Выбрать главу

24

De Arinelle af

In de verte druppelde water en het holklinkende spetteren ervan weerkaatste, zodat de juiste plaats in het water niet viel aan te wijzen.

Overal waren stenen bruggen en hellingen zonder leuningen, die allemaal verbonden waren met brede, platte, stenen torens, allemaal glanzend en strak en met rode en gouden banen. In vele lagen stegen de hoogten van dit doolhof uit het donker op. De diepten verdwenen zonder duidelijk begin of einde. Iedere brug leidde naar een toren, iedere helling naar een volgende toren, naar andere bruggen. Welke richting Rhand ook uit keek, hoe ver zijn ogen ook reikten in de schemering, overal zag hij hetzelfde, zowel boven als beneden. Er was niet genoeg licht om het duidelijk te zien en daar was hij bijna blij om. Hij kon van geen enkele toren de voet zien. Hij spande zich nog meer in, wilde vrij zijn, omdat hij wist dat het een droombeeld was. Alles was een droombeeld.

Hij kende dat droombeeld; hij had het te vaak gevolgd om het niet te kennen. Hoe ver hij ook liep, omhoog of omlaag, in welke richting ook, er was alleen maar glimmend steen. Steen, maar de vochtigheid van diepe, vers geploegde aarde drong overal door, net als de ziekelijk zoete stank van verrotting. De stank van een te vroeg geopend graf. Hij probeerde geen adem te halen, maar de lucht drong zijn neusgaten binnen. Ze kleefde als olie aan zijn huid.

Zijn oog werd getroffen door een snelle beweging en hij bleef stokstijf staan, half gebukt tegen de glanzende wachtmuur rond een van de spitsen. Het was geen schuilplaats. Er waren wel duizend plaatsen vanwaar een toeschouwer hem kon zien. Schaduwen dreven door de lucht, maar er waren geen diepere schaduwen waarin hij zich kon verbergen. Het licht was niet afkomstig van lampen of lantaarns of fakkels; het was er gewoon, alsof het uit de lucht sijpelde. Voldoende om te zien, zodra je eraan gewend was, voldoende om gezien te worden. Maar roerloos blijven staan bood nog enige bescherming.

Weer zag hij beweging en nu was het duidelijk. Het was een man die verderop over een helling schreed en er niet om gaf dat er geen leuningen waren, er niet om gaf dat een val in de diepe leegte kon eindigen. De mantel van de man golfde door zijn statige haast en zijn hoofd keek zoekend rond. De afstand was te groot voor Rhand om in de duisternis meer dan de gestalte te zien, maar hij hoefde niet dichterbij te zijn om te weten dat de mantel de rode kleur had van vers bloed, dat de twee ogen brandden als ovens.

Hij probeerde de doolhof af te zoeken, te zien hoeveel verbindingen

Ba’alzamon nodig had voor hij hem bereikte, maar zag toen de nutteloosheid daarvan in. Afstanden waren hier bedrieglijk; ook die les had hij geleerd. Wat ver weg leek, kon bereikt worden door een hoek om te slaan, wat dichtbij leek, kon buiten bereik liggen. Het enige dat hij kon doen, dat was vanaf het begin zo geweest, was in beweging blijven. Zich voortdurend verplaatsen en niet denken. Denken was gevaarlijk, wist hij.

Toch kon hij niet voorkomen, toen hij zich van de verre gestalte van Ba’alzamon afwendde, dat hij nieuwsgierig was naar Mart. Liep Mart ook ergens in deze doolhof rond? Of waren er twee doolhoven, twee Ba’alzamons? Zijn geest schoot haastig van die gedachte weg; dat was te gruwelijk om bij stil te staan. Is dit net als in Baerlon? Maar waarom kan hij me dan niet vinden? Dat was al beter. Een kleine troost. Troost? Bloed en as, welke troost biedt dat nu?

Twee of drie keer waren ze elkaar bijna tegengekomen, hoewel hij zich dat niet duidelijk herinnerde, maar al een lange, lange tijd – hoe lang? – had hij gerend terwijl Ba’alzamon hem vergeefs achtervolgde. Was dit net als Baerlon of was het een gewone nachtmerrie, net zo’n droom als andere dromen?

Toen wist hij heel even – net lang genoeg om adem te halen – waarom het gevaarlijk was te denken, wat gevaarlijk was om aan te denken. Net als andere keren, toen hij zich de gedachte gunde aan wat hem als een droom omringde, schemerde de lucht en verduisterde zijn ogen. De lucht leek te verdikken, leek hem vast te houden. Een enkel moment maar.

De klamme hitte liet zijn huid kriebelen en zijn keel was al een hele tijd droog toen hij in de doornen doolhof omlaag holde. Hoe lang had het nu geduurd? Zijn zweet verdampte voor het de kans kreeg druppels te vormen en zijn ogen brandden. Boven zijn hoofd – eigenlijk niet zo ver erboven – kolkten woedende, ijzerkleurige, met zwart doorschoten wolken, maar geen zuchtje wind bewoog in de doolhof. Een ogenblik dacht hij dat het anders was geweest, maar de gedachte verdampte in de hitte. Hij was hier lang geweest. Denken was gevaarlijk, wist hij.

Gladde stenen, bleek en rond, vormden de vage omtrekken van plaveisel, half begraven onder botdroog stof dat in wolkjes zelfs door zijn lichtste stappen opstoof. Het kriebelde in zijn neus en dreigde een niesbui te veroorzaken die hem kon verraden. Toen hij door zijn mond probeerde te ademen, verstopte het stof zijn keel tot hij haast stikte.

Dit was een gevaarlijke plaats, ook dat wist hij. Voor hem kon hij drie openingen in de doornhagen zien en daarachter kronkelde de weg uit het zicht. Ba’alzamon kon nu elk van die hoeken naderen. Er waren al twee of drie van die ontmoetingen geweest, hoewel hij zich niet veel meer kon herinneren dan dat hij op de een of andere manier was ontsnapt. Gevaarlijk om veel te denken.

Hijgend bleef hij in de hitte staan om de wanden van de doolhof te bekijken. Ze bestonden uit brede verstrengelde doornstruiken, bruin en dood, met scherpe zwarte doorns als duimlange haken. Te hoog om overheen te kijken, te dicht om doorheen te kijken. Aarzelend raakte hij de muur aan en snakte naar adem. Ondanks al zijn behoedzaamheid was er een doorn in zijn vinger terechtgekomen, die brandde als een hete naald. Hij deinsde achteruit en zijn hielen zochten steun op de stenen. Hij schudde zijn hand en dikke druppels bloed spatten neer. Het brandende gevoel verminderde, maar zijn hele hand klopte.

Opeens vergat hij zijn pijn. Zijn hiel had een van de stenen omgewipt, hem uit de droge grond geschopt. Hij staarde ernaar en lege oogkassen staarden terug. Een schedel. Een menselijke schedel. Hij keek naar al die gladde bleke stenen waarmee het pad geplaveid was. Hij zette haastig zijn voeten ergens anders neer, maar hij kon zich niet verplaatsen zonder erover te lopen en hij kon niet stoppen zonder erop te staan. Een gedachte kwam terloops bij hem op, dat dingen niet waren wat ze leken, maar hij onderdrukte die gedachte meedogenloos. Denken was hier gevaarlijk.

Hij vermande zich bevend. Op één plek blijven staan was ook gevaarlijk. Dat was een van die dingen die hij vaag maar zeker wist. Het bloed van zijn vinger stroomde niet meer, maar druppelde traag en het kloppen was bijna opgehouden. Hij zoog aan zijn vingertop en liep verder over het pad in dezelfde richting. Bij de eerste opening in de doornenmuur sloeg hij rechts af, toen bij de volgende weer echtsaf. En opeens stond hij pal voor Ba’alzamon.

verrassing flitste over Ba’alzamons gezicht en zijn bloedrode mantel hing weer stil toen hij bleef staan. Vlammen loeiden in zijn ogen, naar door de hitte van de doolhof voelde Rhand ze nauwelijks. Hoe lang denk je mij te ontlopen, jongen? Hoe lang denk je je lot te ontlopen? Jij bent van mij.’

Rhand struikelde achteruit en vroeg zich af waarom hij aan zijn riem voelde alsof daar een zwaard hing. ‘Licht, sta me bij,’ mompelde hij. ‘Licht, sta me bij.’ Hij wist niet meer wat het betekende.

‘Het Licht zal je niet helpen, jongen, en het Oog van de Wereld zal je niet dienen. Jij bent mijn hond en als je niet luistert naar mijn bevel, zal ik je wurgen met het karkas van het Grote Serpent!’