Hij hakte een Trollok met een ramskop de arm af. Het monster schreeuwde en viel op zijn knieën, en Erith trapte hem in zijn gezicht en smeet hem achterover tegen de benen van een andere Trollok.
Loial onderbrak zijn lied niet, de oproep tot bloed, tot doden. Laat het ze maar horen! Laat het ze hóren! Slag na slag. Hakken in dood hout, meer was dit niet. Dood, walgelijk rottend hout. Hij en Erith sloten zich aan bij Ouder Haman, die er met zijn oren plat tegen zijn hoofd woest uitzag. Die rustige Ouder Haman. Hij voelde de razernij ook.
Een uitgeputte rij Witmantels ging struikelend achteruit en maakte ruimte voor de Ogier.
Loial zong en vocht en brulde en doodde, inhakkend op Trolloks met een bijl bedoeld om hout te hakken, nooit vlees. Werken met hout was een eerbiedige zaak. Dit... dit was onkruid wieden. Giftig onkruid. Verstikkend onkruid.
Hij bleef op de Trolloks inhakken, verloor zichzelf in de oproep tot bloed, tot doden. De Trolloks begonnen te vrezen. Hij zag doodsangst in hun kraalogen, en hij genoot ervan. Ze waren het overduidelijk gewend te vechten tegen mensen, die kleiner waren dan zij.
Nou, nu mochten de Trolloks het eens opnemen tegen iemand van hun eigen grootte. Ze grauwden toen de rij Ogier hen achteruit dwong. Loial deelde slag na slag uit, hakte door armen, door rompen. Hij beukte zich tussen twee Trolloks met berenkoppen door, maaide om zich heen met zijn bijl en schreeuwde van woede. Woede om wat de Trolloks de Ogier hadden aangedaan. Ze zouden nu moeten genieten van de vrede van de stedding. Ze zouden moeten kunnen bouwen, zingen, kweken.
Dat kon niet. Vanwege dit... dit onkruid kon dat niet! De Ogier waren gedwongen te doden. De Trolloks maakten vernietigers van bouwers. Ze dwongen Ogier en mensen om net als zij te worden. De oproep tot bloed, tot doden.
Nou, de Schaduw zou eens zien hoe gevaarlijk de Ogier konden zijn. Ze zouden vechten, en ze zouden doden. En ze zouden dat beter doen dan de mensen, de Trolloks of de Myrddraal ooit hadden verwacht.
Aan de angst die Loial bij de Trolloks zag – aan hun doodsbange ogen – was te zien dat ze dat begonnen te beseffen.
‘Licht!’ riep Galad uit, terwijl hij zich terugtrok uit de heftigste gevechten. ‘Licht!’
De aanval van de Ogier was angstaanjagend en schitterend. De schepsels vochten met hun oren plat tegen hun hoofd, grote ogen, hun brede gezichten zo plat als aambeelden. Ze leken wel te transformeren, alle bedaardheid verdwenen. Ze hakten zich door rijen Trolloks heen, sloegen de beesten links en rechts tegen de grond. De tweede rij Ogier, die bijna geheel uit vrouwen bestond, stak op de Trolloks in met lange messen en haalde alle monsters neer die de voorste rij hadden weten te overleven.
Galad had Trolloks al angstaanjagend gevonden, met hun verwrongen mengeling van menselijke en dierlijke gelaatstrekken, maar de Ogier verontrustten hem nog meer. Trolloks waren gewoon afschuwelijk... maar Ogier waren vredige, milde, vriendelijke schepsels.
Nu ze zo razend waren, dat vreselijke lied brulden en aanvielen met bijlen bijna zo lang als een volwassen man... Licht!
Galad wuifde de Kinderen achteruit en dook in elkaar toen een Trollok vlakbij tegen een boom dreunde. Sommige Ogier grepen gewonde Trolloks bij hun armen en smeten ze opzij. Veel van de andere Ogier waren tot aan hun middel met bloed doordrenkt, hakkend als slagers die vlees bereidden. Nu en dan viel er een, maar hoewel ze geen pantsers droegen, leek hun huid taai.
‘Licht!’ zei Trom, die naar Galad toe kwam. ‘Heb je ooit zoiets gezien?’
Galad schudde zijn hoofd. Het was het eerlijkste antwoord dat hij kon bedenken.
‘Als we daar een leger van hadden...’ zei Trom.
‘Het zijn Duistervrienden,’ zei Golever, die ook aankwam. ‘Beslist Schaduwgebroed. ’
‘Ogier zijn net zomin Schaduwgebroed als ik,’ zei Galad droogjes. ‘Kijk, ze slachten die Trolloks af.’
‘Ze kunnen zich nu ieder ogenblik tegen óns keren,’ hield Golever vol. ‘Kijk...’ Hij liet zijn stem wegsterven, luisterend naar de Ogier die hun strijdlied zongen. Een grote groep Trolloks brak op en vluchtte weg, om vloekende Myrddraal heen. De Ogier lieten ze niet gaan. Woedend zetten de reusachtige bouwers de achtervolging in en hakten met hun lange bijlen in op hun benen, waardoor de Trolloks bloedend en schreeuwend tegen de grond gingen.
‘Nou?’ vroeg Trom.
‘Misschien...’ begon Golever. ‘Misschien is het een truc, of zo. Om ons vertrouwen te winnen.’
‘Doe niet zo stom, Golever,’ zei Trom.
‘Ik doe niet...’
Galad stak zijn hand op. ‘Haal onze gewonden op. Laten we naar de brug gaan.’
Rhand verjoeg de kleuren die voor zijn geestesoog wervelden. ‘Het is bijna tijd dat ik ga,’ zei hij.
‘Om ten strijde te trekken?’ vroeg Nynaeve.
‘Nee, ik moet naar Mart. Hij is in Ebo Dar.’
Hij was van Elaynes kamp teruggekeerd naar Merrilor. Het gesprek met Tam ging nog steeds door zijn hoofd. Laat het los. Zo gemakkelijk was het niet. En toch was er iets van hem af gevallen tijdens het gesprek met zijn vader. Laat het los. Er leek iets diepers onder Tams woorden te zitten, veel meer dan alleen het overduidelijke.
Rhand schudde zijn hoofd. Hij kon het zich niet veroorloven tijd te verspillen met dergelijke gedachten. De Laatste Slag... die moest al zijn aandacht opeisen.
Ik heb dichtbij kunnen komen zonder aandacht te trekken, dacht hij, met zijn vingers op de dolk met het heft van hertshoorn aan zijn riem. Het lijkt waar te zijn. De Duistere voelt me niet als ik deze dolk bij me heb.
Voordat hij ten strijde kon trekken tegen de Duistere, moest hij iets aan de Seanchanen doen. Als wat Thom zei waar was, dan was Mart misschien de sleutel. De Seanchanen móésten zich aansluiten bij de Vrede van de Draak. Als ze dat niet deden...
‘Die gezichtsuitdrukking herinner ik me nog,’ zei een zachte stem. ‘Consternatie. Je doet het zo goed, Rhand Altor.’
Hij draaide zich om naar Moiraine. Achter haar, op de tafel in zijn tent, toonden kaarten die Aviendha per boodschapper had gestuurd de plekken in de Verwording waar zijn leger zich kon verzamelen.
Moiraine kwam naast hem staan. ‘Wist je dat ik vroeger soms urenlang peinsde om te bedenken waar die geest van jou allemaal mee bezig was? Het is een wonder dat ik niet alle haren uit mijn hoofd heb getrokken van frustratie.’
‘Het was dom van me om je niet te vertrouwen,’ zei Rhand.
Ze lachte. Een zachte, behoedzame lach, de lach van een Aes Sedai die de touwtjes in handen had. ‘Je vertrouwde me voldoende. Dat maakte het des te frustrerender dat je niets wilde delen.’
Rhand ademde diep in. De lucht hier in Merrilor was zoeter dan op andere plekken. Hij had het land hier weer tot leven kunnen brengen. Gras groeide weer. Bloemen ontloken. ‘Boomstronken en mannen,’ zei hij. ‘Tweewater heeft ze allebei, en allebei zijn ze even onverzettelijk.’
‘Misschien is dat te streng,’ zei Moiraine. ‘Je werd niet alleen door koppigheid gedreven. Het was de wil om aan jezelf en alle anderen te bewijzen dat je dit in je eentje kon.’ Ze raakte zijn arm aan. ‘Maar je kunt dit niet in je eentje, of wel?’
Rhand schudde zijn hoofd. Hij reikte naar Callandor en raakte het zwaard op zijn rug aan. Het laatste geheim van het wapen was hem nu duidelijk. Het was een valstrik, en een slimme ook, want dit wapen was niet alleen een sa’angreaal voor de Ene Kracht, maar ook voor de Ware Kracht.
Hij had de toegangssleutel weggegooid, maar op zijn rug droeg hij iets o zo verleidelijks. De Ware Kracht, het wezen van de Duistere, was het zoetste wat hij ooit had aangeraakt. Met Callandor kon hij er een kracht uit putten die geen enkele man ooit eerder had gehanteerd. Omdat Callandor niet de veiligheidsvoorzieningen had van andere angrealen en sa’angrealen, viel niet te bepalen hoeveel van de Kracht hij ermee kon putten.
‘Daar is dat gezicht weer,’ mompelde Moiraine. ‘Wat ben je van zins, Rhand Altor, Herrezen Draak? Kun je eindelijk voldoende loslaten om het me te vertellen?’