Hij keek haar aan. ‘Heb je dit hele gesprek zo gestuurd om me dat geheim te ontfutselen?’
‘Je hebt nogal een hoge dunk van mijn gespreksvaardigheden.’
‘Een nietszeggend antwoord,’ zei Rhand.
‘Ja,’ bekende Moiraine. ‘Maar mag ik je erop wijzen dat jij ermee begon, door mijn vraag te ontwijken?’
Rhand dacht een paar stappen terug in het gesprek en besefte dat hij dat inderdaad had gedaan. Hij gromde. Waarom zou hij het haar niet vertellen? Hij had het Lanfir ook verteld.
‘Ik ga de Duistere doden,’ zei Rhand. ‘Ik wil de Duistere niet alleen maar kerkeren, maar een einde aan hem maken.’
Moiraine siste zachtjes.
‘Wat is er?’ vroeg Rhand.
‘Van alle...’ mompelde Moiraine. ‘Ik dacht dat je tijdens mijn afwezigheid volwassen was geworden.’
‘Alleen Perijn is volwassen geworden,’ zei Rhand. ‘Mart en ik hebben gewoon geleerd te doen alsof.’ Hij aarzelde. ‘Mart misschien alleen wat minder goed.’
‘De Duistere is niet te doden,’ zei Moiraine.
‘Ik denk dat ik het kan,’ hield Rhand vol. ‘Ik weet weer wat Lews Therin heeft gedaan, en er was een ogenblik... een kort ogenblik... Het is te doen, Moiraine. Ik heb er meer vertrouwen in dat ik dat kan dan dat ik de Duistere weer zou kunnen kerkeren.’ Dat was waar, hoewel hij eigenlijk in allebei de mogelijkheden niet echt vertrouwen had.
Vragen. Zoveel vragen. Zou hij inmiddels eigenlijk niet een paar antwoorden moeten hebben?
‘De Duistere maakt deel uit van het Rad,’ zei Moiraine.
‘Nee. De Duistere bevindt zich buiten het Patroon,’ kaatste Rhand terug. ‘Hij is helemaal geen onderdeel van het Rad.’
‘Natuurlijk is de Duistere onderdeel van het Rad, Rhand,’ zei Moiraine. ‘Wij zijn de draden die de substantie van het Patroon vormen, en de Duistere beïnvloedt ons. Je kunt hem niet doden. Dat is dwaasheid.’
‘Ik ben al eerder een dwaas geweest,’ zei Rhand. ‘En ik zal er weer een zijn. Soms, Moiraine, voelt mijn hele leven – alles wat ik heb gedaan – als dwaasheid. Wat doet nóg een onmogelijke uitdaging ertoe? Ik heb alle andere al het hoofd geboden. Misschien lukt dit me ook wel.’
Ze verstrakte haar greep om zijn arm. ‘Je bent zoveel gegroeid, maar toch ben je nog een jongeling, hè?’
Rhand onderdrukte meteen zijn gevoel en haalde niet naar haar uit. Als je voor jongeling wilde worden versleten, moest je je vooral als zodanig gedragen. Hij bleef met rechte rug staan en sprak zachtjes. ‘Ik leef al vier eeuwen,’ zei hij. ‘Misschien ben ik nog een jongeling, maar dat zijn we allemaal, vergeleken met de tijdloosheid van het Rad zelf. Dat gezegd hebbende, ik ben een van de oudste mensen die bestaan.’
Moiraine glimlachte. ‘Heel mooi. Werkt dat bij de anderen?’
Hij aarzelde. En toen merkte hij vreemd genoeg dat hij grijnsde. ‘Het werkte vrij aardig bij Cadsuane.’
Moiraine snoof. ‘Zij... Nou, haar kennende betwijfel ik of je haar zo hebt bedot als je denkt. Je mag dan de herinneringen hebben van een man van vier eeuwen oud, Rhand Altor, maar dat maakt jóu nog niet oud. Anders zou Martrim Cauton de patriarch van ons allemaal zijn.’
‘Mart? Hoezo?’
‘Laat maar,’ zei Moiraine. ‘Iets wat ik eigenlijk niet hoor te weten. In je hart ben je nog altijd een argeloze schaapherder. Ik zou het ook niet anders willen. Lews Therin, ondanks al zijn wijsheid en macht, kon niet voor elkaar krijgen wat jij moet doen. En nu, als je zo vriendelijk zou willen zijn, lust ik wel een kopje thee.’
‘Ja, Moiraine Sedai,’ zei hij, en hij liep naar de theepot op het vuur. Hij verstarde en keek naar haar om.
Ze keek verlegen naar hem. ‘Alleen maar even kijken of het nog lukte.’
‘Ik heb nog nóóit thee voor je gehaald,’ wierp Rhand tegen, terwijl hij naar haar terug liep. ‘Als ik het me goed herinner, heb ik jóu de bevelen gegeven in de laatste paar maanden dat we bij elkaar waren.’
‘Dat is waar,’ gaf Moiraine toe. ‘Denk na over wat ik zei over de Duistere. Maar nu wil ik je een andere vraag stellen. Wat ga je nu doen? Waarom ga je naar Ebo Dar?’
‘De Seanchanen,’ antwoordde Rhand. ‘Ik moet ze aan onze zijde proberen te scharen, zoals ik heb beloofd.’
‘Als ik het me goed herinner,’ zei Moiraine, ‘heb je niet beloofd dat je dat zou proberen, maar dat je zou zorgen dat het gebeurde.’
‘Met beloften om iets te “proberen” bereik je niet veel in politieke onderhandelingen,’ zei Rhand, ‘hoe oprecht gemeend ook.’ Hij stak zijn hand omhoog, met gestrekte arm en zijn vingers gespreid, en keek door de open tentflappen naar buiten. Alsof hij de landen ten zuiden van hier wilde grijpen. Ze oppakken, opeisen, en hopelijk beschermen.
De Draak op zijn arm glinsterde in goud en scharlakenrood. ‘Eenmaal de Draak, voor verloren herinneringen.’ Hij stak zijn andere arm omhoog, met de pols die in een stomp uitliep. ‘Tweemaal de Draak... voor de prijs die hij moet betalen.’
‘Wat ga je doen als de Seanchaanse keizerin weer weigert?’ vroeg Moiraine.
Hij had haar niet verteld dat de keizerin zijn verzoek de eerste keer had geweigerd. Je hoefde Moiraine geen dingen te vertellen. Ze ontdekte ze op eigen houtje.
‘Weet ik niet,’ zei Rhand zacht. ‘Als ze niet meevechten, Moiraine, verliezen we. Als ze zich niet aansluiten bij de Vrede van de Draak, dan hebben we niets.’
‘Je hebt te veel tijd besteed aan dat verdrag,’ zei Moiraine. ‘Dat heeft je afgeleid van je doel. De Draak dient niet om vrede te brengen, maar om vernietiging te brengen. Dat kun je niet veranderen met een stuk papier.’
‘We zullen zien,’ zei Rhand. Hij keek haar aan. ‘Dank je wel voor je raadgevingen. Nu, en altijd. Ik geloof niet dat ik dat vaak genoeg heb gezegd. Ik sta bij je in het krijt, Moiraine.’
‘Nou,’ zei ze, ‘ik heb nog steeds zin in een kopje thee.’
Rhand keek haar ongelovig aan. Toen begon hij te lachen en liep naar het vuur om een kom voor haar in te schenken.
Moiraine hield haar warme kom thee vast, die Rhand voor haar had ingeschonken voordat hij was vertrokken. Hij was heerser over zoveel landen geworden sinds ze elkaar voor het laatst hadden gezien, maar hij was nu nog net zo nederig als toen ze hem voor het eerst had ontmoet in Tweewater. Misschien nog wel meer.
Nederig tegenover mij, misschien, dacht ze. Hij denkt dat hij de Duistere kan doden. Dat is geen kenmerk van een nederig man. Rhand Altor, zo’n vreemde mengeling van zelfverlaging en trots. Had hij het evenwicht eindelijk gevonden? Ondanks alles wat ze had gezegd, bewezen zijn daden tegenover haar vandaag dat hij geen jongeling was, maar een man.
Maar ook een man kon fouten maken. Vaak waren ze alleen maar van een gevaarlijkere soort.
‘Het Rad weeft wat het Rad wil,’ mompelde ze in zichzelf, nippend van haar thee. Bereid door Rhands hand, en niet die van een ander, was de thee smaakvol en geurig zoals in betere tijden. Niet in het minst aangeraakt door de schaduw van de Duistere.
Ja, het Rad weefde wat het wilde. Soms wenste ze dat die weefsels eenvoudiger te begrijpen waren.
‘Weet iedereen wat hij moet doen?’ vroeg Lan, die zich omdraaide in Mandarbs zadel.
Andère knikte. Hij had het nieuws zelf naar de vorsten gebracht, en van daaruit was het naar hun generaals en bevelvoerders gegaan. Pas op het laatste ogenblik was het ook aan de soldaten meegedeeld.
Er zaten ongetwijfeld Duistervrienden onder hen. Die waren er altijd. Het was onmogelijk om een stad te ontdoen van alle ratten, hoeveel katten je er ook bij haalde. Hopelijk zou dit nieuws zo laat komen dat de ratten de Schaduw niet meer konden waarschuwen.
‘We rijden uit,’ zei Lan, die zijn hielen in Mandarbs flanken drukte. Andère hief zijn banier hoog, de vlag van Malkier, en galoppeerde naast hem mee. Zijn Malkierse soldaten sloten zich bij hem aan. Velen van hen hadden maar een klein beetje Malkiers bloed en waren eigenlijk Grenslanders van andere naties. Toch verkozen ze te rijden onder zijn banier en hadden ze de hadori omgedaan.
Duizenden en nog eens duizenden ruiters reden met hem mee, en de zachte aarde dreunde onder de vele paardenhoeven. Het was de afgelopen tien dagen een lange, zware aftocht voor hun leger geweest. De Trolloks waren in de meerderheid en er bestond ernstig gevaar dat ze Lans mannen zouden omsingelen. Lans bereden leger was zeer beweeglijk, maar ook soldaten konden op een gegeven ogenblik niet meer harder lopen, en Trolloks waren snel. Sneller dan mensen, vooral met die Schimmen die zo geestdriftig de knoet hanteerden. Gelukkig hielden de branden op het platteland het leger van de Schaduw op. Zonder die branden zouden Lans mannen misschien niet hebben kunnen ontkomen.