat wel wisten, hoewel hij er niet zeker van was. Het verbaasde hem altijd wat mensen niét hoorden. Loial kon de hele dag tegen hen praten en er dan achterkomen dat ze slechts een klein deel van wat hij zei hadden gehoord. Dachten ze dat iemand sprak zonder dat het de bedoeling was dat anderen luisterden?
Loial luisterde wel als zij spraken. Elk woord dat uit hun mond kwam onthulde meer over hen. Mensen waren als de bliksem. Een flits, een ontploffing, kracht en beweging, en dan weg. Hoe zou dat zijn?
Gehaastheid. Er vielen dingen te leren van gehaastheid. Hij begon zich af te vragen of hij dat lesje misschien te goed had geleerd.
Loial beende door een bos met te stille bomen, met Erith aan zijn zijde en andere Ogier om hen heen. Ze droegen allemaal een bijl op hun schouder of lange messen terwijl ze naar het front trokken. Eriths oren trilden. Ze was geen Boomzanger, maar ze bespeurde wel dat de bomen niet goed aanvoelden.
Het was vreselijk, echt vreselijk. Hij kon het gevoel dat van een gezond groepje bomen uitging niet uitleggen, net zomin als hij het gevoel van de wind op zijn huid kon uitleggen. Er was iets goeds aan gezonde bomen, als de geur van een regenbuitje in de ochtend. Het was geen geluid, maar het voelde als een zangwijs. Als hij ertegen zong, werd hij ondergedompeld in dat goede gevoel.
Deze bomen hadden dat goede gevoel niet. Als hij er dichtbij kwam, kreeg hij de indruk dat hij iets hoorde. Een stilte als geschreeuw. Het was geen geluid, maar een gevoel.
Verderop in het bos werd fel gevochten. Koningin Elaynes troepen trokken zich behoedzaam terug naar het oosten, tussen de bomen vandaan. Ze waren nu bijna aan de rand van het Breemwoud. Eenmaal daar zouden ze naar de rivier trekken, via bruggen naar de overkant gaan en ze dan in brand steken. Dan zouden de soldaten salvo’s van vernietiging loslaten op de Trolloks die achter hen de rivier over probeerden te komen. Bashere hoopte de vijandelijke aantallen bij de Erinin aanzienlijk te kunnen verminderen voordat ze verder trokken naar het oosten.
Loial was ervan overtuigd dat dit allemaal fascinerende verhalen zou opleveren voor zijn boek, als hij dat eenmaal schreef. Als hij daartoe in staat was. Hij legde zijn oren plat toen de Ogier hun oorlogslied inzetten. Hij voegde zijn stem bij die van hen, blij met het verschrikkelijke lied – de oproep tot bloed, tot doden – dat de stilte vulde die werd achtergelaten door de bomen.
Hij en de anderen begonnen te rennen, Erith aan zijn zijde. Loial versnelde tot hij voor de anderen uit liep, met zijn bijl boven zijn hoofd geheven. Alle gedachten verlieten hem en hij merkte dat hij kwaad was, wóést, op de Trolloks. Ze doodden niet alleen bomen. Ze namen de bomen hun vrede af.
De oproep tot bloed, tot doden.
Terwijl hij brullend bleef zingen, viel Loial met zijn bijl op de Trolloks aan, terwijl Erith en de andere Ogier zich bij hem aansloten en het grootste deel van deze flankerende troep Trolloks uitschakelden. Het was niet zijn bedoeling geweest om deze aanval van de Ogier te leiden. Hij deed het toch.