Lan dook ineen in het zadel toen de ontploffingen van de Gruwheren begonnen. Links van hem reed de Asha’man Deeper, aan zijn zadel vastgebonden vanwege zijn afgezette been. Toen een vuurbol knetterend op Lan af zeilde, trok Deeper een geconcentreerd gezicht en duwde zijn handen naar voren. Het vuur ontplofte boven hen in de lucht.
Gloeiende sintels vielen als een scharlakenrode regen omlaag, gevolgd door spoortjes rook. Een ervan raakte Mandarbs nek en Lan veegde hem eraf met zijn handschoen. Het paard scheen het niet eens te voelen.
De grond hier bestond uit een dikke laag klei. Het was een terrein van glooiende heuvels met dor gras, rotspunten en groepjes kale bomen. De aftocht volgde de oevers van de Mora. De rivier zou voorkomen dat de Trolloks hen vanuit het westen konden flankeren.
Van twee duidelijke punten aan de horizon rees rook op: Fal Dara en Fal Moran. De twee grootste steden in Shienar, door het eigen volk in brand gestoken, samen met de landen rondom hun boerderijen en de boomgaarden. Alles wat ook maar een handjevol voedsel kon opleveren voor de binnendringende Trolloks.
Die steden verdedigen was geen optie geweest. En dat betekende dat ze moesten worden vernietigd.
Het werd tijd om te beginnen met terugslaan. Lan leidde een aanval op het midden van de massa, en de Trolloks zetten speren rechtop tegen de aanstormende troepen van de Malkieri en Shienaranen. Lan bracht zijn lans omlaag en hield hem recht naar voren langs Mandarbs nek. Hij boog zich voorover in de stijgbeugels, kneep hard met zijn knieën en hoopte dat de geleiders – Lan had er nu veertien, dankzij versterkingen die Egwene had gestuurd – hun aandeel konden leveren.
De grond voor de Trolloks scheurde open. De voorhoede van Schaduwgebroed brak op.
Lan koos zijn doelwit uit, een gigantische Trollok met een everkop die tegen zijn kameraden brulde toen ze voor de ontploffingen achteruitdeinsden. Lan raakte het schepsel in de nek. De lans ging er dwars doorheen, en Mandarb smeet de Trollok opzij terwijl hij een van de ineengedoken monsters ernaast vertrapte. Het gebrul van de cavalerie werd een knal toen ze de tegenstanders hard raakten en zich door hun vaart en gewicht midden tussen de Trolloks lieten dragen.
Zodra ze vertraagden, gooide Lan de lans naar Andère, die hem handig opving. Lans wachters kwamen naar voren en hij haalde zijn zwaard uit de schede. Houthakker velt de jonge boom. Appelbloesems in de wind. De Trolloks vormden eenvoudige doelwitten als hij in het zadel zat: door de lengte van de Trolloks bevonden hun nekken, schouders en gezichten zich op de juiste hoogte.
Het was snel en meedogenloos werk. Deeper keek uit naar aanvallen van de vijandelijke Gruwheren en ging die tegen. Andère kwam naar Lans zijde.
Lans banier was een magneet voor het Schaduwgebroed. Ze begonnen te brullen en tieren, en hij hoorde twee Trollok-woorden die steeds opnieuw werden uitgesproken in hun eigen taal. Murdru Kar. Murdru Kar. Murdru Kar. Hij maaide om zich heen met zijn zwaard, vergoot hun bloed zonder enig gevoel, vanuit de leegte.
Ze hadden hem Malkier nu twee keer afgenomen. Ze zouden nooit kunnen proeven hoe verslagen hij zich voelde, zijn grote verlies omdat hij zijn thuisland alwéér verliet, deze keer uit eigen beweging. Maar bij het Licht, hij kón ze er een proefje van geven. Met zijn zwaard door hun borst.
De veldslag mondde uit in een chaos, zoals zo vaak gebeurde. De Trolloks werden razend. Zijn leger had de laatste vier dagen helemaal niet tegen de beesten gevochten. Ze hadden zich alleen maar teruggetrokken en uiteindelijk wat meer beheersing over hun aftocht gekregen. Genoeg om schermutselingen te voorkomen, in ieder geval, dankzij hun brandstichtingen.
Vier dagen zonder conflict, en nu deze grootscheepse aanval. Dat was het eerste onderdeel van de strategie.
‘Dai Shan!’ riep iemand. Prins Kaisel. Hij wees naar een plek waar de Trolloks een wig in Lans wacht hadden gedreven. Zijn banier begon te kantelen.
Andère. Zijn paard werd tegen de grond getrokken. Lan wendde Mandarb en dreef hem tussen twee Trolloks, prins Kaisel en een handjevol andere soldaten door.
Lan kon niet te paard blijven zitten, anders kon hij per ongeluk zijn vriend vertrappen. Hij sprong uit het zadel, raakte de grond en dook meteen onder de uithaal van een Trollok door. Kaisel hakte het monster onder de knie zijn been af.
Lan dook langs de vallende Trollok. Hij zag zijn banier, en een lichaam ernaast. Levend of dood, dat wist Lan niet, maar er stond wél een Myrddraal die een donker zwaard hief.
Lan kwam aan in een werveling van draaiend staal. Hij blokkeerde de Thakan’dar met een zwaai en trapte op zijn eigen banier. In de leegte was geen tijd om na te denken. Er was alleen instinct en actie. Er was...
Er kwam nog een tweede Myrddraal achter Andères gevallen paard omhoog. Een valstrik dus: ze wisten dat het omlaag halen van de banier Lans aandacht zou trekken.
De twee Schimmen vielen aan, een van iedere kant. De leegte beefde niet. Een zwaard voelde geen angst, en op dat ogenblik was Lan zijn zwaard. Reiger spreidt zijn vleugels. Hij hakte om zich heen, blokkeerde, sprong heen en weer. De Myrddraal waren net stromend water, maar Lan was de wind zelf. Hij draaide tussen hun klingen door, sloeg een aanval van rechts af en toen een van links.
De Schimmen begonnen woedend te vloeken. Degene aan de linkerkant kwam met een sneer om zijn bleke lippen snel op Lan af. Lan stapte opzij, pareerde de uithaal en hakte zijn arm bij de elleboog af. Hij ging in een vloeiende beweging door naar waar hij wist dat de andere Schim zou aanvallen en hakte bij dat schepsel de hand van de pols.
Beide Thakan’dar-klingen vielen kletterend op de grond. De Schimmen verstijfden, met stomheid geslagen. Lan hakte de een zijn hoofd af, maakte een draai en boorde zijn zwaard door de nek van de andere. Zwarte kiezels op sneeuw. Hij stapte achteruit en zwiepte zijn zwaard opzij om wat van het giftige bloed van de kling te schudden. Beide Schimmen vielen kronkelend neer en bleven redeloos stuiptrekkend liggen, en donker bloed bevlekte de grond. Zeker honderdvijftig Trolloks rondom vielen dood neer. Ze waren verbonden geweest met de Schimmen.
Lan stapte naar Andère toe en hielp hem uit de modder. De man keek versuft knipperend om zich heen. Zijn arm hing in een vreemde hoek. Lan gooide Andère over zijn schouder, schopte de paal van de banier omhoog en ving hem op in zijn vrije hand.
Hij rende terug naar Mandarb – het terrein om hem heen was nu vrij van Trolloks – en overhandigde een van prins Kaisels mannen de banier. ‘Laat hem schoonmaken en hef hem weer.’ Hij gooide Andère over Mandarbs schoft, steeg op en veegde zijn zwaard schoon aan zijn zadeldeken. Zijn vriend leek niet dodelijk gewond.
Vaag hoorde hij prins Kaisel achter zich. ‘Bij mijn vaders!’ riep de man uit. ‘Ik had wel gehoord dat hij goed was, maar... maar... Licht!’
‘Dit is wel voldoende,’ zei Lan, die het slagveld overzag en de leegte losliet. ‘Stuur het teken, Deeper.’
De Asha’man gehoorzaamde en stuurde een rode streep licht de lucht in. Lan wendde Mandarb en wees met zijn zwaard naar het kamp. Zijn troepen verzamelden zich om hem heen. Hun aanval was van het begin af aan bedoeld geweest als een snelle uitval en terugtocht. Ze hadden geen vast front opgesteld, want dat zou hen alleen maar belemmeren bij een zware bestorming.
Zijn troepen gingen achteruit en de Saldeanen en Arafellers kwamen in snelle golven aanrijden om de gelederen van de Trolloks op te breken en de aftocht te begeleiden. Mandarb was nat van het zweet. Het dragen van twee gepantserde mannen viel niet mee voor het paard, zeker niet na een bestorming. Lan minderde wat vaart nu ze niet meer rechtstreeks in gevaar waren.